Op een vroege Zondagochtend vertrokken we van het Valkenboschplein in Den Haag, Annie Veenstra, Vercouteren en ik, met één van die goedkoope autobussen, die ons voor maar een paar guldens tot Brussel brengen zou. Het werd een vlotte reis deze keer, zonder al de stagnatie die we hadden op de vorige tocht die ik naar België maakte, toen we met een Amovabus naar Antwerpen gingen om daar de voetbalwedstrijd België-Nederland bij te wonen.
Nu stonden er geen eindelooze files auto’s te wachten voor de ponten bij Dordrecht en over de Moerdijk en ook bij de grens konden ditmaal de douaneformaliteiten vlug worden afgewerkt. Onze koffers die onzichtbaar waren weggeborgen in de bergruimte onder in de auto, kwamen er zelfs heelemaal niet aan te pas.
In Breda hadden we even gelegenheid om een kop koffie te drinken en toen ging het al gauw weer verder, door het aantrekkelijke, zonbeschenen Brabantsche land, over mooie beschaduwde wegen, voorbij de aardige dorpjes, die zoo langzamerhand al een Belgisch karakter kregen.
In Antwerpen leek er feest te zijn, de straten waren versierd en vele vlaggen wapperden er langs de gevels. Lang niet zoo vroolijk en frisch als onze eigen Hollandsche driekleur is het vrij sombere rood-geel-zwart van de Belgische vlaggen, vooral niet tegen een achtergrond van gore gevels van meestal slecht onderhouden en stijllooze Belgische grootstad-huizen. Antwerpen reden we in een ruk door, voorbij de ingang van de nieuwe Scheldetunnel, in de richting van Mechelen, waar we weer een kort oponthoud hadden. We wandelden er wat rond door de stad, in de omgeving van de bastionachtige vestingpoorten.
Vandaar ging het door naar Brussel, via Laeken, waar we de Japansche tempels bezichtigden en de kerk zagen waar kort te voren Koning Albert van België begraven werd. De rondtoer door Brussel maakten we ook nog mee, alvorens ons vóór de Gare du Midi af te laten zetten, een rondrit langs Brussels bezienswaardigheden, voorbij de St.Gedule en het eeuwenoude Marktplein met het wondermooie Stadhuis en de rijk gebeeldhouwde gevels van de oude koopmanshuizen. We reden langs het Brusselsch Manneke in zijn hoek in de Stoofstraat en naar het Paleis van Justitie, waar we vanaf het hoogste punt van Brussel een uitgestrekt overzicht hadden over heel de stad.
Onze trein naar Ostende zou eerst om vier uur gaan. Zoolang zijn we toen in een restaurant in de buurt nog even wat gaan gebruiken. De trein naar de kust was overvol met week-end gangers die hun vrije dagen aan zee gingen doorbrengen in een van de tallooze badplaatsen. Via Brugge en Gent kwamen we om ongeveer half zes in Ostende aan op het station Ostende-Kaai, vlak langs de kade waar de booten die op Engeland varen hun ligplaats hebben.
Tegenover het station lag de visscher shaven, waar tusschen de smerige schuiten met hun verweerde bruine, gelapte zeilen een paar schitterende hagelwitte jachten lagen gemeerd, meest Engelschen en een enkele Amerikaan.
In een taxi reden we door de stad naar het Buckingham Palace Hotel aan de strandboulevard. Het was enorm druk op straat, met moeite kon de auto zich een weg banen door de groote menschen menigte, die op deze mooie warme Zondag naar de zee was getrokken. Wat direct opviel was het groote aantal rijtuigen dat er rondreed. Overal in de omgeving van het Wellington Hypodrome, waar net de groote race van het seizoen om een prijs van 600.000 francs verreden werd, was de drukte enorm. Toevallig zag ik een paar dagen later in een bioscoop in Brussel op het Journaal van de week deze zelfde rennen.
Ons hotel lag dicht in de buurt van het Hypodrome en vlak bij de zee, zoodat we vanaf onze balcons zoowel een uitzicht hadden op de renbaan als op het strand. We hadden het goed getroffen, het was een uitstekend hotel met veel buitenlandsche gasten, voornamelijk Engelschen. Dat bleek trouwens overal het geval te zijn, want zoowel in de stad, op straat als op de boulevards en het strand hoorde je in hoofdzaak Engelsch spreken. Voor mijn kamer met volledig pension betaalde ik per dag maar frs.45.-, wat wel buitengewoon goedkoop was. Ook overal anders waar ik geweest ben in restaurants en amusementsgelegenheden, waren de prijzen even laag, vergeleken met die in Holland.
Na in het hotel gegeten te hebben gingen we direct de stad in. Ostende heeft dit voor op Scheveningen dat de stad en de eigenlijke badplaats met strand en boulevards één geheel vormen, wat veel gezelliger is voor een vreemdeling, omdat hij in een beperkte ruimte alles vindt wat hij zoekt. Het strand van Ostende haalt het echter niet bij dat van Scheveningen. Bij eb ligt er een behoorlijk breed stuk droog, maar bij vloed, als de zeespiegel eenige meters hooger komt te staan, blijft er maar heel weinig meer van over en dan is zwemmen in zee of zonnebaden op het strand vrijwel onmogelijk.
Langs de zee loopt een hooge dijk die zich kilometers ver uitstrekt en de plaats inneemt van onze Hollandsche duinen. Boven op die dijk ligt een prachtige breede verkeersweg, die de schakel vormt tusschen de ontelbare badplaatsen en badplaatsjes, die in één onafgebroken rij, vlak naast elkaar, langs de zeekust liggen. Dit gaat zoo door vanaf Ostende tot aan de Fransche kust. Naar het noorden toe zijn ze wat spaarzamer. Hier vinden we dan ook weer de duinen terug, zoodat de zeeboulevard daar verandert in een gewone weg. Ons hotel lag net op de splitsing van de groote rijweg en de breede wandelboulevard, die loopt voorbij de groote luxe hotels, de Thermen en het Koninklijk paleis waarvoor een standbeeld staat van Koning Leopold II, naar de rotonde van het Kurhaus. Op deze boulevard was het die avond gezellig druk en ook in de stad was het vol in de straten. Alles was hel en feestelijk verlicht.
De volgende morgen ben ik al vroeg weer op stap gegaan, eerst de boulevard langs naar de haven. Het was eb en breed strekte zich nu het strand uit onder de hooge dijk. Om elf uur zou er een kinderfeest gehouden worden, georganiseerd door het dagblad “Le Soir”. Toen we ontbeten hadden, zijn we er even een kijkje gaan nemen. Met muziek voorop trokken honderden kinderen in optocht langs de boulevard, de meesten in badpak en met een schop gewapend, die ze op een gegeven oogenblik allemaal achter zich aan lieten sleepen over de straatkeien, wat een helsch spektakel gaf.
