1936 – Bezoek aan Brussel met zijn vader

In 1936 maakte mijn vader een reis naar Brussel met mijn opa Filippus. Dit moet een van de laatste reizen zijn geweest die hij met zijn vader maakte. Mijn opa vetrok weer naar Bandung, waar hij in 1939 op 58-jarige overleed. Mijn vader was tijdens deze reis 28 jaar.

Zaterdagmiddag omstreeks 3 uur vertrokken Pa en ik voor onze reis naar Brussel. In Rotterdam moesten we overstappen op de trein naar Antwerpen waar we zonder verdere bijzonderheden eenige uren later aankwamen. Het was prachtig weer, een uitzondering in deze zomer, zoodat velen profiteerden om eens een paar dagen uit te gaan. Natuurlijk werd België weer overstroomd door Hollandsche toeristen en heb ik op deze reis vele bekenden uit den Haag ontmoet.

Het begon al in Antwerpen waar ik Prins, een van de leden van ons reisgezelschap naar Rusland tegen het lijf liep. Na even op de Keyzerlei rondgeloopen te hebben, zijn we in een restaurant wat gaan drinken en hebben daarna een taxi genomen om in de korte tijd die ons restte, zooveel mogelijk van de stad te kunnen zien. We hadden een aardige chauffeur, een oude man met een baard, die ons op alle bijzonderheden opmerkzaam maakte.

Ons eerste doel was het bezichtigen van de Schelde tunnels. Aan de ingang van de tunnel voor het rijverkeer moesten we eerst een kaartje koopen wat ons voor de heen- en terugrit frs. 20.- kostte. Er wordt een druk gebruik gemaakt van deze tunnels die dus wel in een behoefte schijnen te voorzien. Aan het einde van deze ruim 2 k.m. lange tunnel gekomen, kwamen we uit op een onbebouwde vlakte op de linker Schelde oever. Daar hier niets te zien was, zijn we direct teruggereden om weer aan de andere kant aangekomen de z.g. Voetgangers tunnel te bezichtigen. We waren halverwege de Rij tunnel die 6.75 M. breed is, ruim 26 M. onder de waterspiegel.

De Voetgangers tunnel is een heele aparte tunnel die op eenige afstand van de andere verwijderd ligt. Daar deze weg niet geleidelijk behoeft te dalen, is de tunnel maar 570 M. lang. De toegang tot de tunnel geschiedt op beide oevers door een lift voor 90 personen en twee mechanische trappen die 16.000 personen per uur kunnen doorlaten. Het is geoorloofd om fietsen en handkarren mee te nemen. In het midden van de tunnel is een fietspad met links en rechts een weg voor de voetgangers. We zijn met de trap naar beneden gegaan, hebben een eindje de tunnel ingeloopen en zijn daarna per lift weer boven gekomen

Tijdens de rit van de eene naar de andere tunnel passeerden we nog eenige bezienswaardigheden, oude bouwwerken zooals het voormalige Vleeschhuis dat thans museum is, het Steen aan de Scheldeoever (12e eeuw) en het Marktplein met de rijk versierde Gildehuizen. Midden op het plein staat een groot beeld van Brabo die de reus heeft geveld en op het punt staat diens afgekapte hand in de Schelde te werpen. Hoog boven alles uit prijkt de slanke, als met kantwerk versierde toren van de Kathedraal.

Na deze rondtoer weer terug naar het station. Met de electrische trein die stampvol was, zijn we verder near Brussel doorgereisd. Ons plan was in Hotel Siru te gaan logeeren. Het was mijn derde poging om er een plaats te krijgen, maar ook deze keer mislukte het zoodat we onze toevlucht moesten zoeken in Hotel des Colonies dat er vlak naast ligt. Hier hadden we geluk want we konden nog net de laatste kamer op de bovenste verdieping inpikken. We hadden wel is waar slechts een klein 2-persoons bed, maar tenminste een onderdak.

