“Hé, mijnheer, je hebt wat verloren”, wordt mij toegeroepen, “je achterrijder ben je kwijt”. En zoo was het. Alleen trapte ik zoo hard ik kon de tandem, waarvan de achterband snel leegliep, voort, om te probeeren zoover mogelijk tot Woudenberg te komen, waar we een fietsenmaker hoopten te vinden die de band repareeren kon. Achter me aan kwam, te voet, Brunet, m’n trouwe tandemgenoot van vorige vacantie tochten. Het was Zondagmorgen, de kans was dus groot dat in een dergelijk landelijk dorpje met een bijzonder christelijke bevolking, we alles gesloten zouden vinden.
Erg fortuinlijk was de tocht niet begonnen. Al de vorige dag was de pech gekomen, die ons zou blijven achtervolgen zoolang we de tandem hadden. Direct Zaterdagmiddag begon het al, toen we de tandem tegen half twee
zouden ophalen en toen hooren moesten dat die eerst tegen den avond beschikbaar zou zijn. In plaats van zelf te komen, konden we dus een telegram naar Apeldoorn sturen om te waarschuwen dat we eerst de volgende morgen zouden vertrekken. Gezien de pech die we verder nog zouden krijgen, mocht dit, achteraf beschouwd, nog een geluk bij een ongeluk genoemd worden, want waren we die Zaterdagavond toch nog vertrokken, dan zouden we nooit vóór middernacht ons einddoel bereikt hebben. Zoo goed als het ging hebben we ons toen maar in Utrecht bij Venezia probeeren te troosten met vele porties verrukkelijk Italiaansch ijs, om tenslotte de avond van de mislukte eerste vacantiedag te besluiten met een gang naar de bioscoop.
Het mooie weer van ’s middags was plotseling omgeslagen en het regende toen we buiten kwamen. Bovendien was het stikdonker en alsof hey nog niet erg genoeg was, wilde ook de lantaarn niet branden, zoodat we genoodzaakt waren naar huis te loopen. En daarvoor hadden we een tandem gehuurd!
Maar de volgende morgen scheen de zon weer, het werd een stralende dag. Ook het goede humeur was weer teruggekeerd toen we dan eindelijk op weg konden gaan. Wéér trokken Brunet en ik er samen op uit zooals we ook de twee voorafgaande jaren per tandem door Nederland hadden rondgezworven. Maar nu zou het toch anders zijn
Dit jaar moest ik mijn trouwe kameraad gedeeltelijk in de om steek laten, omdat nu in Apeldoorn een schat van een meisje op me wachtte die ook beslag op mij zou leggen en dat was de oorzaak van de onrust die me steeds dreef zoo snel mogelijk verder te gaan en daardoor ook was mijn prikkelbaarheid teen- verklaren toen de pech ons begon te achtervolgen en het steeds later werd voordat we in Apeldoorn aan zouden komen. Aanvankelijk ging alles nog goed. In de frissche ochtendlucht reden we voort langs Utrechts mooie wegen. Het was stil op de weg, auto’s waren er niet en ook het aantal wielrijders was tot een minimum ingekrompen na de drastische maatregelen van de Overheid die zoomaar duizenden fietsen had in beslag genomen, weggehaald uit garages, rijwielstallingen en zelfs uit woonhuizen. Wat we zagen waren voornamelijk nog tandems.
In Klein Zwitserland hielden we de eerste rust om even een warm kopje koffie te drinken. In dit tempo doorgereden konden we in vier uur in Apeldoorn zijn. Het werden er echter acht, voordat we eindelijk, na een tocht vol tegenspoed, der aankwamen. Even
Voor Woudenberg begaf de achterband zich. Met een geleende pomp probeerden we het zoover te krijgen dat we het dorp nog rijdende konden bereiken, maar tevergeefsch. Jien ging toen maar loopen en ik trachtte zoover mogelijk te komen, voordat de band weer heelemaal leeg zou zijn. De eerste rijwielher-steller die ik trof, een sloome onwillige kerel, weigerde op Zondag te werken, maar gelukkig was de tweede welwillender en na een kort oponthoud konden we weer verder rijden.
Niet lang echter, want nauwelijks een paar kilometer verder hoorden we een verdacht geluid. Het achterwiel liep aan. Op de band, die op de draad versleten was, puilde een groote bobbel. Dit was erger dan een gewone lekke band. Snel lieten we wat lucht ontsnappen voordat de binnenband springen zou en liepen tóén maar wéér verder, nu tot Renswoude, dat niet ver meer af was.
In een café wees men ons de weg naar een man die de band herstellen kon. Het ging wel bijzonder primitief, maar het lukte, de band hield het voorloopig. Toch waagden we het toen niet meer over Barneveld dwars de Veluwe over te steken, om langs de kortste weg rechtstreeks naar Apeldoorn te rijden. Het leek ons geraden liever een omweg te maken en in de buurt van de spoorbaan te blijven, om eventueel de tandem op den trein te kunnen zetten, wanneer we onverhoopt opnieuw een ongelukje mochten krijgen. Liever hadden we weer de gezellige, smalle kronkelpaadjes gevolgd dan de groote rechte wegen, maar we durfden het toch niet te riskeeren.
De Klomp en Ede passeerden we en nog hield de band zich goed. We begonnen weer hoop te krijgen nu zonder verdere pech Apeldoorn te zullen bereiken. Van tijd tot tijd viel er een zacht regentje, nauwelijks de moeite waard om ervoor te gaan schuilen, behalve de plotselinge stortbui die ons bij De Klomp dwong een oogenblik onder het afdak van een pompstation te gaan staan. Maar daarna klaarde het weer snel op en na eenigen tijd begon zelfs weer de zon te schijnen. Het werd nog een mooie zomersche dag.