’s Middags zagen we ze weer terugkomen, de prijswinnaars met ballen, vliegers, bouwdoozen en ander moois. Om twee uur begonnen in het Wellington Hypodrome opnieuw de paardenrennen. Vanuit mijn kamer heb ik een gedeelte hiervan gezien, tot we ons zouden gaan verkleeden om in zee een bad te nemen. Toen ik echter uit mijn venster naar het strand keek, leek het of het water nu veel dichter bij de boulevard lag dan een paar uur geleden. En inderdaad bleek bij nadere beschouwing dat heel het breede strand van de ochtenduren door de vloed onder de golven verdwenen was, die nu tot op een halve meter na de rand van de boulevard hadden bereikt en hier en daar zelfs er over heen sloegen. Op dit punt waar het Kanaal vrijwel haar kleinste breedte heeft, is het verschil tusschen eb en vloed bijzonder groot, zoodat op dat moment het strand zeker wel een meter of zes onder het water verdwenen was. Van een bad nemen was dus voorloopig geen sprake. We zijn toen maar ergens aan de boulevard op één van de vele caféterrassen aan de rotonde bij het Kurhaus wat gaan zitten kijken naar het drukke, mondaine gedoe om ons heen.
’s Middags zijn we in de stad de tickets gaan koopen voor de trip naar Canterburry. Op een van onze wandelingen had ik bij een reisbureau gezien dat er op 28 Augustus een goedkoope gelegenheid was om naar Engeland over te steken, voor maar frs. 70.- eerste klas boot naar Dover en vandaar met een speciale trein naar Canterburry en weer terug.
De stad lag nog stil en verlaten toen we de volgende ochtend vroeg met een taxi naar het station Kaai reden, van waar tegen acht uur de boot naar Dover zou vertrekken. Aan boord van de “Prince Charles”, een van de snelle schepen die de dienst tusschen Ostende en Dover onderhouden, heerschte echter al een groote drukte. Zoo groot was het aantal passagiers, dat nauwelijks nog een behoorlijk plaatsje te vinden was op de verschillende dekken. Voorloopig had ik echter geen ligstoel noodig, want liever stond ik boven op het sloependek om uit te kijken naar de wijkende kust met zijn krans van badplaatsen langs de witte streep van strand en duinen.
Toen we ’s avonds terug kwamen was het gezicht op de naderende Belgische kust nog mooier. Toen glansde een lange reeks van lichtjes ons tegen in de donkere nacht. Ontelbare lampjes gloeiden als vurige guirlandes, opgehangen langs de boulevards en de hooge luxehotels. Het was een bedrijvig beweeg van lichtende puntjes op rijdende auto’s en trams, van aan en uit floepende lichtboeien. Het deed me denken aan de vaart door de Straat van Messina bij nacht, als ook ontelbare lichtjes schitteren langs het water en tegen de donkere hellingen van de heuvels. Rood en groen schenen de bakens op de havenhoofden en onophoudelijk zwierden door de donkere nacht de stralenbundels van de reeks van vuurtorens, heel de lange kust langs. Eerst dan valt goed op hoeveel badplaatsjes er wel liggen langs het Belgische strand. Als ik de verschillende namen neem die allemaal op een tramkaartje staan, wordt het een respectabel aantal, Ostende, Marie-José Plage, Avenue de la Reine, Mariakerke, Raversijde, Middelkerke, Crocodile, Westende, Lombartz, Nieuport, enz. tot la Panne aan de Fransche grens. En dan zijn er nog de plaatsjes die ten noorden van Ostende liggen, Breedene, Le Coq, Wenduijne, Blankenberge, Knocke en Le Zoute.
Na een snelle vaart van ruim drie uur doemde reeds de Engelsche krijtkust op aan de horizon. Tegen de witte rotsen aangebouwd lag het stadje Dover. Erg gastvrij was de ontvangst echter niet, want overal rondom de haven liggen de forten en versterkingen, de groote kanonnen allemaal dreigend gericht in de richting van de zee. Het viel echter mee. Alleen een Engelsche “bobby” stond onder aan de valreep en een passencontrole werd niet gedaan, wat een geluk voor ons was, want eerst op het moment dat ik de agent zag staan, bedacht ik me dat we voor Engeland een pas noodig hadden en dat we niet konden volstaan met een Bewijs van Nederlanderschap, wat wel voldoende was voor België.
De extratrein stond al op zijn passagiers te wachten en vertrok zoo gauw iedereen was ingestapt. Een uur lang reden we door een mooie streek naar Canterburry, door een tijpisch Engelsch parklandschap met golvende groene heuvels en glanzende grasvelden zooals je ze alleen in Engeland ziet. Drie keer schoot de trein weg in een tunnel. Een was behoorlijk lang, ruim anderhalve minuut duurde het voordat we weer het daglicht zagen.
Canterburry is een oud Engelsch stadje, bekend om zijn eeuwenoude kathedraal. Het is af hier nog iets hangt van lang vervlogen tijden, hier een brokje uit de Middeleeuwen, daar een prentje als geknipt uit een boek van Dickens. Electrisch licht schijnt er nog niet te zijn, op het station zag ik tenminste alleen maar gaslampen.
Vijf uur hadden we de tijd om dit merkwaardige plaatsje te bekijken, eigenlijk veel te weinig, want telkens weer vind je zoo’n bekoorlijk oud plekje waar je graag wat langer had willen blijven om te genieten van de bijzondere sfeer die ervan uitgaat.
In een reisbureau wisselden we wat geld en ik kreeg een plattegrond van de stad mee, aan de hand waarvan ik de verschillende bezienswaardigheden kon vinden. Nu eens was het een ruine van een oud kasteel, zware middeleeuwsche muren, afgebrokkeld en verweerd, dan weer liepen we door een verlaten straatje, langs schilderachtige houten huisjes met typische luifeltjes en mooie oude gevels, voorbij herbergen waar een toepasselijk uithangbord buiten hing.
Spiegelend in het water van een stille gracht staan er de Weavers Houses te droomen. Dan komen we aan de West Gate, een van de oude poorten van de stad die al dateert uit het jaar 1380. Hier vlakbij staat weer zoo’n oude herberg uit 1403 met een origineel uithangbord, een heel dikke man met een pot bier in z’n hand. Aan de andere kant van de West Gate, in “Corner House”, een klein maar keurig net restaurantje hebben we wat gegeten. Ik heb een Engelsche tea besteld voor maar 10 d., waar ik echter meer dan genoeg aan had, dank zij de overvloed van cake en gebak.
Daarna zijn we naar de kathedraal gewandeld. Door de Christ Church Gate komt men in een door huizen omsloten ruimte. In de tuinen bloeien bloemen, op de groene grasvelden staan de oude boomen en achter de donkere Normandische bogen doemt de kathedraal omhoog. Ergens in een hoekje, verscholen achter een hooge muur, vonden we er een kapelletje in een tuin vol met bloemen, een eenvoudig maar treffend gedenkteeken voor de gevallenen van Kent uit de groote Wereldoorlog.
