Op zoek naar het Tylovo divadlo, het Tjechische Volkstheater in een afgelegen buurt van Praag, spreek ik een politieagent aan om hem de weg te vragen. “Sprechen Sie deutsch”, informeer ik beleefd, maar hij antwoordt met een snauw, “Nein”. Als ik hem echter verteld heb dat ik Hollander ben, geen Tjechisch versta en hem daarom in het Duitsch aanspreek, wordt hij opeens vriendelijker en wijst me in heel goed Duitsch den weg naar het theater.
Dit kleine voorval was typeerend voor de toestand die in die dagen in Praag heerschte. Het was September 1938, September, de Angstmaand. Europa zat in spanning. Het smeulende vuur van het oorlogsgevaar was weer hoog opgelaaid en de toestand leek nu kritieker dan ooit.
Opnieuw had het spook van den oorlog zijn kop opgestoken, dreigender en beangstiger deze keer dan tevoren. Europa leefde weer aan de rand van de afgrond. Legers werden gemobiliseerd en van alle kanten rukten de troepen op naar de grenzen van hun land die in allerijl werden versterkt. De regeeringen waren doorloopend bijeen, kabinetten vergaderden en leidende staatslieden vlogen van hoofdstad tot hoofdstad.
Overal luisterde men met spanning naar de radiouitzendingen, naar de berichten en de redevoeringen. Het Sudetenvraagstuk had zich tot het uiterste toegespitst. September 1938 scheen een herhaling te worden van Juli 1914.
Toch had ik het er maar op gewaagd de reis naar Praag te maken. En ik scheen gelijk te krijgen. In Praag was het rustig. Wel heerschte er een groote spanning, wel lagen overal in de étalages de gasmaskers uitgestald, maar algemeen zag men toch de komende gebeurtenissen met een verbeten vastberadenheid en met een groot zelfvertrouwen tegemoet. Niets wees op eenige nervositeit.
Het opgewekte vlotte leven van de groote stad ging normaal zijn gang. Alleen werden de kranten wat gretiger gekocht, die met vette letters en schreeuwende head-lines het onheilspellende nieuws brachten, heel den dag door. Op het Wenzelplein riepen de krantenjongens de fatale slagzinnen die oorlog of vrede konden beduiden. De eene extra editie volgde op de andere.
Ook ik begon iedere nieuwe dag met eerst bij het ontbijt de stand van zaken op te nemen. In het gezellig drukke café van Hotel Beránek, met een kop heerlijke dampende chocola met slagroom voor me en een schaal met knappende broodjes, keek ik eerst de voor mij leesbare kranten even door, alvorens op stap te gaan.
In Hotel Alcron confereerde Lord Runciman nog steeds en zoolang er onderhandeld werd, kon ik rustig blijven. Mocht er onverhoopt toch iets gebeuren, dan kon ik zoo noodig nog per K.L.M. onmiddellijk naar Holland terugvliegen. Zoo waren tenminste mijn plannen. Maar later hoorde ik dat het eventueel toch niet mogelijk zou zijn geweest. Alle toestellen waren al maanden van tevoren volgeboekt, meest door Duitsche Joden die naar Praag waren gevlucht, maar nu opnieuw werden bedreigd en weer een veiliger heenkomen moesten zien te vinden.
Op een stralende Septemberdag keerde ik terug in Holland. In Holland was het feest. De Koningin vierde haar 40-jarig regeeringsjubileum en overal waar wij langs kwamen met de trein wapperden de vlaggen in vroolijke kleuren en waren de steden en dorpen versierd met groen en bonte slingers. Zelfs in de natuur was het feest. Het was een stralende dag. De bloeiende heidevelden waren overtogen met een paarse waas en toen de zon als een groote vurige bol langzaam wegzakte achter de wijde horizon, wierpen zijn laatste stralen een gouden schijnsel over de golvende vlakte en vlamden de wolkenluchten aan de strakblauwe hemel op in een veelkleurige, rooden gloed.
Maar een paar dagen later kwam de spanning weer, ook in het rustige Nederland. De voormobilisatie werd afgekondigd en de opgeroepen lichtingen betrokken hun posten aan de grenzen van ons land. Ik was toen in Roermond, waar ik de eerste toebereidingen zag treffen die wezen op de ernst van de toestand. De groote Maasbrug kwam onder bewaking, loopgraven werden gemaakt van waaruit mittrailleurs dreigend op de brugwerden gericht en op de overliggende oever van de rivier.