We begonnen er weer plezier in te krijgen. Om ons heen was de natuur intusschen van gedaante veranderd. Het groene weidenland had plaats gemaakt voor de rulle zandgronden van de Veluwe. Op en neer ging nu de weg, slingerend door het mooie landschap. De zon begon aardig te branden op de open wegen, de hellingen waren dikwijls lang, bijna onmerkbaar stegen we langzaam omhoog en zelden kwam er als compensatie een behoorlijke afdaling. Langzaam schoten we maar op, want de tandem trapte ontzettend zwaar.
In Otterloo dronken we even een glas bier en toen gauw maar weer verder. Anders haalden we nooit het einddoel voor die dag. Bovendien kon de band nog voor allerlei onaangename verrassingen zorgen. Veel hulp zouden we onderweg nu niet meer kunnen krijgen. Verlaten strekten de wegen zich voor ons uit. Links lag de Harskamp, het groote militaire oefenterrein dat natuurlijk hermetisch was afgesloten, rechts begon het landgoed de “Hooge Veluwe”. Boven het groen uit stak de toren van de St. Hubertus Hoeve.
Steeds ging het nu helling op en af, maar meer stijgend dan dalend. Op een hoog punt gekomen wilde Jien opeens niet verder meer gaan. Hij fietste voor zijn genoegen en wilde zich niet af laten beulen. Ik moest tenslotte wel toegeven, al was ik liever rechtstreeks doorgereden, want onweerstaanbaar werd ik naar Apeldoorn voortgedreven en zoolang we dat doel van onze tocht nog niet bereikt hadden, bleef ik rusteloos en ongedurig.
Zou de band het nog zoolang houden? Mijn vrees bleek niet ongegrond, want nauwelijks waren we weer opgestapt, of prompt begon de ellendige achterband wéér langzaam leeg te loopen. En niemand was er nu te zien op de lange stille weg, waarop de zon in al zijn hevigheid stondte blakeren. Eindelijk, vlak bij Hoenderloo troffen we fietsers aan van wie we een pomp konden leenen en zoo konden we tegen mijn pessimistische verwachtingen in toch nog Apeldoorn rijdende bereiken.
Twaalf kilometers scheidden ons toen nog van ons einddoel, drie uur loopen eventueel, wanneer de band zich toch nog mocht begeven, twaalf kilometer langs een pracht van een weg, onder schaduwrijk geboomte. Heuvel op en af ging het nu weer langs lange hellingen vaak, waartegen we moeizaam op moesten tornen met de hoog beladen en zwaartrappende tandem, maar waarlangs we ook omlaag konden rennen in snelle vaart, als zaten we weer op onze motor.
Mooi is hier de natuur. Omringd door een krans van heuvels ligt Apeldoorn in een streek vol variatie. Uitgestrekte bosschen en golvende heidevelden, waardoorheen genoegelijke kronkelpaadjes slingeren. Ruige zandverstuivingen en welig bouwland volgen elkaar op in een bonte afwisseling. Tegen vijf uur waren we eindelijk in Apeldoorn. Nog even was het een zoeken naar de Frankenlaan, maar het einddoel was tenslotte toch bereikt en nog wel zonder verdere pech. Het was anders welletjes geweest.
Een reeks van heerlijke dagen volgde nu, een zorgelooze tijd van zalig nietsdoen. ’s Morgens tennisten we of we gingen boodschappen doen in het dorp. Dan aten we er in het voorbijgaan een ijsje bij Venezia of poffertjes in de kraam op de Loolaan.
Thuis was het één voortdurende en verwennerij, lekker eten en drinken den heelen dag door. De eerste tocht die we maakten ging in de richting van Vaassen. Maut was onze gids. Marietje en Jien zaten op de eene tandem, Bé en ik op de onze, die intusschen al weer gerepareerd was. Deze toute bracht ons al de afwisseling die dit gedeelte van de Veluwe biedt, bosch en heide en wildreservaten, heuvelland en akkers. Zooveel mogelijk zochten wij de smalle paadjes op, die zoo gezellig kronkelen door de golvende heidevelden en door de mooie bosschen. Heerlijk scheen de zon.
Over Wiessel en Niersen gingen we tot in de buurt van Gortel en verder over Het Soerel naar Vierhouten. Vlak rondom Apeldoorn is overal bosch, verderop komt de open vlakte. Eerst ging het door bouwland met hier en daar een boerenhoeve, ingesloten in een krans van boomen, maar dan komt de wijde heide, ruige zandheuvels, waar overheen kronkelend het pad golfde. Een paarse gloed lag al op de verre, glooiende vlakte.
Dan opeens verdween het weggetje weer in het bosch. Achter elkaar reden we over het smalle pad, dat grillig tusschen het geboomte door slingerde en voortdurend daalde en weer omhoog liep, totdat we opnieuw uitkwamen op de hei, die nu hoog boven de omgeving zich uitstrekte tot aan de verre horizon.
Een aardig huis stond er eenzaam in de groote open vlakte, waarover een zonnige hemel welfde, blauw en wolkenloos. Verrukt keken we naar het wij de panorama….., totdat, met een knal onze achterband zich opnieuw begaf. Elspeet, het dichtsbij zijnde plaatsje lag nog vele kilometers van deze eenzame plek vandaan, maar gelukkig hadden we gereedschap meegenomen en dank zij de handigheid van Maut en Jien was de band in betrekkelijk korten tijd weer hersteld.