Nauwelijks terug aan boord begon de lucht te betrekken en spoedig daarna vielen de eerste druppels neer. Nu hadden we echter bij tijds voor dekstoelen gezorgd op een beschut plekje. De bui dreef gelukkig gauw over en toen we in Ostende aankwamen, was de hemel weer prachtig helder en onbewolkt.
Laat in de avond kwamen we in ons hotel terug, waar men echter nog op ons gerekend had, zoodat we toch direct konden gaan eten in de nu geheel verlaten eetsalon, waar de tafeltjes alweer gedekt stonden voor het ontbijt. Het was niet meer de moeite waard om nog de stad in te gaan, zoodat Vercouteren en ik de avond maar besloten met een partijtje op het Russisch biljart. Heel wat franks hebben we gespendeerd aan dit spelletje. Maar het was een aardige tijdspasseering om het wachten voor de lunch of het diner wat te bekorten. Meestal was er voor de gasten van het Buckingham Palace Hotel wel de een of andere attractie georganiseerd om de avonduren aangenaam door te brengen, òf een dansavond, òf een bridge concours, dan weer een goochelaar of iets dergelijks om de oude misses die ’s avonds niet de deur uit gingen, wat te amuseeren.
Wij zochten ons genoegen echter buitenshuis. Op een speciaal daarvoor aangelegde racebaan, vlak bij ons hotel, werden iedere avond windhondenrennen gehouden, een bijzondere attractie alweer voor de vele Engelsche gasten, die blijkbaar sterk geinteresseerd zijn voor dit soort van sport. Maar hoogstwaarschijnlijk zal het gokkansje dat daaraan verbonden was wel een grootere aantrekkingskracht hebben uitgeoefend dan de lenige, slanke hazewinden, die snel als de weerlicht achter de electrisch voortbewogen kunsthaas aanrenden en met geweldige, maar toch sierlijke sprongen over de hindernissen heenvlogen. De snelste honden van het Continent kwamen hier uit tegen de kampioenen van Engeland.
Jaren geleden heb ik in Den Haag ook eens een windhondenren gezien, maar toen was het meer een onderling vechten dan een wedren. Tegenwoordig is men echter ook op dit gebied geweldig vooruit gegaan. De handen loopen nu op een ronde baan en daar blijven ze op, ieder netjes op zijn eigen gedeelte. Ze janken en blaffen van opwinding dat hooren en zien je vergaat, als ze door de eigenaars in de starthokken zijn geplaatst. Dan flappen electrisch alle deuren tegelijk open en meteen schieten ze weg, rennen ze zoo hard als ze kunnen en flitsen de soepele, slanke lijven pijlsnel over de hel verlichte baan.
Langs de Boulevard van Iselghem rijen zich de amusementgelegenheden van Ostende aaneen. ’s Avonds is het een warreling van kleurige uithangborden met aan en uitflitsende reclamelichten van de tallooze bars en dancings. In een van die gelegenheden was een dansmarathon aan de gang. Op een groot bord vóór aan de ingang werd op geregelde tijden de stand van de wedstrijd aangegeven. 410 uur was men al bezig met die waanzin, die noch iets heeft van dansen, noch eenige schijn heeft van een normale sportprestatie. Maar men doet veel om een prijs van 25.000.- francs te kunnen verdienen.
Op straat is het altijd druk. Onophoudelijk snelt het verkeer voorbij en het groote parkeerterrein achter het hel verlichte Casino staat meestal vol met auto’s. In “La Terrasse”, volgens de hotelportier een van de gezelligste dancings van de stad, zijn we op een avond een kijkje gaan nemen. Het was er wel aardig, maar het haalde niet bij “Casino” in Scheveningen of bij het dansvloertje op het Kurhaus terras.
De derde dag in Ostende zijn we ’s morgens een wandeling gaan maken naar het fort Napoleon, een geschenk van de groote keizer aan de stad. Voor 25 centiemes lieten we ons overvaren naar de andere kant van de haven, waar midden in de duinen de oude vesting verscholen ligt. Tijdens de Wereldoorlog hebben de Duitschers het in hun bezit gehad, nu is het ingericht tot een interessant museum, waar veel bezienswaardigs verzameld was uit Ostende’s krijgsgeschiedenis.
’s Middags reden we met de tram naar Middelkerke, één van de vele badplaatsjes langs de Belgische kust. Het is een aardige rit, steeds langs de boylevards met voortdurend een uitzicht op het drukke strand en het levendige gedoe in zee. Middelkerke is één van die moderne badplaatsjes die de laatste jaren als paddestoelen overal langs de kust zijn verrezen, moderne nieuwbouw met weinig architectonisch schoons.
In een café aan de boulevard dronken we een café filtre, lekker in het zonnetje, met een uitzicht op de zee. De volgende dag maakten we een toer langs de slagvelden van Vlaanderen, langs al die plaatsen die herinneringen oproepen aan de vreeselijke worsteling die vier jaren lang daar heeft gewoed. Heel den dag hebben we er rondgereden, door het mooie Vlaamsche land, een aantrekkelijke streek vol afwisseling met aardige dorpjes, die meest nieuw waren opgebouwd, met helder roode daken op de kleine huisjes. Zoo is b.v. uit de puinhoopen van Dixmuiden weer een heel nieuw dorp herrezen in Oud Vlaamsche stijl, met typische roodsteenen geveltjes die pitoresk afsteken tegen het frissche groen.
Goede wegen doorkruisen het golvende land. Veel van de dorpen die we passeerden zijn bekend geworden uit de Groote Wereloorlog, toen er om iedere meter grond hevig gestreden werd en waar, na de voortdurende bombardementen, niets meer over bleef dan een troostelooze puinhoop. Nu zijn die oorlogswonden vrijwel overal verdwenen, alleen hier en daar ziet men er nog de sporen van, de lidteekens van de geweldige strijd die op deze slagvelden heeft gewoed. In het jonge groen van de golvende graanvelden loopen in een lange lijn de betonnen kazematten en hier en daar herinnert een massaal soldatengraf aan de immense slachting die daar heeft plaats gevonden bij de slag aan de IJser, rondom Iperen en op de Kemmelberg. Duizenden kruisen rijen zich aaneen in lange eindelooze rijen, als soldaten in het gelid. Vele graven zijn met bloemen versierd en alles is keurig onderhouden, zoowel van vriend als van vijand. Deze laatste eer heeft men ook de dappere tegenstander niet willen onthouden. Meer dan 10.000 van die zwarte Duitsche oorlogskruisen zien we als we het Langemark Friedhof passeeren en verderop de 12.000 Fransche en Belgische graven van het Tyne Cot Cemetery.
