Reizen

“Het is het geloof aan het nooit aanschouwde, het geloof aan de realiteit onzer verbeelding, dat ons reizen doet” (P.H.Ritter Jr.)

“Reizen is het hart verwijden”, zegt Allard Pierson en zoo voel ik het ook. Reizen is mijn grootste hobby geworden. Het verwijdt het hart en het verruimt den geest. Wat is daarom beter dan van tijd tot tijd je koffer te pakken en erop uit te trekken, de grenzen van het Vaderland over, de wijde wereld in. Rond te dwalen door verre landen, een poos te kunnen zijn onder vreemde menschen met andere zeden en gewoonten dan wij die kennen in ons eigen Nederland.

Daarom is het iedere keer weer dat een groote vreugde me doortriltwanneer ik opnieuw op weg kan gaan, als ik een vertrek beleef naar het buitenland, hetzij in een trein, in een auto of op een schip, dat langzaam zich losmaakt van de kade, of wanneer het vliegtuig zijn aanloop neemt met daverende motoren en dan opstijgt, de wijde wolkenluchten tegemoet. Dan heb ik telkens weer die wonderlijke gewaarwording, die me kan doen juichen van voldoening. Kleine, simpele gebeurtenissen op zoo’n reis, als het eten in een Mitropawagen, het slapen in een smal couchetje van een schuddende Pullmancar of een doodgewone pass encontrôle worden dan tot een feest.

Het zijn maar kleine, onbeduidende grensstationnetjes, maar als muziek klinken hun namen me in de ooren, Podmokly, Mon, Feignies en Gedser, Zara, Rajajoki of Modane, Piedicollo, Zbaszijn, Negoreloje, Rosenbach. Als een sprookje rijen ze zich aaneen, Jesenice, Bardonnecchia, Chiasso, Hälsingborg, Passau, in noord en zuid, van oost tot west, Türkü, Trieste, Bentheim, Hainsburg en Kittsee, allemaal klanken die kleurige beelden tevoorschijn tooveren van schoone belevenissen.

Beelden, die me een oogenblik terug kunnen voeren naar desneeuwbedekte toppen van Zwitserland en Noorwegen, naar de woeste, onherbergzame bergketens van Montenegro of naar de groene hellingen van de vulkanen, waar ik, staande op de top heb neergekeken in een kokende, grommende krater. Of ik zie de troostelooze vlakten van Polen, modderig en verlaten, de oneindige steppen van Rusland en de uitgestrekte bosschen van het mooie Finland, waar tusschen de ontelbare stammen het water spiegelt van de duizenden meertjes, schitterend in een heldere maannacht.

Dan denk ik ook weer aan het wondermooie, maanverlichte meer van Bled, daar waar het vreemde land van de Balkan begint, aan de machtige Donaubruggen bij Boedapest, de oude Stephanstoren in Weenen met z’n Prater, z’n Grinzing en Kobenzl. Ik sta dan weer op de verweerde wallen van het middeleeuwsche Dubrovnik of ik beklim de rotsen van het sprookjeseiland Capri, waar diep beneden me de Flaraglioni staan in het helblauwe water en heel in de vertede kegel zichtbaar is van de eeuwig rookende Vesuvius. En onder tegen de hellingen van de vulkaan ligt het doode Pompei en verder, langs de kusten van de blauwe Middellandsche Zee, Sorrento, Napels en Santa Lucia, heerlijke klanken en een nieuwe reeks van herinneringen komt dan bij me op aan andere plaatsen aan deze Rivièra, waar de rozen bloeien in een weelderige pracht, Rappallo, Santa Margherita en Porta Fino, en dan verder langs de Fransche kust Nice, Menton en Monte Carlo.

In bonte warreling schieten de beelden vaak door mijn herinneringen, flitsen van steden en landen, van natuur- en stedenschoon, vervallen burchten langs de Rijn, een Parijsch café, Berlijn, Stockholm en Kopenhagen (heb ik daar niet gesmuld van een voortreffelijke fiske filet en van een goedbelegde smörebröd), de Noorsche fjorden, ook het wijde Hollandsche polderland, de Tower aan de Theems, het mooie Praag met z’n tallooze torens, Turijn en Neurenbergs oude stad, waar ik het “Gänzenmännchen” vond op een prachtig plein, aan de voet van een machtige kathedraal, of Brussel, waar een ander bekend mannetje staat in zijn hoekje aan de Stoofstraat.

Was Helsinki niet een aangename verrassing, deze frissche jonge stad, na de vervallen grootheid van een Moskau en Leningrad, al imponeerden daar dan nog steeds de gouden koepels van de Isaac Kathedraal en die van het Kremlin, waar onder tegen de hooge muren Lenin rust in zijn rood marmeren Mausoleum. Het Roode Plein, de 1 Mei-dag, honderden vliegtuigen die ronkend overkomen, de Wasilius Kathedraal, schepping van een waanzinnige. Voort gaan de herinneringen, het Vaticaan met de wondermooie Sint Pieter. Zelden zag ik schooner kerk of het moest de Dom zijn van Milaan. Eenigszins tegengevallen is me Pisa’s scheeve toren, maar was weer niet Venetië een fantastische sensatie, zacht voortglijdende in een wiegelende gondel langs de oude verweerde marmeren palazzo’s of bij de duiven voor de San Marco en het Dogenpaleis.

Zoo de wereld te mogen zien is een groot voorrecht. En wat doet het je Nederlandsche hart goed wanneer je danergens in het buitenland, ver van huis, iets terugvindt van je vaderland, als je de driekleur ziet wapperen op alle zeën, in iedere haven, zelfs op de baggermolen in het Suezkanaal, of als je een reclame ziet van Philips radio tot in een afgelegen hoekje van de verre Balkan. Het ontroert je wanneer je het Wilhelmus hoort spelen op de kade in Marseille, als langzaam het schip zijn reis begint en je zingt enthousiast uit volle borst het volkslied mee als in Antwerpen het Nederlandsche voetbalelftal het veld op komt rennen om in sportieven strijd de kleuren te verdedigen van jouw land.

Heerlijk is het reizen en ik ben het volkomen eens met Stijn Streuvels wanneer hij zegt: “Op reis geniet men in intenseren vorm van het leven dan tehuis, waar het bewustzijn van ons bestaan afgestompt raakt door den sleur waar alle dingen in het kader en den vorm van het dagelijks weerkeerende zich voordoet. Op reis echter voelt men zich leven, de dag is er met ongewone voorvallen en gebeurtenissen vervuld, die ons als zoo veel verrassingen aandoen.”