Maar met angst en beven gingen we weer verder, want niet alleen de binnenband bleek uiterst gammel te zijn, ook de buitenband had tijdens de reparatie een zwakke plek vertoond. Maar opnieuw bleek mijn pessimisme overdreven te zijn, want de band hield zich verder goed.
Langs een aardige weg daalden we nu af naar Elspeet. Intusschen waren we weer in een meer bewoonde streek gekomen. Kleine landhuisjes en boerderijen lagen aan weerskanten van de weg. In het vriendelijke dorpje rustten we wat in de tuin van een hotel. Het rook er heerlijk naar gebakken biefstuk en door het open keukenraam zagen we verleidelijke puddingen staan op de aanrechttafel. Maar voor ons was er niets te krijgen, alles was alleen voor de gasten bestemd. Het liep tegen etenstijd en we hadden goede trek, zoodat het een ware tantalus kwelling was al dat lekkers te zien liggen en te ruiken.
Toen ook nog de winkels gesloten bleken te zijn en we zelfs weer niet een koek zonder bon konden bemachtigen, besloten we om nu maar langs de kortst mogeleijke weg naar huis terug te keeren. Het werd echter een heele omweg, want over Uddel kwamen we eindelijk pas uit op de Amersfoortsche weg, die vandaar rechtstreeks naar Apeldoorn leidde. Maar het was een omweg die de moeite loonde. Na het open vlakke bouwland met korenschoven op het veld en hier en daar een vriendelijk boerderijtje, kwamen de wildbosschen. De omgeving werd nu weerons heuvelachtig. Over het glooiende land liep de verlaten weg door de prachtige bosschen. Achter de boomen begon de zon nu langzaam weg te zinken aan de horizon en kleurde de luchten met een rooden gloed. Het was heerlijk rustig rondom, geruischloos gleden we over het betonnen rijwielpad.
Toen gaf opeens Marietje een schreeuw: “Herten”. We stapten af en liepen voorzichtig terug tot de open plek in het bosch waar we inderdaad in de verte een hert zagen grazen.Zich van geen gevaar bewust stond het dier er rustig te knabbelen aan de struiken.
Even later verscheen een tweede en daarna kwam zelfs nummer drie tusschen de boomen vandaan naar de open boschplek. Maut wilde enthousiast een poging wagen om het drietal te fotografeeren. Voorzichtig verdween hij tusschen het kreupelhout en begon voetje voor voetje zijn prooi te besluipen. Intusschen bleven wij uit de verte toekijken. Toen Maut van zijn expeditie was teruggekeerd, mèt zijn buit vastgelegd op de gevoelige plaat, gingen we snel weer verder. Het zou anders te laat worden. Jammer, graag was ik hier nog wat gebleven, want de omgeving is er prachtig.
Over de Amersfoortsche weg ging het nu als op een rutschbaan, helling op en af, over het betonnen pad, recht naar huis toe. Om ons heen ligt nu weer het ruige heideland, totdat bij de “Echoput” de weg weer kronkelend in het dichte bosch verdwijnt. Nog even moeten we moeizaam omhoog zwoegen, maar dan gaat het in één lange ren omlaag, voorbij Berg en Bosch, tot vlak bij huis.
11 Augustus, op Tante Lot’s verjaardag wipten we even over naar Deventer. ’s Nachts had het flink geregend, maar het weer knapte in de loop van den dag aardig op, zoodat we nog droog overkwamen. Ook gedurende deze rit hield de band zich goed.
In afwachting van een nieuwe die ik per expresse uit Utrecht had laten komen, waagden we het toch nog maar een keer en wéér hield het gelapte ding het uit. Fritsje was verrukt over Tante Bé en Oom Wim met hun “autofiets”. Op de terugweg probeerden we wat groenten mee te smokkelen. Achter de dijk, aan de overkant van de Schipbrug, wisten we een tuinder te wonen die ons misschien wat leveren kon, maar we troffen het niet, want deze keer had hij toevallig niets. Waar het echter niet goed voor was. Op de grens van de gemeente Apeldoorn hield n.l. een marechaussee ons aan voor controle op de persoonsbewijzen.
Vlak bij Teuge werden we op de terugweg verrast door een plotseling neerkletterende stortbui. Maar toevallig hadden we zoomaar een café bij de hand om erin te schuilen en zelfs voor de tandem was er onder een groote boom in de speeltuin nog een betrekkelijk droog plekje te vinden.
De volgende dag was het druilerig weer. ’s Middags reden we even naar het St. Bernardsdal, een uitspanning met muziek en kermisvermakelijkheden, met mooi weer wellicht een gezellige gelegenheid, nu echter een dooie, natte boel. In de poffertjeskraam aan de Loolaan was het tenminste beter. We konden de verleiding moeilijk weerstaan en besloten er toch maar weer een paar bonnetjes aan te spende eren. Het rook er ook zoo lekker! ’s Avonds deden we ons tegoed bij de “IJskoning”.
Het was weliswaar meer weer voor een warme groc, maar het ijs smaakte ons toch uitstekend. De volgende dag bleek het gelukkig weer droog te zijn, waarvan we direct geprofiteerd hebben om weer een flinke tocht te maken door Apeldoorn’s mooie omgeving. Over het genoegelijke paadje langs de Asselscheweg reden we eerst in de richting van Assel. Aan werszijde strekten zich de bosschen uit, tot we, aan het eind van een lange helling, uitkwamen op de open hei. Wijd was hier het uitzicht op het omringende heuvelland. Hoog boven de omgeving uit staken de enorme torens van het radiozendstation Kootwijk.