Vroeger was het hier een goed beboschte streek, nu is er nauwelijks een boom meer te bekennen. Hevig is er gevochten in deze wouden, gevechten van man tegen man, en van vele regimenten kwam er geen een meer terug. Op hun terugtocht staken de Duitschers het bosch in brand. Ergens, midden tusschen het groene bouwland zagen we nog een stukje van het verkoolde woud. Tot lang na den oorlog bleef het levensgevaarlijk dit stuk slagveld te betreden, want heel wat niet ontplofte granaten lagen er nog verborgen in de omwoelde bodem. Om de dagelijks voorkomende ongelukken verder te verhinderen is men begonnen het slagveld systematisch op te ruimen. In speciale barakken die we in de verte zagen liggen, op veilige afstand van de groote weg, werden de granaten gedemonteerd, de sharpnells die bij massa’s uit de grond werden opgedolven op groote hoopen verzameld en met treinladingen vol verder getransporteerd om opnieuw dienst te kunnen doen, hopenlijk voor een meer vredelievend doel.
Waar vroeger bosch was, is nu bouwland, maar overal nog zagen we aan de oude betonnen onderstanden waar vroeger de linies geloopen hadden op dit deel van het front. “Heel wat kogels zijn hier overgevlogen”, merkte de gids droogjes op toen we door het Niemandsland reden. Onbegrijpelijk komt zooiets je voor dat dáár, waar je nu rondom het vredige, zonnige landschap ziet, eens de hel moet losgebroken zijn. Verderop zien we nog meerdere oorlogsmonumenten. Een grootsch gedenkteeken in Steenstrate doet herinneren aan de 20.000 Canadeesche strijders die er het leven lieten bij de eerste Duitsche gasaanval. Nog niet voorzien van een behoorlijk gasmasker moesten vele duizenden hierbij ellendig omkomen. Op het dorpspleintje in Poelcapelle staat een standbeeld voor Guynemer, de vermaarde Fransche vlieger die daar werd neergeschoten. Een tank die ook op het vredige dorps- pleintje staat, herinnert aan de massale Duitsche tankaanval die daar werd ondernomen, een aanval die echter eindigde met een vernietigende nederlaag voor de Duitschers die vrijwel al hun gevechtswagens op dit tankkerkhof hebben moeten achterlaten.
Bij een boerderij, ergens tusschen Dixmuiden en Ostende verscholen in een boschje, zagen we de “Lange Max”, het Kanon van Leugenboom, een enorm stuk geschut van hetzelfde zware kaliber als de “Dikke Bertha”, waarmee de Duitschers heel de omtrek bestrijken konden tot aan Ieperen en Duinkerken toe. Zelfs de Engelsche vloot die voor de kust lag bleek niet meer veilig te zijn voor dit verdragende geschut. De granaten zijn hooger dan een mensch en wegen 750 kilo. Als een fabriek vol met ingewikkelde machinerieën, met tallooze handles, raderen en instrumenten, rust het geweldige kanon, diep in de grond uitgegraven, op z’n zwaar betonnen voetstuk. Bijna loodrecht wordt de lange loop omhoog gedraaid voordat electrisch de lading tot ontbranding wordt gebracht, maar niet eerder dan nadat al de bedienende manschappen zijn weggekropen in de stevige kazematten.
Verderop, in een weiland, zagen we nog een granaattrechter van de Lange Max, een gat van 12 meter diepte met een middellijn van 129 meter. In Zillebeke, bij de vermaarde “Hill 62” heeft men een gedeelte van de open loopgraven bewaard en tegen betaling van een paar franks kan men er eenig idee krijgen, een heel flauw idee maar van de verschrikkingen van den oorlog. Zig-zag loopen de ineengestorte loopgraven door het met granaten omwoelde land.
Over een plank kunnen we de meest modderige deelen passeeren, waar het water staan blijft na een regenval. En in deze smerige holen zonder eenige beschuuting waar een dier nauwelijks zou kunnen aarden, hebben menschen geleefd, vier verschrikkelijke jaren lang. De grond rondom is een en al kuil en versperd met warrig prikkeldraad. Hier en daar liggen allerhande overblijfselen van geweren en helmen.
In een schoen zat vastgekleefd in de modderde resten van een afgeschoten voet. Uit een patroonhouder die ik er zag liggen nam ik een paar kogels mee als souvenier.
In Ieperen werd de tocht twee uur onderbroken. De lunch gebruikten we in een restaurant aan het ruime Marktplein, tegenover de Lakenhal en het herrezen Belfoort, die nauwelijks weer waren opgebouwd uit het puin waarin ze geschoten zijn ongeveer twintig jaar geleden, toen vrijwel heel de stad verwoest werd door het Duitsche bombardement. Net een week tevoren was de gerestaureerde toren van het Belfoort door Koning Albert I feestelijk ingewijd. Naast de Lakenhal waar nog heel wat aan gerstaureerd moet worden, staat de Sint Maarten Kathedraal, die nu zoo goed als voltooid is.
Aan de rand van de stad staat de Menin Gate, een monument opgeticht ter eere en nagedachtenis van de 410.000 gekwetsten en de 200.000 dooden en vermisten uit de Iepersche sector van het Engelsche front. In de poort zijn de namen gebeiteld van de 58.600 officieren en soldaten die nooit werden teruggevonden, die spoorloos verdwenen zijn in de geweldige vierjarige strijd om deze stad.
Getallen zeggen zoo weinig, maar als men staat onder het hooge gewelf van de poort en de namen ziet gegrift in de steen, overal waar de blik op valt, van boven tot beneden, namen en nog eens namen zonder tal, dan gaat men pas beseffen hoe velen het er waren die hier hun graf gevonden hebben in den bitteren strijd voor hun vaderland. Iedere avond wordt hier, onder deze hooge doodenhal, de “Last Post” geblazen.
Van Ieperen gingen we naar Dixmuiden. Ook hier heeft de oorlog gewoed in al zijn hevigheid. Hier immers werd de groote slag aan de IJser gestreden. Een hoog monument aan de oever van het smalle riviertje is opgericht ter herdenking aan de gevallen Vlamingen. Er zijn nog meer dingen die herinneren aan den oorlog, oude loopgraven en de “Minoterie”, de stukgeschoten bouwvallen van een groote molen. Voor een paar centimes zijn de ruines te bezichtigen. Ergens langs de oever van het onbeduidende stroompje staat een standbeeld voor de Belgische luitenant die als eerste de IJser was overgestoken. Een wonderlijk idee dat het oversteken van dat smalle watertje zoo lang heeft moeten duren en zoovele offers heeft geeischt. Maar toen, in 1914 stond ook heel de omtrek onder water, overstroomd door het zeewater, nadat de moderne Koppelstok daar, waar acht kanalen bijeen kwamen, de sluisen had laten springen. Geen boom groeit er meer in heel de wijde omtrek. waar eens het zeewater zoo lang de bodem heeft gedrenkt. Maar langs de oevers van het riviertje steken nog overal de betonnen kazematten uit van de tallooze mittrailleursnesten.
