Drie sensaties – Boedapest, Moskou en Venetië

Boedapest.

Ik sta op het dek van de Donauboot en kijk naar de naderende stad. Het is me wonderlijk te moede, want een lang gekoesterde wensch gaat nu in vervulling. Vóór me zie ik Boedapest. Plotseling is de stad uit de schemering opgedoken met een schittering van duizenden lichtjes, dicht opeen langs de bedrijvige Donauoevers, daar waar de Corso is en de groote luxe hotels, hoogerop, meer verspreid tegen de donkere hellingen van Buda.

Opeens lag de lichtende stad voor ans, als de Donau een scherpe bocht heeft gemaakt, de bergketens zijn teruggeweken en de blik vrij kan gaan over het sprookjesachtige schouwspel dat ons, als door een wonder zoo plotseling, werd voorgetooverd. Majestueus hangen de monumentale bruggen over de breede rivier, die we nu langzaam afvaren, voorbij het Margarethen-eiland naar de aanlegsteiger aan de bedrijvige boulevard.

Als een fantastisch silhouet glijdt het Parlementsgebouw voorbij, de breede stoeptreden afdalend tot in de golven van de Donau, de koepels en spitsen, grillig en bizar als een Oostersch droompaleis reikend naar omhoog, scherp afstekend tegen de donker wordende hemel. Het beeld dat ik kende van het plaatje op Hongaarsche postzegels zag ik nu in werkelijkheid voor me. Een blij gevoel doorstroomde mij, sensatineel gevoel van groote voldoening, dat het mij gegeven was dit schoons te mogen beleven.

Op de heuvels van Buda, hoog boven de rivier, het kruis geheven, staat machtig en groot St.Gellért, de heilige die dit volk het Christendom bracht. En verder tegen de opeenstapeling van rotsen, beheerscht door de Kroningskerk, de burcht en het visschersbastion badend in het witte floodlightschijnsel, zich stil weerspiegelend in de donkere golven van de eeuwige stroom.

Boedzpest, koningin van de Donau, toepasselijker naam had niet gekozen kunnen worden.

Moskau

Het was als in een droom zoo onwaarschijnlijk. Vóór me lag daar het vermaarde Roode Plein. Een wonderlijk gevoel bekroop me. Niet alle droomen zijn echter bedrog. Dit was werkelijkheid, ik was werkelijk in Moskau. Een sensationeele gewaarwording.

Om me heen zag ik het oude Rusland, overal op dit historische plekje grond. Als een benauwende nachtmerrie staat daar de fantastische Wasilius Kathedraal met een bonte warreling van helgekleurde koepels en grillig gevormde torens. Ze spiralen omhoog in een wirwar van lijnen, in een wenteling van bizarre vlakken. Het is als een schepping van een waanzinnige.

Rechts verheft zich de zware Kremlinmuur, grijs en massief met machtige torens op de hoeken. Daarachter wijzen slanke witte kathedralen hun spitsen omhoog, de gouden koepels schitterend en fonkelend in het zonlicht. Russische fantasie en Russische pracht en praal.

Achter die ontoegankelijke muren heerschten eens de machtige Czaren, daar zwaaide Iwan de Verschrikkelijke zijn gevreesde knoet. Op deze muren stond ook eens Napoleon, starende naar de brandende staad aan zijn voeten. in zijn rood marmeren mausoleum, tegen de grijze Kremlinmuur, rust de stichter van het nieuwe Rusland, Lenin, in zijn glazen kist, waarlangs dagelijks duizenden trekken.

Daar zag ik ook de nieuwe heerscher staan over dit onmetelijke rijk, de Czaar van het Sovjet Rusland, Jozef Stalin, op den 1en Meidag, toen een eindelooze millioenenmassa langs trok, uren achtereen, toen honderden tanks voorbij denderden over het wijde plein en hoog in de lucht de motoren ronkten van 1500 vliegtuigen. Russische mystiek en Russische techniek, het oude fantastische verleden vol grillige vormen en bizarre kleuren als decor voor het nieuwe Russische geweld, nauw bijeen op dit oude historische Roode Plein.