Maar ook dreigende donkere wolken zagen we snel naderen en eensklaps zaten we midden in de bui. Nergens was een droog plekje te bespeuren, of een boom om er onder te schuilen. In de gutsende regen moesten we verder rijden, soms gedwongen door een groote plas om door de hei te gaan. De eerste huisjes zagen we pas in Assel, rondom het stationnetje, maar toen was het weer droog. De landelijke weg, vol met diepe karre sporen liep nu verder weer door de bosschen, met hier en daar een verrassend aardig uitzicht op het bouwland en de glooiende heuvels.
Even voor Nieuw Millingen bereikten we de groote verkeersweg. Langs een prachtig rijwielpad ging het nu een tijdlang weer heuvel op en af. Toen sloegen we de richting van Kootwijk in, dwars door het Stroesche Zand. Schitterend was het weer nu weer geworden. De wolken waren weggedreven en de zon stond weer in al z’n hevigheid te stralen over de golvende zandvlakte. Door dit prachtige stukje natuur slingerde zich de weg, langs zandverstuivingen, met hier en daar een plukje dennen, kromgegroeid en scheefgewaaid, met moeite zich vastklampend in de rulle grond. Dan weer een groener stukje, vol met bloeiende lijsterbes. Goedverzorgde rijwielpaden loopen overal hier kris-kras door dit mooie stuk natuur. Het is een genot om rond te zwerven door deze streek zoo vol van afwisseling. We komen vlak langs de geweldige torens van het zendstation Kootwijk.
Het doordringende zoemen van de draden hoog in de lucht klinkt al van verre. Het pad begint nu flink te stijgen, even rutschen we nog een steile helling af, maar dan gaat het weer omhoog, tot we op het hoogste punt staan en tot heel ver kunnen uitzien over de wij de golvende vlakte van de Veluwe. In een dalkom, beschermd door een krans van heuvels, ligt het gebouwencomplex van Kootwijk. Daaromheen, tot ver weg aan de horizon de paarsende heide, witte zandheuvels en groene bosschen, waarover nu het zonlicht viel in groote stralenbundels van achter de wolken vandaan, die juist voor de zon kwamen geschoven. Wondermooi was het uitzicht vanaf dit hooge punt.
Dan dalen we weer af. De open vlakte ligt nu achter ons en het pad kronkelt zich weer door een boschrijke omgeving. We rijden door een mooie laan tot aan Hoog Buurloo, een gehucht met een paar rustieke boerderijtjes, verscholen in het groen. Tusschen de boomen door kijken we neer op het lager liggende land, op de velden, waar de schoven staan in lange rijen.
Sterk doet dit landschap me denken aan Zuid-Limburg. Tot Apeldoorn gaat het nu bergafwaarts. Uitgestrekte dennebosschen aan weerskanten van de breede zandweg liggen,waarlangs wij met een flink vaartje voortsnellen. Over Ugchelen komen we dan weer terug in Apeldoorn. De volgende dag maakten we een groote fietstocht naar en over de Hooge Veluwe.
Tot Hoenderloo was de weg bekend, maar graag hadden we het stevig trappen, heuvel op en af ervoor over, want deze route was zeker de moeite waard. Voortdurend ging het door mooie lanen met telkens een aardig uitzicht aan weerskanten over het wijde land. Bij Hoenderloo gingen we de Hooge Veluwe op.
Alle verscheidenheid die men in het landschap treft, vindt men op dit 6000 H.A. groote natuurreservaat, bosch en heide, zandverstuivingen en vennen. Aan een vijver, omgeven door een park met hoog geboomte ligt de St. Hubertus Hoeve, de woning van de familie Kröller-Müller, door Berlage gebouwd, een monument in baksteen en glazuur, waarin motieven verwerkt zijn uit het leven van St. Hubertus, de wilde jager, eens de schrik van alles wat leefde in de bosschen en het veld, maar die bekeerd werd toen hij voor zich een groot hert zag verschijnen met een lichtend kruis tusschen het gewei. Hij eindigde zijn bewogen leven in 728 in Tervueren als Bisschop van Luik. Tafereelen uit dit leven zijn symbolisch in de bouw uitgedrukt, in de hall, de eetkamer, de bibliotheek en de theekamers, knap uitgedacht en origineel van uitvoering, maar veel te druk en kleurig naar mijn smaak.
Mooi is echter de ligging aan de groote vijver en het uitgestrekte park rondom. In de bosschen leven wilde herten. Dwars door dit uitgestrekte stuk natuurschoon reden we naar een van de andere toegangspoorten van de Hooge Veluwe, naar Oud Reemst, waar in een oude boerderij onder hooge beukenboomen we wat gezeten hebben en er onze boterhammen hebben opgegeten, terwijl de kippen om ons heen kwamen scharrelen.
Dwars door de uitgestrekte vlakten liep het pad, door het Otterloosche Zand eerst, waar midden in de uitgestrektheid van zand en heide het monument staat van Christiaan de Wet. Dan komt opnieuw het bosch. Tusschen de boomen verscholen staat het boerenhuis de Pampelt. Bij een ververschingswagen in het bosch drinken we een kop koffie en we zitten er even op de houten banken onder de hooge boomen.
Dan gaat het weer verder door een pracht van een natuur, door mooie bosschen kronkelt het pad, heuvel op en af. Dan komt weer de vlakte, we zijn nu op het Oud-Reemster Zand. Hoog ligt dit stuk zand en heide, bezaaid met schilderachtige groepen vliegdennen, vastgeklamt in grillige vormen in de rulle grond, boven de omgeving uit. Tot ver in de omtrek kunnen we uitzien over het mooie land.