In Nieuport zagen we weer wat resten van de eerste Belgische linie. Deze loopgraven zagen er beter uit dan die in Zillebeke. Ze waren versterkt met zakken cement die in de loop der tijden door het vocht geheel waren versteend. Onder deze loopgraven, diep onder de grond, lagen de verblijfplaatsen voor de reservetroepen. Vreeselijk om daar opgesloten te moeten leven in het donker, met alleen hier en daar een nauwe opening in de metersdikke zoldering, waardoor slechts spaarzaam een straaltje zonlicht heen kon dringen.
Bijna was nu de tocht ten einde, maar een aardig stukje wachtte ons nog. Vanaf Nieuport reden we langs de kust, over de groote breede dijk die al de badplaatsen en reeksen mooie villawijken met elkaar verbond, terug naar Ostende.
’s Avonds gingen we opnieuw het altijd gezellige en drukke Ostende in. Het is een levendige stad, waar heel de dag het leven rumoert, tot diep in de nacht. De volgende dag regende het, maar daar ik toch al besloten had om die dag verder te reizen, vond ik het niet zoo erg. Toen ik mijn rekening betaalde kreeg ik een klein souveniertje, een kleinigheid weliswaar, maar toch een aardige attentie. Men was trouwens altijd heel voorkomend geweest tegen mij. Na iedere maaltijd kwam de chef me vragen of ik goed gegeten had en of ik overigens tevreden was. Toen er een tafel aan het raam vrij kwam werden wij daar geplaatst, terwijl er toch gasten waren die er al langer waren dan wij en dus eigenlijk voorrang hadden. Ik geloof beslist dat ik die eer te danken had aan mijn pas verworven lintje van de “Vierdaagsche” dat ik toen in mijn knoopsgat droeg.
Vercouteren vond dat niets leuk en toen hij bovendien géén aandenken kreeg toen hij vertrok, was hij heelemaal verontwaardigd. In het hotel sprak ik Fransch of Engels zoo goed en zoo kwaad als het ging. Het personeel bediende zich van alle talen. Toen ik mijn eerste flesch wijn bestelde, (wijn, voor maar frs. 10.- per flesch!) deed ik dat in het Fransch. De “drankenkellner” antwoordde me echter in het Engelsch. Toen bestelde ik dus de tweede keer in het Engelsch, waarop de man me in het Fransch aansprak.
Nu ik het toch over drinken heb. Voor de aardigheid heb ik ook van het geneeskrachtige water gedronken aan de bron in het Thermenpaleis. Bepaald lekker was het niet, ik kreeg er zelfs een wee gevoel van in mijn buik! In het zelfde bronwater kan ook gezwommen worden in het basis in het thermenpaleis. Van een diepte van 534 meter wordt het water uit de grond hiervoor opgepompt. Ik had voorgesteld hier te gaan zwemmen op eenregenachtige dag, maar zoover is het niet gekomen, steeds scheen de zon. Zelfs die laatste dag in Ostende, want toen we ontbeten hadden was het weer geheel opgeklaard. We wandelden naar de Laiterie in het Leopoldspark, dronken er een kop koffie en tramden toen terug naar het hotel. Na de lunch reed ik per taxi maar het Kétél station.
Annie en Vercouteren, die nog een dag zouden blijven, reden mee tot aan het Casino. Ik had een mooie trein uitgezocht die om vier uur van Ostende zou vertrekken. Maar hoe ik ook zocht, aan het station Ostende-Kaai kon ik nergens die trein vinden. Wel een die eerst om vijf uur zou gaan. Bij nadere informatie bleek dat de bewuste trein van het andere station vertrok, aan de overkant van de visschershaven. Ik had nog vijf minuten de tijd. Zoo snel ik kon strompelde ik met mijn zware koffer over de hobbelige kinderhoofdjes waarmee de straten geplaveid waren. Net precies op tijd kwam ik er aan, ik kon nog mijn koffer op het laatste achterbalcon neersmijten en me zelf op de juist vertrekkende trein hijschen. Met Vercouteren had ik afgesproken dat we elkaar weer zouden treffen in Hotel Sirius, een groot, nieuw hotel, vlak tegenover de Gare du Nord, waar je een uitstekende kamer kon krijgen tegen de eenheidsprijs van frs.25,- per dag.
Toen we naar Ostende gingen, waren we vertrokken van de Gare du Midi. Het was dus een aangename verrassing voor me toen bleek dat ik nu aan de Gare du Nord aankwam. Dat bespaarde me een rit per taxi of tram dwars door de stad. Nu had ik alleen maar een straat over te steken, maar, in Hotel Sirius was geen kamer meer vrij. De porteur bracht me echter naar Hotel des Colonies, een paar passen verder. Het was een pracht hotel. Heel schuchter informeerde ik eerst naar de prijzen, maar dat viel mee, ook frs. 25,-, zonder ontbijt. Ik kreeg een kamer als een zaal, waarin een groot twee-persoons bed, een divan, fauteul, spiegelkast, vaste waschtafel met koud en warm stroomend water, een tafel met stoelen en nog een kast, dat alles voor frs. 25,-.
Na me opgefrischt te hebben ging ik naar het postkantoor om een briefkaart te koopen. Vercouteren moest direct gewaarschuwd worden dat hij me niet in Hotel Sirius vinden zou. Bovendien schreeg ik hem van het station Ostende-Ville te vertrekken met de trein van vier uur, om vlakbij het hotel, aan de Gare du Nord aan te komen. Inderdaad vertrekt hij van Ostende-Ville, echter met een trein die een kwartier eerder weg ging om in Brussel aan te komen… aan de Gare du Midi! Nog net konden ze in het hotel een kamer krijgen. Even later op den avond was alles volgeboekt en heel wat gasten moesten worden afgewezen. Het liep al tegen middernacht en die arme menschen waren al zoowat de heele stad doorgeweest.
Nergens was meer plaats. Hotel des Colonies zat vol Hollanders, waaronder veel Indisch gasten, zeker een groep van een of andere reisvereeniging. Ook was er een Britsch Indisch echtpaar waarvan de vrouw rondliep in haar nationale kleederdracht. In Holland zou dat een heele volksoploop veroorzaakt hebben, maar in Brussel keek niemand er naar om.
Toen ik de briefkaart gepost had, ben ik “eten gaan zoeken”. Aan een van de boulevards dicht bij het hotel vond ik een goede gegegenkheid, een soort automatiek, waar je aan de toonbanken van alles bestellen kon. Op groote borden stond met krijt genoteerd wat er die dag te krijgen was. Staande langs de toonbank of gezeten op de banken langs de muren kon je dan je maal doen.
Ik begon mijn menu met soep. Voor één frank, d.i. voor zeven centen, kreeg ik een kom lekkere dikke, gebonden soep met een flink stuk brood erbij. Nu kan ik flink eten, maar toen ik de soep op had, kon ik niet meer. Het brood heb ik zelfs laten staan. Zoo werd het dus een wel heel goedkoope maaltijd. Alvorens verder op stap te gaan, ben ik eerst bij een van de vele reisbureaux aan de Boulevard Adolf Max een plaats gaan bespreken voor de toer naar de Grotten van Han die ik de volgende dag wilde gaan maken.
