
Weer klinkt de sirene, een tweede machine nadert, nu een van de Air France. Passagiers stappen uit en andere nemen de opengekomen plaatsen in. Bagage wordt in en uitgeladen. Dan neemt het Fransche toestel weer zijn aanloop en is spoedig uit het gezicht verdwenen.
Op het platform staat echter nog steeds de 0.0.-A.I.D. met langzaam draaiende motoren. Op dat moment komt er een K.L.M. beambte naar me toe, tikt tegen zijn pet en zegt: “Mijnheer, Uw toestel staat klaar” en gaat me voor naar de wachtende machine. Ik stap in “mijn toestel”, het deurtje klapt achter me dicht en voordat ik goed en wel een plaatsje heb uitgezocht in een van de makkelijke fauteuils, taxien we al over het hobbelige veld naar het einde van de startbaan.
Nu zal het gebeuren! De motoren beginnen te donderen en doen het heele toestel trillen. Dan schieten we vooruit, steeds sneller en sneller. Door de enorme luchtdruk van de razende propellers wordt het gras plat tegen de grond gedrukt, met groote vaart razen we nu over het veld. Langzaam gaat de staart de hoogte in en dan….., dan vliegen we. De wielen staken hun dolle kringloop en draaien langzaam uit, tot ze geheel stil staan. Het is of ook wij nu stil in de lucht hangen. Na de razende aanloop over de snel onder ons wegschietende grond, doet het even vreemd aan nu plotseling het landschap langzaam in de diepte voorbij te zien schuiven.
Het gebrul van de mototen is minder geworden, regelmatig brommen ze nu verder. Het vliegveld is al achter de rug. We zitten boven de Maas, boven de havens met de talrijke schepen, we zijn al boven de stad. Gauw probeeren om je te orienteeren. Daar is het Witte Huis, daar de Coolsingel met het Stadhuis. We zijn de stad alweer gepasseerd en zitten boven de Kralingsche Plassen. In een oogwenk liggen ook die achter ons en we vliegen nu over het typisch Hollandsche landschap, groene velden, kris-kras doorsneden door zilver glinsterende watertjes. Speelgoedkoetjes grazen in de weiden.
Over de witte wegen kruipen traag de auto’s en door de rechte kanalen zwoegen stoombootjes moeizaam een lange sleep achter zich aan. We passeeren een stadje, Alphen aad Rijn. Dat breede water is dus de Rijn. In de verte rimpelen de meren van Kaag en Brasem. Tallooze witte zeilen drijven op het blauwe water.
De machine ligt volkomen stil in de rustige atmosfeer en ik geniet van het ongewone uitzicht op het popperige wereldje beneden me. Maar plotseling schrik ik op. De motoren beginnen langzamer te brommen. Moeten we een noodlanding maken, juist nu we boven Aalsmeer zijn met al die glazen broeikassen onder ons? Fel schittert het glas in het zonlicht. Ik kijk op en merk dan pas dat we al boven Schiphol zijn. Scheef hangt het toestel in een linkerbocht en tegen de raampjes van de Fokker aan, bijna op zijn kop, zie ik het vliegveld liggen.
Een ruk…, de wereld staat weer recht en komt nu snel op ons af. Dichter en dichter nadert ons het groene veld, we scheren over de hooge Ringvaart, wippen over het stationsgebouw heen en landen dan op het betonnen vlak, dicht bij douanekantoor. Beambten snellen toe, een trapje wordt aangerold en de passagiers kunnen uitstappen. Tickets worden ingenomen en de bagage van de reizigers uit het buitenland gecontroleerd. Dan brengt een K.L.M. bus ons naar het Leidsche Plein, in het centrum van Amsterdam.

Nachtvlucht
Vliegveld Haeren……, tot aan het einde van het terrein is de “Duif” getaxied en neemt nu met loeiende motoren zijn aanloop. Blauwe vlammen slaan uit de uitlaat en verlichten vaag de omtrekken van het vliegtuig. In een razend tempo schiet de Fokker over het donkere veld, de dichte duisternis tegemoet. We komen los van de grond en nu zien we het vliegveld in z’n geheel onder ons liggen, scherp omlijnd door vurige bakenlijnen, op de obstakelpunten gloeien roode lichtjes.
Links ligt Brussel als een reusachtige spin, met naar alle kanten haar lichtende armen uitgestrekt. Daar, bij die bonte kleurenmengeling, ligt de Wereldtentoonstelling. Wij buigen echter direct naar het Noorden af en laten de stad al gauw achter ons. Buiten schijnt een volle maan. Ik tuur ingespannen naar buiten en geniet van het wondermooie uitzicht. In de cabine zijn de lichten uitgedraaid en we worden nu alleen nog maar beschenen door het glanzende maanlicht, dat recht door de raampjes naar binnen schijnt.