Een onbehagelijk, huiverend gevoel bekroop mij toen ik dat zag. Het scheen nu ernst te worden. Maar nog gebeurde er niets.
Door de radio klonken dagelijks nog de redevoeringen van de leidende staatslieden, soms dreigend en vol brutaal en onbeschaamd gebral wanneer het Tjecho-Slowakije gold en zijn regeerders, beschaafd en daardoor de algemeene sympathie opwekkend, als dr. Benesj sprak of wanneer Chamberlain pleitte voor een bijlegging van het conflict. Colijn hield een geruststellende rede en ook de ernstige woorden van de Koningin klonken door de radio. In Utrecht stonden de menschen in groepjes gedromd rondom de luidsprekers die op straat waren opgesteld toen Hare Majesteit sprak.
Snel volgden de gebeurtenissen elkaar nu op. Voortdurend vlogen de staatslieden af en aan, conferenties werden gehouden, de spanning steeg tot het uiterste. Dan komt plotseling het “wonder”. Chamberlain verzoekt een onderhoud met Hitler. Eerst de ontmoeting op de Obersalzberg bij Berchtesgaden, dan het treffen in Godesberg.
Wéér wordt er niets bereikt, de Duitsche eischen beteekenen onmiddellijk oorlogsgevaar. Engeland mobiliseert zijn vloot en Hitler stelt een ultimatum. Tot 1 October zal hij wachten.
Dan, op 28 September, nadert het drama zijn ontknooping. Chamberlain heeft met Mussolini getelefoneerd en hem verzocht een laatste beroep op Hitler te doen, om één dag de mobilisatie uit te stellen. De wereld wacht in spanning. Toen kwam de conferentie in München, de spanning was gebroken, de angst geweken. De vrede was voorloopig gewaarborgd, een zucht van verlichting stijgt op in heel Europa.
Ook mij was het als werd ik bevrijd van een groote druk, toen ik het verlossende bericht las op de bulletins. De vrede was behouden, Hitler, Mussolini, Daladier en Chamberlain hadden beslist over het lot van een land, maar bevredigend was de oplossing niet.
Het arme Tjecho-Slowakije was het kind van de rekening geworden, verkocht en verraden, onbarmhartig in de steek gelaten door zijn bondgenooten op wie het zoo zeker had vertrouwd. Hoe groot was hun optimisme altijd geweest, hoe vol geestdrift hadden ze niet hun vaderlandsliefde steeds geuit bij iedere gelegenheid als het te pas kwam. Ik denk dan vooral aan Vera Simoncic die steeds zoo vol vuur kon vertellen over haar geliefde geboorteland.
Ook uit mijn gesprekken met andere menschen bleek telkens weer iedere Tjech een vurig patriot te zijn. Werd ook ik niet zelfs meegesleept in hun groot enthousiasme, toen in “U svatého Havla”, het Slowaaksche restaurant “In de Heilige Havel”, de populaire volkswijsjes en strijdliederen werden meegezongen door alle aanwezigen en ik dapper meedeed. Hoe broerderlijk zaten we er toen niet bij een rond de ruw houten tafel, de karaf wijn voor ons en een heerlijke Hongaarsche goulash, een internationaal gezelschap, maar toch zonder eenige wrok of haat, drie verschillende nationaliteiten, een Duitsche, twee Tjechen en een Hollander, Charlotte Loth uit Berlijn, Dusan Knop en Franz Káda uit Praag en ik uit Utrecht.
Zooals wij daar bijeen waren in een vriendenkring, zoo had het ook met de volkeren moeten zijn. Een harde slag moet het geweest zijn voor het kleine dappere volk, dat zoo rustig en vastberaden de dreiging had tegemoet gezien en moedig had willen vechten voor het behoud van zijn vrijheid. Het had niet mogen zijn.
Weer had het brute geweld gezegevierd en opnieuw zal straks de dreiging komen die uiteindelijk toch leiden zal tot het ontbranden van een strijd die wellicht heel de wereld meesleepen zal in een allesverwoestende oorlog.