Daarna flaneerde ik wat rond over de drukke boulevards en de Place Brouckère, voorbij de dicht bezette caféterrassen, langs de hel verlichte winkeletalages en groote hotels en de dancings en cabarets met hun kleurige lichtreclames. Het leven van een wereldstad bruischt hier om je heen tot ver na het middernachtelijke uur. Op de breede trottoirs, bij de hoeken van de zijstraten, staan in groepjes de opgeschilderde vrouwen te wachten op hun klant, waarmee ze voor eenige oogenblikken verdwijnen in een van de tallooze hotelletjes in de smalle straatjes achter de boulevard.
De rest van de avond bracht ik door in een van de groote luxe bioscopen aan de Place Brouckère. Voor 9 frank zat ik op een van de duurste rangen, breeduit in een ruime fauteuil, mijn lange beenen behagelijk uitgestrekt.
De volgende morgen was ik alweer vroeg op stap. Eerst ben ik gaan ontbijten in mijn “stamlokaal”. Voor frs. 1,20 kreeg ik een kop koffie met twee gesmeerde broodjes, waaraan ik meer dan genoeg had. In deze zaak kon ik heusch niet méér verteren. Wat een goedkoop land is België toch voor iemand die goede Hollandsche guldens op zak heeft.
Aan de Bd. Adolf Max stonden de bussen voor Han al gereed. Ik bleek de eerste passagier te zijn, maar óók de laatste. En daar ze voor mij alleen niet een bus dwars door half België konden laten rijden, moest ik ergens anders ondergebracht zien te worden, bij een touring-caronderneming die een grootere clandisie had. Die werd gauw gevonden en voor mij was er zelfs nog een goed plaatsje over.
Het was schitterend weer toen we vertrokken en zoo bleef het de heele dag. Eerst reden we door de bosschen rondom Brussel en langs de mooie villawijken, daarna door het z.g. “Westland” van België, een streek met broeikassen en groentenbedden, als het land rondom Loosduinen, Monster en verderop. Alleen zien de Belgische dorpjes er heel anders uit dan de propere Hollandsche stadjes. Wellicht zijn ze niet bepaald zindelijk naar Hollandsche begrippen, maar voor het oog heeft dat slordige, dat nonchalante wat de Belgische huizenbouw kenmerkt, iets aantrekkelijks. Een Belgisch dorp is veel schilderachtiger dan een Hollandsch, dat meestal maar bestaat uit een lange, rechte straat met links en rechts, netjes op een rij en alle vrijwel gelijk aan elkaar, propere kleine huisjes, met roode daken, witte gordijnen en schoongeschrobte stoepen. Nu werkt in België de natuur wel mee om er een meer “artistiek” geheel van te maken.
Al gauw wordt de streek heuvelachtig en naarmate we verder oostwaarts komen, worden de hellingen langer en het terrein geaccidenteerder. De huizenbouw is hier weer anders dan in Vlaanderen. In Vlaanderen moest ik telkens denken aan Merijntje Gijzen, als we door zoo’n oud dorpje kwamen of langs een rustieke herberg, met van die sappige Vlaamsche opschriften op het uithangbord.
Vol variatie is de natuur in België en juist dat slordige geeft er een speciale bekoring aan als je er als toerist langs trekt en er zelf niet behoeft te wonen. Vooral in de Ardennen vind je die afwisseling. De natuur werkt er mee. Je hebt er nog van die ruige stukken bosch op grillige bergruggen. Prachtig zijn vaak de vergezichten vanaf een hoog punt op het dal beneden, waardoor een beekje kronkelt of een witte weg. Dáár hebben ze nog niet alles achter een ijzerdraadje verborgen met een bordje “Verboden Toegang” erbij. Daar heb je nog de vrije ongerepte natuur waar blijkbaar nog veel wild leeft.
Verscheidene jagers zag ik tenminste onderweg. Kom je langs een dorp, dan staan de huisjes er niet netjes op een rij, maar in het wilde weg gebouwd tegen de rotsen, daar waar nog een vlak stukje grond te vinden was, of anders zoo maar tegen de hellingen aan. In Dinant werd de tocht een twintig minuten onderbroken, waarvan ik gebruik heb gemaakt om wat door hetmstadje rond te wandelen. Toen ging het weer verder, langzaam laveerende door de nauwe drukke straten. Hoog boven de stad, op de rotsen langs de Maas, ligt de Citadel. Door de Zaterdagsche marktdrukte heen wrong de groote bus zich moeizaam een weg over de oude Middeleeuwsche steenen brug over de Maas, totdat we buiten de stad weer wat meer ruimte kregen.
Voortdurend stijgende kwamen we omstreeks half één in Han sur Lesse aan. Han bestaat uit een paar hotels, een vies stationnetje voor de miniatuur tram, een kerk met een monument voor Han’s gevallen soldaat, een enkel boerenhuisje en verder niets. Op straat zie je voornamelijk gidsen. Er zijn in Han blijkbaar maar twee beroepen, als je geen hotel hebt, ben je gids. We werden afgezet voor Hôtel des Ardennes, waar we konden eten.
Om kwart over twee zou eerst de tram vertrekken zoodat we tijd genoeg hadden. Pa en Moes hadden me echter gezegd niet naar dat hotel te gaan. Voor veel geld hadden ze er indertijd slecht gegeten, de boontjes waren een en al draad. Als gewaarschuwd man ging ik dus niet eten in Hôtel des Ardennes. Maar in Hôtel sur Lesse, waar ik voor hetzelfde bedrag kreeg voorgezet, soep, en daarna aardappelen, vleesch en….boontjes met draad. Veel had het me dus niet geholpen. Maar ik was gauw weer getroost toen ik even later een paar mede passagiers de heele verdere dag door hoorde mopperen over het slechte eten in Hôtel des Ardennes, waar vooral de boontjes met draad ongenietbaar bleken te zijn. Natuurlijk waren het Hollanders.
Maar dit had ik ervan geleerd, dat er in Han blijkbaar alleen maar boontjes met draad groeien. Toch heb ik er niet ongezellig gezeten in het rustieke, landelijke hotelletje met uitzicht op het drukke plein. Na het eten liep ik nog wat rond, maar veel is er niet te zien. Langs een driesprong liggen naast elkaar de vele hotels, de een al even vol als de andere.
Van heinde en ver komen de toeristen om de grotten te bezichtigen. Ieder jaar weer komen ze bij massa’s langs en iedereen in Han leeft dan ook op de een of andere manier van de grotten. Op het pleintje stonden wel 10 groote touring-cars geparkeerd, behalve de vele particuliere wagens met nummerborden van diverse landen uit Europa.