Onder ons glijden verlichte strepen door de duisternis, met aan de achterkant een rood puntje, treinen, die van alle kanten de groote stad naderen en weer verlaten. Auto’s schuiven over de donkere wegen en werpen voor zich uit een halve cirkel van licht. Achter elkaar zoeken ze langzaam hun weg door de duisternis.
Wij echter, hoog in de lucht, zitten in het volle maanlicht en kijken wijd neer op het peuterige gedoe beneden ons. Mechelen schuift voorbij, een lichtende plek op de donkere grond. Dan weer duisternis met alleen heel sporadisch hier en daar een lichtpuntje. Maar boven ons koepelt zich de heldere maanverlichte hemel met duizenden sterren.
Het is ideaal vliegweer, rustig en vast stormt de “Duif” met zijn 16 passagiers door de lichte nacht. De drie motoren brommen regelmatig. Dan doemt in de verte weer een zee van licht op,…Antwerpen. Duizenden en nog eens duizenden lichtjes twinkelen ons tegemoet. In de havens liggen de verlichte schepen, spoorrails glanzen in het maanlicht en uit de hoogovens gloeit een rossig schijnsel. Wijd strekt de lichte stad zich uit op de donkere ondergrond. In de verte wenkt dan alweer een bekend teeken uit Nederland. Uit en aan knippert het vuurtorenlicht van Scheveningen, als een welkomsgroet uit het vaderland. Het Hollandsch Diep glijdt onder ons door, glanzend als een breed zilveren lint, overspannen door de twee machtige bruggen bij de Moerdijk. Aan de horizon twinkelt Dordtrecht en dan komt Rotterdam in zicht. Op de Maas liggen geillumineerde zeekasteelen en in de stad is het een gekrioel van het drukke verkeer door de nauwe straatjes. Hier bovenuit flikkeren uit en aan de bont gekleurde lichtreclames
Geruischloos, met afgezette motoren, zweven we Waalhaven binnen, in het schijnsel van een groot zoeklicht, dat in een hoek van het terrein was ontstoken. Niettegenstaande de duisternis wordt de landing perfect uitgevoerd. Zonder één schokje zet de gezagvoerder zijn machine aan de grond en taxiet tot voor het stationsgebouw. Hier wacht ons het douaneonderzoek en als dit gebeurd is en we in de gereedstaande bus zullen stappen, hooren we de “Duif” weer zijn aanloop nemen.
Even later raast de machine laag over ons heen in de richting van Schiphol. In de duisternis zien we nog even de navigatielichten gloeien, rood en groen aan de vleugeltoppen en het witte puntje op de staart. Dan is de “Duif” in het donker verdwenen.

In de schemering
Het is al schemerdonker als gezagvoerder Tepas de “Oeverzwaluw” van het vliegveld te Leeuwarden start. Het is een late herfstdag. De zon is net ondergegaan in de nevelige verten en doet de wolkenluchten nog rood opvlammen. Laag vliegen we over de stad, over de oude verweerde Oldenhove, die scheef, maar nog stevig en massief, voorover helt tegen de kleine huisjes die hem omringen.
Het is of de Douglas te lui is om hooger te stijgen, op nauwelijks 100 meter van de grond razen we voort, over weilanden, waar het vee angstig naar alle kanten wegrent, opgeschrikt door het gedaver van de motoren, over boerenhofsteden en dorpjes, waar overal de menschen omhoog kijken naar de laag vliegende machine. Hier en daar brandt al een lichtje in de huizen en wanneer we rakelings over de kerktorens heenscheren, zien we duidelijk het interieur in de verlichte vertrekken.
Dan komt de zee in zicht. Zij glanst als parelmoer in het schemerlicht, door het water heen glinsteren de zandbanken en op de golven drijven witte meeuwen. In de verte draaien de vuurtorenlichten in een groote krans om ons heen, heel de Noordzeekust langs en om de Zuiderzee.
Rustig vliegt de “Oeverzwaluw” door de kalme avond, nu over de steden en dorpen van Noord-Holland, waar steeds meer de lichtjes beginnen te flonkeren, over het glinsterende waterland van de Zaanstreek, voort naar zijn eindpunt, Schiphol.
Reeds komt Amsterdam in zicht. Heel de horizon schijnt één illuminatie, duizenden lichtjes schitteren en twinkelen tegen de donkere achtergrond. Dichterbij gekomen wordt het een groot lichtend oppervlak, waar tusschendoor de bijzonderheden duidelijk te herkennen zijn. We vliegen over het Centraal Station, rails glimmen in het zwakke lichtschijnsel en op het Y liggen schepen met de navigatielichten in de toppen van de masten.