Na ons opgefrischt te hebben zijn we via de Bd. Adolf Max gewandeld naar Restaurant la Monnaie. Alvorens te gaan eten zijn we eerst plaats gaan bespreken bij een reisbureau voor een groote autotocht naar Brugge, Gent, Yperen, de slagvelden en Ostende, die de volgende dag plaats zou vinden. Na het eten, het was intusschen 9 uur geworden, zijn we de rest van de avond gaan doorbrengen in het Palais d’Eté. De groote zaal is verdeeld in vakken, waarin talrijke zitjes geplaatst zijn. Je gaat dus gewoon aan een tafeltje zitten en terwijl je kijkt naar hetgeen zich op het tooneel afspeelt, kan je tegen matige prijzen het een en ander consumeeren. Het was een variété zoodat het niet erg was dat we er zoo maar binnen kwamen loopen. Het programma was zeergevarieerd met sommige heel goede nummers. De clou van het programma van deze week was het optreden van de bekende Fransche chansonnière Damia. Tegen half twaalf was de voorstelling afgeloopen en zijn we alvorens naar huis te gaan wat gaan drinken in “Augustine” een mooie nieuwe zaak aan de boulevard. Het is er altijd vol, zelfs tot laat in de nacht.

Pen volgenden morgen werden we om half acht per telefoon gewekt, hebben in het hotel ontbeten en zijn toen naar het reisbureau gewandeld waar de bus al klaar stond. We waren de eenige Hollanders van het gezelschap dat verder bestond uit Franschen, Engelschen of Amerikanen en twee Chineesche jongelui.

Om 9 uur reden we weg. Pa en ik zaten naast de chauffeur op de eerste rij zoodat we een mooi uitzicht hadden. De eerste halte was in het dorpje Alost (Aalst) dat bekend is om zijn Tapis de Sable, de zandtapijten. Een 100-tal jaren geleden zijn enige Italiaansche kunstenaars in dat dorpje neergestreken en thans zijn er nog een viertal afstammelingen van deze menschen die de kunst, die van geslacht op geslacht is overgegaan, nog machtig zijn en van gekleurd zand de prachtigste schilderijen maken. Waar wij geweest zijn hadden ze ook een zeer goed gelijkend portret van Koningin Astrid gemaakt. Gedurende deze dagen hing in België de vlag ovebal halfstok daar het juist een jaar geleden was dat de Koningin verongelukte.

Na dit korte oponthoud werd de rit naar Gent voortgezet. Voordat we de stad binnenreden passeerden we de bloemenvelden in de trant van onze bollenvelden. In plaats van bolgewassen zagen we hier echter rozen, geraniums, azalia’s e.d. allemaal groote gekleurde vakken.

In Gent, de geboorteplaats van Karel V. aangekomen, trekken direct de hooge torens van de St. Bavo, de St. Nicolaas en het Belfoort de aandacht. In dit oude stadje is nog zeer veel oude architectuur te bewonderen. Naast de forsche lijnen van de hooge kathedralen vind je het fijne kantwerk van de Gildenhuizen. Aan de rand van de stad ligt het kasteel van de graven van Vlaanderen dat nog uit de Middeleeuwen dateert, een massief brok steen dat doet herinneren aan de glorietijd van deze eens zoo machtige stad.

Langs het standbeeld van de gebroeders Van Eyck reden we het marktplein op waarom heen zich de oude gebouwen, de glorie van Vlaanderen, met hun kostbare kunstschatten, verrezen. Zoo hebben we in de St. Bavo Kathedraal het bekende meesterstuk van de gebr. van Eyck “De aanbidding van het Lam Gods” gezien. Echter was één paneel leeg, dit jaar op onverklaarbare wijze gestolen.

Aan de andere zijde van het plein heeft zich het Belfort (13e eeuw) met een klokkenspel beataande uit 52 klokken. Er worden geregeld concerten gegeven in de zomer en verandert het plein op de Zaterdagavonden in een concertzaal. Aan de voet van het Belfort staat een oud gebouw waar men in de onderaardsche gewelven een z.g. Raadtskelder heeft ingericht. Door een raam kom je langs een trapje in een groote zaal waarvan de gewelven worden gesteund door de eeuwenoude pilaren.

Na hier een kopje koffie gedronken te hebhen, reden we verder in de richting van Yperen waar we zouden lunchen, Buiten Gent passeerden we talrijke villa’s, de woningen van de beter gesitueerden van de stad. Door een vruchtbaar landschap reden we langs de rivier de bija naar het Westen.