Om kwart over twee klonk een schel gefluit, de tram kondigde zijn vertrek aan. De wagonnetjes werden bestormd en daarna begon het miniatuur locomotiefje met luid misbaar en dikke rookwolken uitstootende zijn tocht naar boven. Op de mooiste punten reed het treintje nog langzamer dan hij al ging, om ons beter in de gelegenheid te stellen van het schoone panorama te genieten.
Bij het eindpunt werden we overgedragen aan twee gidsen, waarna de eigenlijke tocht door de grotten kon beginnen. Eerst nog een korte wandeling door het bosch tot de plaats waar de Lesse onder de grond verdwijnt. In het begin was het kil en vochtig in de grot, maar al gauw wen je aan de temperatuur. Door het klauteren over de smalle paadjes, voortdurend op en af een uur lang achter elkaar, wordt je trouwens gauw weer warm.
Langs merkwaardige natuurverschijnselen voert het kronkelende pad, door zalen behangen met fantastische draperieën, gevormd door het gestadig neerdruppelen van het water door de kalkachtige bodem. Schijnwerpers verlichten de grillige vormen waarin allerlei gedaanten te herkennen zijn. Ongeveer halver- wege, op een soort plateau, is een restaurant. De weg, te volgen door de slinger van electrische lampjes, kronkelde naar beneden en heelemaal in de diepte, onderin de reusachtige hal stroomt de rivier. De wanden werden beschenen met flood-light.
Hier moest ik een foto van zien te maken. Maar juist toen ik een geschikt plekje gevonden had voor een opname, doofden de schijnwerpers uit en bleven alleen nog maar de gewone lampjes branden, zoodat ik mijn poging moest opgeven. Het pad daalde nu af tot de rivier, waar groote schuiten gemeerd hagen om ons verder te brengen. Een oogenblik vaar je nog in het volkomen duister. Alleen het zwarte water hoor je ruischen tusschen de dreigende, donkere wanden, totdat opeens, vóór je het daglicht doorbreekt, de stralende zonneschijn, schel en fel, als een groot contrast met de duisternis waarin we ruim een uur hadden rondgeklauterd. Even voordat we de grot uitvoeren, werd een klein kanon afgevuurd. Als een geweldige donder galmde de echo van het schot nog lang na door de gewelven.
Toen ik weer op de wal stond in het bosch, bij de uitgang van de grot, wilde ik opnieuw probeeren een foto van de grot te maken, maar weer mislukte het. Juist toen ik het rustieke plekje in mijn zoeker had en wilde afdrukken, zag ik een vlam, gevolgd door een rollende donder, zoodat ik van schrik het toestel bewoog. Het was weer het kanon dat zijn kunsten vertoonde voor de volgende boot. Voordat de derde boot in aantocht was heb ik toen maar gauw m’n opname gemaakt, maar het noodlot heeft gewild dat ik geen foto van Han mocht hebben, want deze kiek bleek later mislukt te zijn, de eenige van de heele serie. Jammer, het was juist zoo’n mooi plekje.
Al klauterende door de grotten bleken we weer heelemaal afgedaald te zijn tot ons punt van uitgang. Vlak bij het dorpje kwamen we ongeveer uit. Alleen nog een pad langs, dwars door de korenvelden en we waren weer, van een andere kant, terug in het dorp. Langs het weggetje door het veld stonden op een lange rij oude vrouwtjes in hun typische kleederdracht met poetsgerij om de bemodderde schoenen weer schoon te wrijven en de broekspijpen af te borstelen.
Toen het gezelschap weer bijeen was, begon de terugtocht, die echter niet zoo voorspoedig zou verloopen als de heenreis. Nauwelijks het dorp uit, bij de eerste helling die genomen moest worden, begon de auto kuren te vertoonen. Bij het overschakelen maakte de motor een verdacht geluid, net of er iets los zat en hij kon maar niet op de gewenschte versnelling komen. De chauffeur constateerde een mankement aan de as. In een half uurtje zou hij het euvel wel opgeknapt hebben. Een collega kwam tot een zelfde conclusie, de hulp van een passeerende bus die half gevuld langs kwam en ons mee wilde nemen, was niet noodig. De storing zou immers zóó verholpen zijn. Inderdaad had hij in een oogwenk de beide achterwielen eraf gemonteerd, maar kwam toen tot de ontdekking dat de débraillage defect was. We waren toen gedwongen daar te blijven staan tot nieuwe onderdeelen uit Brussel waren aangekomen, of tot er weer een bus langs zou komen die ons mee kon nemen. Maar nu we er een noodig hadden, kwam er natuurlijk geen meer.
Intusschen waren we naar Han teruggeloppen, waar het onze gids na eenigen tijd gelukte beslag te leggen op een soort bus uit het voorhistorische tijdperk. Nog net konden wij met z’n allen in dat vreemdsoortige vehikel samengeperst worden. Een onguur type vóór op de bok hobbelde ons naar het station van Jemeppe. Ik zat achterin met nog eenige Hollandsche jongelui. Bij iedere bocht werden wij door elkaar gegooid en iedereen moest zich stevig vasthouden om er niet uitgeslingerd te worden. Met touwtjes waren verschillende onderdeelen van deze “auto” aan elkaar gebonden.
Het was werkelijk fraai. Als in een wild-west film raceden we over de weg. De roover achter het stuur deed zijn uiterste best, wat noodig was ook, want we moesten voortmaken, wilden we de trein in Jemeppe nog halen. Een paar keer was er een oponthoud om naar de weg te vragen, maar nog juist op tijd kwamen we aan het station aan. Terwijl de reisleider nog bezig was de kaartjes te koopen, reed de trein binnen. Het was de expresse uit Basel die in Jemeppe even moest stoppen. De treinreis door een mooi stuk natuur verzachtte eenigszins de teleurstelling door de tegenvaller. Op de velden krioelde het van de konijnen en fazanten. Geen wonder dat ik zooveel jagers zag. Wanneer je met je oogen dicht schoot, zou je ongetwijfeld nog succes gehad hebben.
Tegen zeven uur ’s avonds waren we weer terug in Brussel. Ik had nu echt trek in een warme hap, dus trok ik maar weer direct naar m’n bekende restaurant. Na de soep nam ik een portie pommes frites met fricadel entomatensaus voor de somma van maar twee franken. In het hotel informeerde ik of Vercouteren intusschen al was aangekomen.Dat bleek het geval te zijn, maar de vogels waren intusschen weer gevlogen. Heel optimistisch ben ik toen begonnen met zemte gaan zoeken in de Zaterdagsche drukte op de boulevards, waar het op dit uur van den avond extra druk was. Toch zag ik ze na een kwartiertje loopen opeens staan voor een etalage.
Ik trof het wel, want ze waren net uit een bioscoop gekomen. Na nog wat rondgeloopen te hebben, kwamen we tenslotte terecht in een van de vele cabaret-dancings die daar in groote getale gerijd staan langs de boulevards en in de smallere zijstraten.
