Douane en salami

In de vroege ochtendstilte reed de groote Pullmanbus door de nog lege en verlaten straten van Boedapest, zwenkte over de lange Donaubrug en snelde toen voort langs de eenzame buitenwijken, waar nog een Zondagsche rust heerschte. Weldra waren ook de laatste huizen van de voorstad voorbij en vóór ons strekte zich nu het vlakke land uit met soms een flits van de Donau, die breed hier voortstroomt door de wijde poesta’s.

Een stralende zon aan een diepblauwe, wolkenlooze hemel zond meedogenloos haar felle stralen over de kale vlakte en deed de lucht erboven trillen van de hitte. Hel blikkerden de witte huisjes in het schelle licht als we langs daverden door de stille dorpjes. Even moest het tempo dan vertraagd worden als de groote bus zich wrong door de nauwe straten, waar op de stoepen van hun huisjes de bewoners zaten in stille Zondagsche rust. Door niets lieten ze zich verstoren en toen we eens de weg geheel versperd vonden door een groote kudde witte, breed gehorende koeien, die traag voortstapten en zich niets aantrokken van de brommende motor en het aanhoudende geraas van een loeiende claxon, toen bleven ze ook rustig zitten op hun plaatsje in de schaduw en niemand nam de moeite om de dieren weg te drijven.

Maar eindelijk zijn we er door heen en voort gaat het dan weer, de lange weg af naar Weenen. Om de beurt nemen de twee chauffeurs het stuur van elkaar over, telkens als we onderweg een korte rustpoos hebben. Dan naderen we de Oostenrijks-Hongaarsche grens, waar vrij nauwgezet een onderzoek wordt ingesteld naar de bagage van de reizigers. Alle koffers gaan het bagageruim uit en worden uitgestald in het kleine douanekantoortje.

Ik ben er gauw van af, ik heb alleen maar kleeren in mijn valies, maar anders is het gesteld met de meeste van de vrouwelijke medepassagiers die hun tasschen en karabiezen vol hebben gepropt met levensmiddelen, veel te veel om te moeten dienen voor een hapje eten voor onderweg, al duurt de reis van Boedapest naar Weenen ook bijna 7 uur en al krijgt men meestal goede trek na zoo’n lange rit. Nu moesten ze invoerrechten betalen voor al dat lekkers, voor al die lange, dikke salami-worsten, die overal tevoorschijn komen.

Maar daar voelen de meisjes toch weinig voor en halsstarrig houden ze vol dat het uitsluitend bestemd is voor onderweg. Dan neemt tenslotte de douane ambtenaar een kloek besluit enmsnijdt resoluut van iedere worst een groot stuk af. Nu hebben de meisjes hun zin, ze kunnen gaan zonder te betalen. De hee-ren douane ambtenaren echter hebben een goede dag, weer tot groot ongenoegen van de dames, die nog heftig napraten over het onrecht hen aangedaan als al lang de bus weer voortsnelt voor het laatste stuk van het traject.

Joegoslavië

Het is hoogseizoen in Dalmatië. De hotels in Dubrovnik en omgeving zijn allen tot de laatste plaats bezet, maar ik kon nog een kamer krijgen bij particulieren op Lapad. Het zijn eenvoudige menschen die in de zomer met pensiongasten wat trachten bij te verdienen. “Villa Ljubitsa” is een aardig wit huisje in Moorsche stijl gebouwd, een eind van de kronkelende weg af gelegen tegen een met olijfboomen begroeide heuvelrug. Rondom het huis is een groote tuin en als ik uit mijn venster kijk, zie ik verweg, in de diepte, het blauwe water van de Adriatische Zee schitteren in de zon.

De kamer is heel eenvoudig gemeublleerd, er staat een bed in, een kast, een tafel en een stoel, meer niet, maar het is er gelukkig zindelijk. Wasschen moet ik me in de gemeenschappelijke badkamer, die ik moet deelen met vier andere gasten, zoodat het ’s morgens vroeg wel eens wachten is voordat je aan de beurt bent. Zoolang je niet aan tijd gebonden bent is dat geen bezwaar, maar wel werd het vervelend toen we op een vroege ochtend alle tegelijk van de badkamer gebruik wilden maken om bij tijds klaar te zijn voor de groote tocht naar Montenegro.