Steeds kronkelt het pad nog op en neer, soms gaat het even weer door een meer beboscht gedeelte, dan ligt opnieuw de groote kale uitgestrektheid rondom, zoover het oog reikt. Midden in de open vlakte zien we in de verte een stelling afweergeschut. Dreigend steken de loopen van de kanonnen omhoog, rondom de batterijen krioelen de manschappen als mieren in hun nest.
Moeizaam hebben we nu het hoogste punt bereikt. Wijd, heel wijd is hier het uitzicht over heel de Veluwe. Prachtig is het hier, die vale, ruige, heuvelende vlakte onder een hooge blauwe hemel, waarin witte wolken drijven. Bij Oud-Reemst verlaten we weer de Hooge Veluwe. We volgen nu de groote weg. Links liggen de terreinen van het Planken Wambuis, uitgestrekte verlaten heidevelden met hier en daar bosch en een enkel huisje. Mooi is het uitzicht aan beide zijden, vol variatie is ook hier de streek. Aan onze rechterkant blijft de Hooge Veluwe, waar we nu bijna geheel omheen rijden, over Otterloo, langs Hoenderloo en vandaar weer langs de bekende weg heuvel op en af, terug naar Apeldoorn.
De volgende dag konden we onze eigen tandem gaan halen, die al die tijd in reparatie was geweest. Intusschen was het al weer Zaterdag geworden, de dagen vlogen om. Veel plezier hebben we van het vehikel dus niet gehad. En ook toen we hem weer terug hadden, bleef de misère ons achtervolgen. De eerste de beste keer dat ik stoppen moest, braken opnieuw de remmen af. Toen besloot ik maar om het op te geven. Op het heuvelachtige terrein met de vele lange hellingen, zou het levensgevaarlijk zijn te rijden zonder behoorlijke remmen.
Zondag was het druilerig weer. Donkere regenwolken joegen langs de zwaar betrokken hemel. Het was nat en guur, van tijd tot tijd viel er een bui. Zoodra het tegen de middag even droog was, maakten we een wandeling door het Orderbosch. De gromd was echter drassig en heel de natuur onder de druipende boomen en tusschen de natte heidestruiken, was vochtig en klam. Even later drenste opnieuw een miezerig regentje neer.
Maar de volgende morgen bracht een totale ommekeer. Opeens was het volop zomer. De zon stond stralend aan een wolkenlooze blauwe hemel. De temperatuur was warm en droog. De tandem volbracht die dag zijn laatste rit, toen werd hij oneervol ontslagen en per trein naar Utrecht teruggezonden. Wel moesten we onze plannen om per fiets naar Roermond te gaan opgeven, maar gezien de drukkende warmte die we de eerstvolgende dagen zouden krijgen, bleek dit achteraf beschouwd, geen bezwaar te zijn.
Het zou anders toch te vermoeiend geworden zijn, want zelfs reizende met de trein moesten we bekennen “hoe warm het was en hoe ver”. Eindeloos leek de reis, gezeten in propvolle coupees, stikkend van de hitte, langzaam voortsjokkend in primitieve oude treintjes, die stil hielden bij ieder klein stationnetje, om daar weer nieuwe stroomen vacantiegasten op te nemen, die ook nog bijgeperst moesten worden in de toch al tot berstens toe gevulde wagons.
Beekbergen, Loenen, Eerbeek, Laag Soeren, Dieren, Doesburg, De Steeg, Rheden, Velp en Arnhem, een lange reeks vacantieoorden, waar telkens weer het treintje puffend stil stond, om vervolgens zich zuchtend opnieuw in beweging te zetten, nagekeken door de dorpsche inboorlingen, voor wie het een dagelijks terugkeerend leedvermaak moet zijn de reizigers te zien vechten om een bescheiden plaatsje, al was het maar in een bagagewagen, en zelf te kunnen blijven in de luchtige, vrije mooie natuur.
Want het land daar is mooi. Aan weerszijde glooiende velden, waarop de gouden korenschoven te drogen staan in de zon, afgewisseld door de heide die al overtogen was met een donkere paarse gloed. Zandverstuivingen en dennebosschen, prachtige wolkenluchten tegen een blauwe hemel. We komen langs de IJssel en na Dieren langs de Middagter Allee, prachtig hoog geboomte in lange rijen naast elkaar. Dan komt Arnhem, ingesloten door groene heuvels aan het glinsterende waterlint van de Rijn. Rondom dichte bosschen, glanzende grasgazons en mooie villa’s. Hier en daar een zwembad, dat nu extra lokt tot een verfrisschende duik in het koele nat.
Hoog boven de huizenzee uit rijdt de trein het station binnen. We gaan de stad in. Gezellig is de drukte. Bé wijst me de haar vertrouwde plekjes aan in de stad waar zij op school is geweest. We gaan eten in Riche aan het ruime Willemsplein en pikken dan nog even een ijsje in een Italiaansch restaurant in de gezellig drukke binnenstad.
Met een electrische trein gaan we door naar Nijmegen. Veel sneller gaat het nu, met alleen een kort oponthoud in Elst, een station met een geweldig uitgestrekt emplacement, dè exportplaats van het Betuwsche fruit, maar waar nu de loodsen leeg staan en geen lange rijen goederenwagons meer staan te wachten om geladen te worden met het kostelijke fruit.