Ik zie het Paleis op de Dam, het Damrak, de Kalverstraat en het Rembrandtplein, duidelijk te herkennen aan de kleurige lichtreclames op de welbekende groote gebouwen. Het verkeer krioelt door de smalle straatjes, het is een druk beweeg van lichtjes. Dan is Amsterdam voorbijgegleden, de blokkendoozen van Amsterdam-Zuid zijn gepasseerd en daar ligt Schiphol vooruit.
Lichtbakens geven duidelijk het landingsterrein aan, op de omringende obstakels gloeien roode lampjes. We maken een groote bocht om het vliegveld heen en komen laag over de Ringvaart en de hangars neer op het beton vlak voor het stationsgebouw. Een mooie vlucht was weer voorbij.
In de mist
We zitten in een grijze, miezerige mist. Hoe ik ook naar beneden tuur, van het landschap is niets te bekennen. Overal nevel, nergens wat te zien. Alleen een vleugel van de “Toekan” is zichtbaar. P.H. staat er met roode letters op geschilderd. Je merkt dan opeens hoeveel nagels er wel in zoo’n vleugel geklonken zijn. Je zou ze kunnen tellen voor tijdverdrijf. Je moet toch iets doen? Aan de reis komt geen einde, eindeloos is de grijze massa.
Plotseling is het of de motoren luider beginnen te brommen. Zou de piloot er ook genoeg van krijgen en probeeren om sneller thuis te komen? Het is een opluchting als we eindelijk boven Schiphol cirkelen en spoedig daarna op het druipende platform staan.
Boven de wolken
Weer zie ik niets van het landschap onder me. Door de grijze nevels heen is de “Rietvink” geklommen tot boven de wolken. Nog druipend van het vocht glanzen de metalen vleugels en romp nu in de felle zonneschijn. Maar nu ontrolt zich onder ons een wonderlijk schouwspel. Het witte wolkendek schittert in de gouden stralen en daarboven koepelt zich een strakblauwe lucht.
Rakelings glijdt de Douglas over de grillige witte massa, als een slee over de sneeuw. De fantastische wolkengevaarten torenen omhoog uit het zachte, mollige verenbed waarover wij heen snellen. Naast ons rent een donkere schaduw mee, springt van de eene wolk op de andere, is nu eens ver weg, dan weer dicht bij. Het is de schaduw van de “Rietvink”, gevat in een cirkel van regenboog kleuren.
Boeiend is het schouwspel boven dit wolkendek, vol variatie is de eindelooze witte massa met zijn schitterende, helle kleurennuances. Dan plotseling duikt de machine weer door de wolken heen. Witte flarden vliegen langs de raampjes. De zon is verdwenen en we zitten weer in de schemer. Het wordt nat en triestig om ons heen.
Als we door de nevels heen zijn, ligt onder ons het vliegveld van Groningen. Nauwkeurig uitgerekend, precies op het juiste oogenblik heeft de piloot zijn duik genomen. In een scherpe bocht draaien we omlaag, wippen over de hooge, omringende boomen heen en staan dan veilig op het vliegveld Eelde.
In een onweer
Donkere wolken bedekken de hemel. Het rommelt in de verte en het weerlicht onophoudelijk. Van tijd tot tijd een bliksemstraal. Het is geen aangenaam weer om te vliegen. De “Sperwer” schommelt en slingert in de felle rukwinden. De vleugeltoppen trillen als het toestel een remoustik krijgt. Prettig is het niet, je kunt niet rustig blijven zitten. Telkens zakt de stoel onder je weg en je moet je stevig vasthouden om er niet afgeslingerd te worden.
Als dat voort moet duren tot aan Schiphol toe, zal ik beslist genoodzaakt worden gebruik te maken van de zakjes “For airsickness”. Gelukkig wordt het al gauw weer beter. De automatische piloot is ingeschakeld en de atmosfeer is blijkbaar rustiger geworden.
We passeeren een stad. Is het Sneek? Ik herken het niet. Een haven schuift voorbij. Is dat Stavoren? Neen, dat kan niet, want ik zie zeeschepen liggen van Engelsche nationaliteit.
We vliegen laag over het plaatsje heen en nu zie ik het. Op het stationsgebouw staat de naam te lezen, Harlingen. We hebben dus een omweg gemaakt om de bui te ontloopen. Een tijdlang vliegen we nu boven de zee. Dat moeten dan de Wadden eilanden zijn en die streep in het Zuiden de Afsluitdijk.
Plotseling wordt de koers gewijzigd, we draaien een scherpe bocht naar links en naderen nu de streep, die inderdaad de Afsluitdijk blijkt te zijn. Boven Noord-Holland volgen we de gewone route, waar we geen bijzondere last meer hebben van het slechte weer.
Door de nevels heen komt nu spoedig Schiphol in zicht en zoo kon de reis toch nog beeindigd worden, zonder luchtziek geweest te zijn. Het aantal zakjes in het net voor me, heb ik voltallig kunnen laten.