Om eventueele moeilijkheden te voorkomen, vroeg ik daarom mijn hospita of ze voor mij voor die eene dag een waschkom op de kamer kon klaarzetten. Met eenige moeite lukte het me haar aan het verstand te brengen wat ik bedoelde, want erg vlot ging de conversatie niet in Villa Ljubitsa. Alleen de vrouw des huizes kende wat Engelsch, de andere huisbewoners spraken uitsluitend Servisch. Maar tenslotte scheen de vrouw het toch begrepen te hebben. Ze zou zorgen dat ik mijn kan met water krijgen zou en met een tevreden gevoel het geval weer eens netjes opgeknapt te hebben, ging ik de deur uit.

Toen ik ’s avonds laat weer terug kwam in mijn kamer, zag ik dat mijn hospita inderdaad haar woord gehouden had. Op de tafel stond, tot de rand gevuld met helder water….. een suikerpotje van het theeservies.

De Opera in Weenen

In de Kärtnerstrasse werd ik er plotseling door overvallen. Het kwam heftig en geheel onverwacht. Snel moest ik nu zien te handelen om ongelukken te voorkomen, maar wáár moest ik heen. Nergens in de onmiddellijke nabijheid zag ik een café of restaurant. Dan maar naar het reisbureau waar ik juist voor stond. De dag tevoren was ik er toevallig ook al geweest om inlichtingen te vragen, dus met goed fatsoen kon ik hier een poging wagen. Maar tot mijn groote schrik antwoordde de man achter de balie op mijn eigenaardige vraag: “Neen mijnheer, een W.C. hebben we hier niet!, maar geruststellend liet hij erop volgen: “Maar die man daar zal U wel ergens anders heen brengen”.

In groote spanning volgde ik de man die een groote bos sleutels bij zich droeg. Hij opende een hooge deur en we kwamen in een lange, breede gang. Weer ontsloot hij toen een deur en nog een en toen, goddank,toen waren we er. Het zag er keurig uit, alles in wit marmer. Geduldig bleef mijn geleider op me wachten tot ik klaar was en daarna keerden we langs dezelfde lange weg terug, weer door de mooie marmeren gangen, tot ik opgelucht weer buiten stond in de warme zon. Een goede fooi had het mannetje wel verdiend. Hij had mij keurig geholpen, want waar hij mij gebracht had, waren de toiletten van de Weensche Operal

“Nazdravlje”

Uit de frische, vochtige buitenlucht stonden we opeens in het groote, rookerige lokaal van een kroeg aan de haven van Gruz. Marinematrozen zaten aan de tafeltjes en enkele vreemdelingen, die van Dubrovnik waren afgedaald om hier te luisteren naar de zigeunermuziek en om te proeven van de voortreffelijke wijn. Op een podium zat het orkest en ervóór, netjes op een rij, een zestal meisjes. Om de beurt zongen ze mee met de muziek, oude volksliederen, een hartstochtelijke, wilde czardas of een treurige, klagende melodie. Mooi warende stemmen niet, maar men verwacht ook geen geschoolde zangeressen in deze primitieve omgeving, bij deze eenvoudige, vurige zigeuners. In hun soort waren ze zelfs goed en als ze langs kwamen met hun bakje, haalden ze nog heel wat dinars op.

Weer zet het orkest een melodie in, een eigenaardige wijs die klinkt als Oostersche muziek. Een van de meisjes die zich nog niet had laten hooren, begint erbij te zingen. Ze heeft een schelle, dreinende stem die vreeselijk was om aan te hooren. Kon ik de zang van de andere nog eenigszins apprecieeren, dit was werkelijk niet om te harden en zoo dachten de andere bezoekers er blijkbaar ook over. Kreten van afkeuring klonken door de zaal, maar onverstoorbaar bleef het geblondeerde kind doorjammeren.

Het orkest deed pogingen het rumoer te overstemmen, maar tevergeefsch. De menschen blijven onrustig en dan klinkt er opeens het gerinkel van brekend glas. Een matroos heeft zijn wijnglas aan scherven gegooid op de grond. Andere volgen nu zijn voorbeeld, eerst hier en daar een, maar dan rinkelt het overal tegelijk. De scherven spatten me om de beenen. Nu neemt de waard het initiatief en voordat er nog meer ongelukken gaan gebeuren, verzamelt hij snel de rest van de glazen en neemt meteen de karaffen mee.

Maar dat laten de belhamels niet op zich zitten. Langzaam staan ze op en volgen de herbergier in het vertrek achter de toonbank. Dat geeft beslist herrie. Een reus van een kerel trekt zijn jekker vast uit, in afwachting van de vechtpartij en gaat zich ook met het geval bemoeien. Ik echter keek uit hoe ik het snelst de deur uit kon komen als het werkelijk tot een tumult komt.