Over de hooge Waalbrug rijden we Nijmegen binnen. Hier hebben we drie uur de tijd, waarvan we gebruik maken om wat te wandelen in de prachtige omgeving van de stad. Evenals Arnhem is Nijmegen ruim van aanleg, met royale boulevards, singels en parken, waarin in bonte pracht een menigte bloemen bloeien. Met de tram rijdenwe tot het Hengstdal, het eindpunt van de lijn, een eind buiten de stad.
We kunnen ons hier in het buitenland wanen. Het is een landelijke omgeving met groene heuvels rondom. Vlakbij loopt de Duitsche grens, wijd is het uitzicht naar alle kanten. Aan de voet van de hoogte ligt beneden ons de stad te blakeren in het zonlicht. We wandelen omhoog, langs mooie villa’s, waarvan één vooral, de “Paddestoel”, Bé in verrukking brengt, naar de “Heilige Land Stichting”.
Even gaan we binnen in het witte kapelletje van de zusters, boven op een heuvel. Na de hitte buiten en het schelle licht is het een verademing even te kunnen rusten op een bank in de koele schemer van de kapel, waar flauw een lichtje flakkert op het altaar. Stijf en weinig smaakvol van architectuur staat even verder, op een open, leeg pleintje dat afglooit naar de beboschte heuvelrand, de witte kerk van de Heilige Land Stichting. Boven de boomkrans uit, en zichtbaar tot ver in de omtrek, rijzen z’n groene koepels omhoog. Maar als we binnen zijn gegaan, treft ons het mooie mozaiekwerk tegen de wanden en de glas in lood ramen, die in kleurige tafereelen ons het leven tonen van Jezus Christus. Van achter het altaar, onzichtbaar voor ons, zingt een nonnenkoor. Helder als kristal wordt de zang weerkaatst in de hooge gekoepelde ruimte.
Als we aan het station zijn teruggekeerd, staat de trein naar Roermond al klaar, stampvol natuurlijk, zoodat we voorloopig moesten staan in de volgepakte corridor. Maar al in Cuyk kunnen we beiden weer gaan zitten. Intusschen schuift een bekoorlijk landschap aan ons voorbij, met zon beschenen hellingen, paarse heidevelden en golvende akkers. Dan zien we de Maas, als een breed blauwrimpelend lint tusschen de hooge groene oevers. Het stoomveerpontje “Gods Vertrouwen” vaaert juist over van Katwijk naar het overliggende Mook.
Even verder rijsen de torenspitsen van Cuyk omhoog achter de breede rivierdijk. Langsaam sukkelt weer het treintje voort, telkens stoppend bij de vele haltes, Kruispunt Beugen, Boxmeer, Vierlingsbeek, Venray en Blerick. Dan komt Venlo.
Negen snelle jagers flitsen daverend voorbij. In een wijde boog over de stad heen cirkelt een bommenwerper. Vlakbij ligt hier het grootste vliegveld door de Duitschers in Nederland aangelegd. “Om de andere nacht zitten we in de schuilkelder”, werd er in de trein verteld. Inderdaad waren de Engelschen weer zeer actief de laatste dagen. Hevig werd het Rijngebied gebombardeerd, nacht na nacht kwamen de aanvallers in massa’s over, maar zoolang wij in Roermond waren, bleef het toevallig rustig. Geen enkel vliegtuig hoorden we toen overkomen.
Prachtig ging de zon onder, als een groote vurige bol, die heel het mooie Limburgsche land met z’n glooiende velden en akkers, de bloeiende heidevlakten, de dennen en witte berkenboompjes en hier en daar een schilderachtige, witgekalkte boerenhofstede, verscholen tusschen het geboomte, kleurde in een rooden gloed.
Als een zilveren lint, glinsterend in de avondzon, stroomde daar weer tusschen de groene heuvels door, de Maas. Tegelen en Swalmen passeerden we nog en toen kwam eindelijk, juist voor het vallen van de duisternis, Roermond. Hartelijk was als steeds de ontvangst in Huize Heynen. Diezelfde avond nog gingen we met heel het stel jongelui uit het pension in Delicia een coupe Americain halen en appelbollen eten zonder bon.
De volgende morgen was het opnieuw stralend zomerweer. De poging om ergens fietsen te huren liep op niets uit, maar dank zij de welwillendheid van mijnheer Hofhuis en van een van de meisjes van kantoor konden we er toch nog twee krijgen. Over de Maasbrug reden we eerst naar Horn, voorbij het aardige kasteeltje, oud en vervallen hier en daar, maar nog schilderachtig gelegen achter z’n grachten in een krans van groen.
Bij de familie Geelen wilden we even aankeeren, maar het werd een lang bezoek. Zelfs moesten we blijven eten. Heerlijk hebben we gesmuld van een middagmaal, vóóroorlogsch van uitgebreidheid en van samenstelling. Uit de groote tuin met appels en peren, die in groote trossen hingen aan de zwaargroentenbedden en fruitboomen plukten we onze rugzak vol met beladen en kromgetrokken takken.
Van zwemmen in de Peel kon nu echter niets meer komen, daarvoor was onze tijd nu te beperkt geworden. Het water lokte anders wel op die warme zomermiddag. Vroolijk glinsterde het meer in de zonneschijn tusschen de donkere dennenstammen, omzoomd door een helder strand van wit zand. Beter konden we nu een tocht gaan maken door de aardige omgeving en even aankeeren in Thorn en Wessem, typische oude Maasdorpjes, die schilderachtig liggen met hun verweerde witte geveltjes tegen het wijde heuvelige land langs de rivier, de stijle straatjes en rustieke pleintjes bestraat met groote ronde steenen.