Op deze tocht is me vooral gebleken hoe dicht bevolkt België is. Het eene dorp grenst a.h.w. aan het andere. Tijdens de rit langs de Lijs werden we achtervolgd door een vreemde geur. Het bleek vlas te zijn dat overal in speciale afgedamde gedeelten in het water lag te rotten of op de velden in schoven stond te drogen.

Intusschen naderden we de slagvelden. Hier en daar stonden in het veld overblijfselen van betonnen onderstanden. De oude linies waren nog duidelijk zichtbaar door een reeks betonnen schuilplaatsen die zich in een lange rij door de velden slingerden. Van tijd tot tijd passeerden we soldatenkerkhoven, meest Engelsche met een enkel Duitsch kerkhof er tusschen door.

Bij het dorpje Meenen waren we bijna de Fransche grens genaderd. Even later reden we door de Menin Gate Yperen binnen. Dit gedeelte van Vlaanderen, eens een groot slagveld, is geheel nieuw opgebouwd. Tusschen de nieuwe huizen vind je hier en daar nog een overblijfsel van een oude poort of toren dat zorgvuldig bewaard wordt gehouden. Het typische is, dat men er blijft vasthouden aan de oude architectuur, zoodat alles weer is opgebouwd in de oude Vlaamsche stijl.

Toen we Yperen binnenreden zag ik nog eens het monumentale Engelsche gedenkteeken, de Menensche Poort, welke opgericht is ter nagedachtenis aan de 54.000 officieren en soldaten die bij de verdediging van Yperen gevallen zijn en wiens lichaam men nooit meer heeft teruggevonden. Het hooge gewelf geheel volgebeiteld met de tallooze namen der slachtoffers van de 4-jarige strijd die hier heeft plaats gehad maakt telkens weer een diepen indruk.

In een hotel aan het Groote plein sijn we gaan eten om daarna hier en daar een kijkje te gaan nemen. De St. Maarten Kathedraal als evenals de tazenhallen geheel was vernield, is opnieuw opgebouwd. Toen ik twee jaar geleden in Yperen was, stond reeds het nieuwe Belfort to midden van de brokstukken van het oude gebour. Nu is men weer verder opgeschoten en staan van een der vleugels de muren al weer overeind.

Om 2 uur word de tocht voortgezet naar Dixmuiden via Poelenelle, het a.g. Tankkerkhof waar in hat midden van een pleintje een beeld is opgericht ter esre van de beroende Fransche vlieger Guynemer die daar in 1917 is neergestort, St. Julien waar een mooi monument staat voor de Canadeezen die er gevallen zijn tijdens de eerste Duitsene gasaanval in 1915 en de lek waar eens het bosch van Loven stond. Nu is alles vlak. Het eenige wat van het bosch is overgebleven zijn een paar verkoolde stammen. Hier in de nabijheid ligt een enorm groot Belgisch kerkhof, allemaal slachtoffers van de bajonetaanval die in het bosch heeft plaats gehad.

In Dixmuiden, het plaatsje aan de Yzer, hebben we weer gestopt om de “Bloemmolen” te bezichtigen. Deze molen was door de Duitschers tot een onneembare vesting gemaakt en nu nog zijn de resten ervan met de loopgraven en de mitrailleursnesten die de heele Yzer beheerschten, te bezichtigen. Aan de overkant van de rivier, dus op de Belgische linie, staat een hooge toren ter nagedachtenis aan de gevallen Vlamingen, waarheen jaarlijks 100.000 bedevaartgangers trekken. Een eindje verder, ook aan de Belgische kant is nog een gedeelte van de z.n. loopgraaf van de Dood, die van Dixmuiden tot Nieuwpoort liep.

Van Dixmuiden werd de tocht voortgezet naar Ostende waar we gelegenheid hadden om thee te drinken. Pa en ik zijn direct naar de boulevard gewandeld waar het die Zondag enorm druk was. Op de terrassen voor de restaurants was bijna géén vrij plaatsje te bekennen. Bij “Wellington” dicht bij het Kurhaus hebben we toch nog een tafeltje gevonden en hebben ons vrij half uurtje benut om er een “glaasje” koffie te drinken. Het is opvallend hoeveel Engelschen er altijd in Ostende zijn. Toen wij daar zaten, kwam net “Prins Boudewijn” de haven binnenvaren.