Maar het vaat nog mee gelukkig en heel de deining loopt met een sisser af. Behalve voor degeen die begonnen was. Die moest de schade betalen en zijn excuses maken bij de beleedigde zangeres, die echter met een bankbiljet van 100 dinar gauw getroost was.

En wij namen, om te bekomen van de schrik, nog een karaf van de heerlijke wijn alvorens naar Lapad terug te keeren door de natte, donkere nacht.

Oebornaja.

In Hotel Nova Moskwa, vlak bij het Kremlin, werden de genoodigden verzameld, die op den 1en Meidag de groote parade en optocht mochten bijwonen op het Roode Plein in Moskau. Na een avontuurlijke tocht in een speciale autobus waren we er aangekomen, de 17 gelukkige gasten van Hotel Metropole, die de bijzondere uitnoodiging hadden ontvangen.

Een passepartout op de voorruit gaf ons doorgang bij de tallooze wachtposten, die overal in de stad waren opgesteld. Verder waren de straten leeg en verlaten. Niemand mocht die dag zijn woning uit en angstvallig werden alle toegangswegen die naar de omgeving van het Kremlin leidden, bewaakt en afgezet.

In groepjes van tien, ieder met een eigen begeleider, zouden we vanaf Hotel Nova Moskwa naar onze plaatsen gebracht worden op de tribunes, die aan weerskanten van Lenins Mausoleum waren opgesteld. Alvorens weg te gaan, wilde ik echter eerst nog even het toilet opzoeken, daar ik er voorloopig niet degelegenheid voor zou hebben. Een gids wees me de gang aan, waar ik de bedoelde plaats vinden kon, maar veel wijzer was ik er niet door geworden. Vele deuren bleken op die gang uit te komen en welke moest ik nu precies hebben. Gelukkig kwam er juist iemand aan en tot hem richtte ik m’n vraag met een van de weinige Russische woorden die ik kende, “Oebornaja”?

De man wees me de deur, die ik opende om…. voor een nieuw probleem te staan. Opnieuw moest ik een keus doen, al was het deze keer dan maar uit twee mogelijkheden. Maar nu was er niemand bij de hand om aan te vragen. Ik moest dus zelf beslissen. Resoluut trok ik de dichts bijzijnde deur open. Een luid gegil was het resultaat van deze daad. Ik had de Dames W.C. geopend! Blijkbaar had het dus de andere moeten zijn.

Ik was nu echter voorzichtiger geworden, best mogelijk dat ook die plaats bezet was, en inderdaad, ik meende wat te hooren binnen. Geduldig bleef ik daarom wachten, tot er na verloop van tijd werkelijk een man uit te voorschijn kwam. Maar nog bleek het mijn beurt niet te zijn, want toen ik binnen stapte, zag ik dat er nog meerdere liefhebbers zaten, gezellig op een rij. Ik kon me er niet toe krijgen er ook nog bij te gaan zitten, zoodat ik verplicht was te wachten tot iedereen was opgestapt en ik de zespersoons W.C. heelemaal voor mij alleen kon krijgen. De deur deed ik voor de zekerheid maar veilig op slot.

“Cherichiwi”

Wanneer ik van een zwerftocht door de stad weer in mijn hotel was teruggekeerd, en dan op een vrij willekeurig uur kwam eten, zat ik vaak alleen. Dan hield hij me gezelschap, het evenbeeld van Charlie Chaplin, de kleine donkere Hongaar met z’n zwarte snorretje, de kellner van Hotel Merano in Boedapest. Dan keken we elkaar eens aan en glimlachten, want ons verstaanbaar maken ging helaas niet. Hij sprak uitsluitendhet mij totaal onbegrijpelijke Hongaarsche taaltje en wanneer ik wat in het Fransch, Engelsch of Duitsch tegen hem zei, verstond hij mij weer niet.

Als ik dan zat te eten, bleef hij daarom zwijgend bij me staan. Soms probeerden we het nog wel eens, maar telkens tevergeefsch en dan lachten we elkaar maar weer eens toe. Op een keer deed hij echter heel erg zijn best om mij iets aan het verstand te brengen. Met kenbare inspanning stond hij te zoeken naar het verlossende woord dat ik eindelijk misschien begrijpen zou.

Plotseling verhelderde z’n gelaat, hij scheen het gevonden te hebben en triomfantelijk kwam het eruit, “Cherichiwi”? “Igèn”, antwoordde ik op zijn vraag en verheugd snelde hij toen weg, mij in spanning achterlatende of hij me nu werkelijk datgene brengen zou wat ik meende dat hij bedoelde. En inderdaad kwam hij even later terug met een schaal vol kersen.