Maar zoover kwamen we niet. De bandenpech bleef ons ook nu achtervolgen. Even voorbij Panheel liep Bé’s achterband leeg. In een café leende ik een pomp, maar het gaf niets. We moesten probeeren ergens een fietsenmaker op te duikelen of anders naar Roermond terugloopen. Met Bé op de bagagedrager en haar fiets aan de hand begon ik de weg terug te trappen. Het viel me zwaar, de wind was tegen en de hellingen waren lang. Over het open glooiende land, waar de korenschoven overal stonden te drogen, brandde de zon onbarmhartig op ons neer.
Heuvel op kon ik het niet hijschen, dan moest Bé afstappen, maar ging het weer helling af, dan kon ze weer een eindje meerijden. Op en neer ging het langs een witte, boomlooze weg, die zich slingerde door het heuvelige land. Hier en daar een gehucht, Heel en Beegden, echte Limburgsche dorpjes, kleine verweerde grijze huisjes met nieuwbouw ertusschen door. Om de andere deur een café en steeds een groote kerk of een klooster, die met hun spitsen en koepels hoog uitsteken boven de omgeving. Overal tusschen het groen, achter de glooingen van het land, zie je de torens rijzen in deze streek vol kerken en kloosters en Christusbeeldjes die stil staan te droomen langs de kruispunten van witte wegen en diep gevoorde paden, die kronkelen door de golvende akkers.
Maar nergens was een fietsenmaker te vinden. De smid in Beegden deed het niet meer en de eenige rijwielhersteller die het dorpje had gehad, was gestorven. Dat nu juist die man dood moest zijn! Nu moesten we doorploeteren tot Horn, waar eindelijk de band gerepareerd kon worden. Maar toen zagen we ook alweer de torens van Roermond vlakbij vóór ons liggen. Bij Delicia, met een coupe en een Limburgsche vlaai, was het leed echter gauw weer vergeten.
’s Avonds wandelden we naar “Meneerke”, een aardige uitspanning in de buurt, met zitjes onder het koele dichte bladerendak van hoog geboomte. Daar, gesterkt door groote glazen donker bier, heb ik mijn krachten beproefd op het typisch Limburgsche beugelspel. Als volleerde beugelaars lieten we de zware houten ballen klotsen tegen het beschot en soms lukte het ons zelfs ze ook nog door het nauwe poortje heen te rollen. En toen zaten we opeens wéér in Delicia. Maar het ijs smaakte er ook zoo lekker en het was zoo warm!
Ook de volgende dag bleef het weer nog mooi en warm, tè warm zelfs. Het was drukkend, een onweer dreigde. We waren te loom om een verre wandeling te maken. Verder dan St Jacob, het armoedige voorstadje van Roermond, aan de overkant van de Roer over de oude Romeinsche steenen brug, kwamen we niet. Op het terras van Hotel de la Station aan het stationsplein streken we nog even neer. Toen werd het tijd om naar huis terug te keeren voor het middagmaal, want om twee uur vertrok alweer de trein.
Benauwend was het in de coupee. Alleen wanneer de trein reed bracht een lauwe windzucht door de open raampjes wat verademing. Met een sappige appel of een peer, geplukt uit de tuin van de familie Geelen, leschten we de dorst. Opnieuw trok het vriendelijke Limburgsche land voorbij ons coupeeraampje. Vrouwen met roode doeken om het hoofd werkten in de velden, waar overal het graan en het hooi stond opgestapeld in groote schoven. Molens zwaaiden hun wieken in het rond. Over de rulle landwegen trokken zware paarden de boerenkarren, hoog opgetast met hooi, langzaam voort. In de verte golfden groene heuvels.
Vlakbij liepde grens. Daar, waar de hooge schoorsteenen omhoog staken tegen de glooiende horizon, was Duitschland al. Het mooiste stukje was weer tusschen Cuyk en Nijmegen. Vanaf de hooge spoorbaan kijk je ver uit over het wijde land. Breed tusschen haar groene oevers stroomde de Maas. Over het glinsterende watervlak trok een sleep haar rimpelend spoor.
Aan de kant van Mook beginnen de groene heuvels, waarboven zich weer de koepels welfden van de Heilige Land Stichting. Ruige vlakken bloeiande hei, groene dennen en roode lijsterbes teekenen hun kleuren op het zonbeschenen land, waarboven een blauwe hemel zich koepelde. In Nijmegen stapten we over in de electrische trein naar Arnhem, waar we weer een twee uur de tijd hadden.
Deze keer lukte het ons te proeven van het heerlijke ijs van Van Schijndel. Het wàs voortreffelijk. Marietje en Maut hadden niets teveel gezegd. In Muse Sacrum, in de Rotonde aan het Velperplein hebben we gegeten. Gezellig zitten is het daar, met een aardig uitzicht op het verkeer over het drukke plein. Knus zaten we er in ons hoekje in de ruime eetzaal met z’n bijzonder aantrekkelijk interieur. Op het damasten tafelkleed blonk het zilver in het schijnsel van een gedempte verlichting. Het eten was voortreffelijk en ook hier was het ijs iets bijzonders. Binnen was het lekker koel, buiten blikkerde nog het zonlicht, maar reeds trok de lucht dicht. Donkere wolken pakten zich samen, het was erg drukkend nu, een onweer dreigde spoedig te zullen losbarsten.