Van Ostende verder gereden naar Brugge. Brugge, de stad die het zuiverst de Middeleeuwsche atmosfeer bewaard heeft, wordt wel eens een erenlucht museum genoemd en dat is inderdaad een zeer toepasselijke naam. Wanneer je een wandeling maakt langs de talrijke grachten of door de smalle oude straatjes met de vele trapgeveltjes, tref je overal merkwaardige bouwwerken aan. Zoo heb je er, om maar de voornaamste te noemen, het machtige, 80 M. hooge Belfort op de groote Markt, het Paleis van Justitie, het stadhuis, de Basiliek van het Heilige Bloed, het Paleis van het Provinciaal Bestuur en de Begijnhofjes waar de bekende kant gemaakt wordt dat in fijnheid en bewerkelijkheid niet onder doet voor de versiering van deze oude gebouwen uit de glorietijd van de stad. Men vindt er voorbeelden zoowel van Romaansche-, Gothische-, als van Renaissance bouwstijl. Wanneer je alles op je gemak wilt bekijken, kun je er vele dagen zoek brengen.

Wij hebben ons slechts bepaald tot een wandeling door het oude stadje langs de grachten en de voornaamste bouwwerken, waarna de terugtocht werd aanvaard. In Gent waar we tegen 8 uur aankwamen hebben we nog even de beenen kunnen uitstrekken en toen ging het in eens huistoe. Het was intusschen geheel donker geworden, zoodat van het laatste gedeelte weinig te vertellen valt.

De aankomst te Brussel met zijn vele lichten was heel aardig. Na ons in het hotel opgefrischt te hebben, zijn we gaan eten in een restaurant aan de Avenue de Boulevard en zijn vervolgens een kijkje gaan nemen bij “Jean Bart” een dancing waar niet veel aan was, zoodat we weer gauw zijn opgestapt. We hebben het toen nog ergens anders geprobeerd en kwamen terecht in “Parisiana” waar het veel gezelliger was. De eerste serie attracties was al afgeloopen, maar om half één zou het vervolg komen.

Daar hebben we op gewacht en kregen we nog een heel programma van 8 nummers te zien dat precies één uur duurde. Toen was het welletjes geweest voor die dag en zijn we weer naar huis teruggekeerd.

Den volgenden morgen na het ontbijt eerst onze koffer naar het station gebracht, daarna wat gaan winkelen en vervolgene appartementen gaan bekijken in de Rue de Cloitre. Het bleek dat de kamers net verhuurd waren, maar de vrouw des huizes was zo vriendelijk om ons toch nog alles te laten zien. Toen we weer in de binnenstad terug waren, zijn we vóór het eten weer even bij “Augustine” een kopje koffie gaan drinken en toen via Au Bon Marché naar Hotel Siru gewandeld waar we geluncht hebben.

Na het eten met de tram naar het Bois de Cambre gereden, door het bosch naar het meer gewandeld en vervolgens met een pontje overgestoken naar het eilandje “Robinson” waar we thee gedronken hebben met cramiek. Hoe later het werd, hoe meer menschen er kwamen en vooral de talrijke roeibootjes vonden groote aftrek.

Tegen etenstijd zijn we weer naar de stad teruggetramd en hebben alvorens naar het station te gaan eerst nog gegeten in een restaurant daar in de buurt. De trein naar Antwerpen was weer stampvol. In Antwerpen moesten we overstappen in een trein, die gelukkig doorging tot Den Haag.

Eerst hadden we de ruimte tot een paar minuten vóór het vertrek, maar daarna liep het ineens storm zoodat toen we wegreden, we bijeengepakt zaten als haringen in een ton. Gelukkig dat er in Roozendaal eenige passagiers uitstapten, zoodat het verder wel weer ging, hoewel deze reis niet bepaald aangenaam genoemd kon worden dankzij een brullend kind in de coupee. Maar ook hieraan kwam een eind en toen we om ongeveer 11 uur weer in den Haag terug waren, was het leed alweer geleden.