Venetië

De duisternis is gevallen als wij in Venetië aankomen. Over de lange brug die de lagunestad met het vasteland verbindt is de trein gedaverd en staat nu stil langs een druk perron. Het station is als zoo vele stations. Nog is alles hetzelfde zooals wij het gewend zijn elders. Een stroom van reizigers en witkielen spoedt zich door de tourniquets naar buiten, waar de taxi’s gereed zullen staan of de rijtuigen, om hun vrachtje op te nemen.

Maar dan wordt het opeens anders. Taxi’s en rijtuigen zijn nergens te bekennen, maar langs de kademuur tegenover het station liggen tallooze gondels zacht te wiegen op de deining van het donkere water. Toen kwam voor mij weer een nog ongekende sensatie. Geruischloos gleden we over het kalme water der kanalen, door de slechts spaarzaam verlichte waterstraatjes.

Daar was de Canal Grande met de voorname marmeren palazzo’s, verweerd en versleten door de tands des tijdsmaar in de schemering nog gaaf en blank blinkend als in hun oude glorie. In de verte welfde zich de Rialtobrug, donker afstekend tegen de lichte avondhemel. Wonderlijk Venetië.

Wat een bekoring gaat er dadelijk uit van deze stad, eenig in haar soort. Wat een rust rondom, geen geraas van druk verkeer, geen gejacht van auto’s, geknars van remmen of luidklingelende trams. Alleen het zachte plassen van de riemen in het water verbreekt de stilte en van tijd tot tijd de roep van een gondolier als hij zijn sierlijk vaartuig zwenken laat een hoek om, een nauwe rio in of de boog onderdoor van een gewelfd brugje. Zoo beleef ik de sensatie van Venetië als we van het station varen naar ons hotel. Dat ligt er aan een nauw grachtje, een onooglijk stoepje rees op uit het water en een kleine deur was de ingang. Zoo was de entree van Hotel Vittoria.

We meerden aan de met roode en witte strepen beschilderde palen en stapten toen in een groote marmeren hall. Aan de wanden hooge spiegels, aan de zoldering kristallen luchters. Van buiten gezien maar een smerig, onbeduidend hotelletje, van binnen echt een “Grand Hotel”.

Laat in de avond dwaal ik nog wat rond door het warnet van Veneties smalle straatjes. Geen mensch haast kom ik tegen in het bijna middernachtelijke uur. Zonder bepaald doel zwerf ik door de stille steegjes, een hoek om, een brugje over, langs de donkere gesloten huizen, die weggedoezeld staan in het schemerige licht van wat zwakke straatlantarens.

Dan, als ik weer een hoek ben omgeslagen, sta ik onverwachts voor een wonderschoon schouwspel. Het was als droomde ik. Zóó plotseling zie ik het eensklaps voor me, dat het leek of het met een tooverstaf uit de grond was verrezen, precies als in een sprookje. Door de boog van een donker poortje zag ik daar opeens het fantastische silhouet van de San Marco, stralend als een fonkelende edelsteen tegen een donkere achtergrond, de grillige contouren en de hooge, gewelfde koepels glanzend in het helwitte licht van tallooze schijnwerpers.

Zwart tegen de bont versierde gevel stijgeren de vier bronzen paarden, die eens de triomphboog van Trajanus hebben geskerd. Een oogenblik sta ik als aan de grond genageld, sprakeloos te staren naar dit wonderlijke schouwspel. Dan slaat ergens een klok twaalf slagen, de lichten worden gedoofd en weg is opeens de verschijning.

Even plotseling als het tevoorschijn kwam, verdween het weer in de zwarte duisternis. Het is middernacht, de betoovering is verbroken, het sprookje is uit. Door de nu donkere straatjes keer ik dan weer terug naar mijn hotel.