Aan het station vonden we een perron zwart van de menschen. Het bleek dat alle bussen die op de omringende plaatsen reden opeens door de Duitsche Weermacht waren opgevorderd, zoodat velen nu met de trein moesten gaan. De capaciteit van het treintje naar Apeldoorn was natuurlijk niet opgewassen tegen zoo’n zondvloed van reizigers. Het werd dus een samengeperst staan in de nauwe overvolle coupeetjes, als haringen in een ton. En dat met zoo’n drukkende atmosfeer. Het was bijna om te stikken.
Maar als het treintje zich kreunend in beweging had gezet, ging het weer, een zuchtje wind dat afkoeling bracht, kwam dan door het open raampje. Telkens stond het treintje weer stil langs al de vele stationnetjes, waar het weer vol stond met vacantiegangers. De IJssel schoof voorbij en de Middagterallee, de heidevelden en de akkers. En dan aten we maar weer een appel om de dorst te lesschen. In de verte naderde het onweer, steeds dreigender werd de donkere lucht. Het weerlichtte nu en felle bliksemschichten zig-zagden aan de horizon. Toen we in Apeldoorn aankwamen was het bijna donker. Van twee kanten naderde een bui. Het rommelde onheilspellend in de verte en steeds vaker lichtte het aan de zwarte hemel. Nu begon het ook nog hard te waaien. We probeerden droog thuis te komen, snel loopen we voort, maar het lukt niet
Bé krijgt gelijk, halverwege worden we door de bui achterhaald. Een paar maal moeten we schuilen voor de plensende regenval. Dan drijft het onweer eenigszins over en kunnen wij weer verder gaan langs de donkere weg die nu vol plassen staat en af en toe nog hel verlicht wordt door het verblindend weerlicht. Tamelijk droog komen we toch nog thuis, alleen de appelvlaai uit Roermond is wat beschadigd en in elkaar gedrukt.
De resteerende drie dagen in Apeldoorn hadden we geen tandem, maar gemist hebben we hem niet. Alleen was het lastig wanneer we het dorp ingingen. Veel te gauw gingen de laatste dagen voorbij. We winkelden wat in de stad, wandelden door de mooi aangelegde parken, aten eens een ijsje bij Venezia of smulden weer van de poffertjes in de tent aan de Loolaan.
Op een middag gingen we naar de Spreng, een lieflijk stukje vrije natuur midden in het bewoonde gedeelte en een heele morgen dwaalden we rond in Berg en Bosch, over de geaccidenteerde paadjes rondom de groote vijver en door het uitgestrekte bosch.
Toen was het weer Zondag. De laatste dag van de vacantie was nu aangebroken. Na het middageten vertrokken we, uitgeleide gedaan door Maut, die de koffers hielp sjouwen achter op zijn fiets. De reis terug naar Utrecht ging niet bepaald vlot en alles behalve comfortabel. Toen het treintje naar Arnhem was binnengereden en het ons met moeite gelukt was een zitplaats te veroveren, kwam er een Duitscher ons bevelen de coupees weer te ontruimen, om plaats te maken voor de Weermacht. In de toch al overvolle andere wagons werd het toen heelemaal een opeenstapeling van menschen en koffers.
En aan ieder station kwamen er maar steeds meer nieuwe reizigers bij. Tot in de bagagewagens stond men opgepropt, als vee samengedrongen op een hoop. Met vertraging kwamen we natuurlijk in Arnhem aan, zoodat de aansluiting naar Utrecht gemist werd. Het tweede deel van de reis was zoo mogelijk nog erger. Het perron in Arnhem stond zwart van de menschen, die zich als wilde beesten stortten op de voorrijdende trein, zich om niets en niemand bekommerende, blindelings duwende, trappende en stompende, vechtende als in een paniek, met als eenig doel zich door de nauwe ingangen heen te wringen om een plaats te krijgen in de trein. Het laatste vernisje beschaving viel weg van deze wezens die niets menschelijks meer hadden.
Vastgeklemd tusschen een opklapbankje en een stapel koffers stond ik op een balcon. Bé had toevallig nog een zitplaats weten te krijgen. Het was benauwd en warm en het stonk er naar menschengeurtjes. Ik had in zooverre nog geluk dat ik met mijn gezicht juist voor een open raampje stond, zoodat ik daardoor nog wat frissche lucht kon krijgen. Met kramp in m’n beenen, ik had nauwelijks ruimte om mijn voeten behoorlijk neer te zetten, kwamen we eindelijk in Utrecht aan.
Het duurde geruimen tijd voordat we het perron af waren, voordat we ons met de koffers door de compacte menigte hadden heengeworsteld en een gezellig plaatsje hadden gevonden voor het raam in de stationsrestauratie. De volgende morgen was het feest definitief afgeloopen. Om acht uur vertrok Bé alleen weer verder naar Den Haag en toen de trein was weggereden, moest ook ik weer beginnen met mijn dagelijksche werk dat me nu weer wachtte.
De vacantie 1942 was voorbij. Veel te gauw naar mijn zin waren de dagen omgevlogen. Het was deze keer ook wel een heel bijzondere vacantie voor mij geweest, de eerste die ik door heb kunnen brengen met mijn lieve Béby. Het is heerlijk om samen te kunnen genieten van alles, van de natuur, van de gezellige fietstochten en van het prettig samenzijn in de huiselijke kring. Vroeger heb ik me gelukkig gevoeld als ik alleen rond kon zwerven door ons eigen land of door de andere landen van Europa, als ik vrij kon rondtrekken, de wij de wereld in. Maar nu ik mijn levensgezellin heb gevonden, merk ik dat ik toen toch niet volmaakt gelukkig was, dat ik toen nog iemand miste die ik nu wèl heb, een lieve vrouw die veel van je houdt en waarmee je samen lief en leed kunt deelen.