Het zag er deftig uit en ik vermoedde dat de prijzen wel evenredig zouden zijn met de luxe. We kregen een mooi plaatsje bij de dansvloer. Toen kwam de ober met de drankenkaart. Nu zou je het hebben. Vluchtig keek ik de kaart door. Niet naar de namen keek ik, want die zeggen me toch niets. Meer interessehad ik voor de prijzen die ervoor betaald moesten worden. Het was allemaal champagne en de goedkoopste soort kostte “maar” frs. 400,- per flesch.
Ik gaf Vercouteren de kaart en maakte vast aanstalten om weer weg te gaan. Maar toen begon Vercouteren, zeker door de opwinding, opeens Fransch te spreken. “Non, non”, zei hij, “c’est trop cher”. De ober raadde ons toen een goedkoopere, of liever gezegd, een minder dure soort aan van frs.175,- per halve flesch. Toen we ook daar niet op ingingen, kwam de man tenslotte voor den dag met een tweede kaart waarop consumpties per glas stonden. Daarvan kozen we het goedkoopste uit, een champagnecocktail van frs. 25,- per glas.
Na deze eerste sensatie hadden we eindelijk gelegenheid om de omgeving eens rustig op te nemen. Het was er heel gezellig. Op ieder tafeltje stond een telefoon, waarmee je de dames telefonisch ten dans kon vragen. Toen merkte ik ook dat op ieder bezet tafeltje een zilveren koeler stond met een flesch champagne erin. We zouden straks dus wèl afsteken als op onze tafel alleen maar drie kleine glaasjes cocktail zou-den staan. Maar wat gebeurde er? Ook op onze tafel werd een champagnekoeler geplaatst, mèt een flesch erin. Alleen was het maar een leege flesch, maar het stond deftig en de schijn was gered. Toen ik nu de andere flesschen ook wat beter ging
bekijken, bleek dat vrijwel niemand een volle flesch had staan. En dan spreken ze nog wel van “Haagsche” bluf.
Later op de avond liep het vol en toen kwamen ook de echte, volle flesschen op tafel, maar het meerendeel van de gasten beperkte zich toch maar tot een enkele consumptie. Om twaalf uur begonnen de attracties. Toen het cabaret was afgeloopen, werd aangekondigd dat het tweede deel om twee uur zou beginnen, maar zoolang hebben we niet meer gewacht. Het was die dag de le September, de dag dat Vercouteren en ik één jaar geleden in dienst waren gekomen bij den Accountants-dienst. Met een champagne-cocktail hadden we die eerste herdenkingsdag dus wel waardig gevierd.
Na een ontbijt in de bekende zaak gingen we de volgende morgen op weg naar Tervueren. De eerste tram bracht ons tot de Cinquantenaire, een groote eerepoort op een ruim plein. De volgende tram reed ons langs de Brusselsche villawijken en door het bosch van Tervueren naar het eindpunt van de lijn, vlak bij het Chateau de Tervueren. In de tuin van het kasteel dronken we koffie en daarna wandelden we door het park naar het Congo Museum. Na een lunch in ons stamlokaal tramden we naar het Bois de Cambre. Op deze zonnige Zondagmiddag waren alle trams die naar buiten reden overvol. In het bosch, aardig gelegen onder de hooge boomen, zijn verschillende openlucht dancings.
In “Les Rossignolles”, een van de grootste gelegenheden streken we neer tot een uur of zes. De laatste avond in Brussel brachten we door in een bioscoop. Ons geld was bijna op, dus het kon geen al te dure uitgang worden. Het was trouwens ook al te laat voor een revue of iets dergelijks. Wat de bioscopen betreft stond Brussel wel wat ten achter bij Holland. Veel keus hadden we niet. De mees- te films die er vertoond werden had ik al in Den Haag gezien.
Tenslotte vonden we toch nog iets in het Congo Theater, weer zoo’n pracht van een theater waar we voor maar frs.10,- in heerlijke fauteuils op de duurste plaatsen zaten. Na de voorstelling aten en dronken we nog wat in een van de vele automatieken aan de boulevards.
De volgende morgen was het feest bijna afgeloopen. Ik pakte mijn koffer en zegde mijn kamer op. In “l’Innovation”, het groote Brusselsche warenhuis winkelden we nog wat en zaten toen, in afwachting van het vertrek van de trein naar Holland, voor het laatst nog op het terras van één van de restaurants aan de boulevard. De kaartjes hadden we vast gekocht.
Om twee uur vertrok de trein. Op het perron kwam iemand me vragen waar de trein naar Antwerpen aan zou komen, wat ik hem netjes in het Fransch heb kunnen zeggen. Ik voelde me zoo langzamerhand al thuis op dat station. Later bleek dat ik me de moeite van het Fransch had kunnen besparen, want het was een Hollander, die ik in Rotterdam nog eens ontmoette.
De nieuwe derde klas wagons in België die rijden op de lijnen Brussel-Ostende en Brussel-Antwerpen, zien er keurig uit, zooiets als onze derde klas van de electrische treinen. In Antwerpen moesten we overstappen. Het laatste beetje Belgische geld dat ik over had gehouden telde ik bij elkaar en kwam toen tot een bedrag van frs.1,20. Hiermee stapte ik naar een verkooper op het perron en vroeg hem wat of ik daarvoor kon koopen. Ik kreeg er één heele sinaasappel voor, die we eerlijk met ons drieën hebben opgegeten.
De trein waarin we van Antwerpen verder moesten reizen was een oud, vies gammel ding. Gelukkig duurde dat maar tot Roosendaal, waar we opnieuw moesten overstappen. Van de douane had ik geen last, wèl Vercouteren, die alles moest uithalen. Mijn koffer werd nauwelijks bekeken. Had ik dat aan mijn eerlijk uiterlijk (!) te danken, of was het weer mijn “ridderorde” die zooveel vertrouwen inboezemde?
Van Roosendaal konden we rustig blijven zitten tot Rotterdam, waar we moesten….. overstappen. Tegen zeven uur waren we weer terug in Den Haag. Toen ik op lijn 11 stapte, viel het me op dat er een druk gebruik van deze tram werd gemaakt. Bij de Willem de Zweigerlaan kon ik me maar met moeite met m’n koffer los wringen uit het overvolle balcon.
Thuis gekomen vond ik Pa en Moes gevlogen. Er lag een brief op tafel met de mededeeling dat ze naar Scheveningen waren om te kijken naar een vlootrevue. Ik heb gauw wat gegeten en ben toen ook naar Scheveningen gegaan. Veel was er echter niet te zien, alleen maar een tweetal torpedojagers die in de buurt van de Pier lagen en met hun zoeklichten speelden. Toen het ook nog begon te regenen, ben ik gauw weer naar huis teruggekeerd. Pa en Moes waren er nog steeds niet. Toen ze eindelijk kwamen, kon ik met mijn reisverhalen beginnen. Natuurlijk werd het toen nachtwerk, want behalve de verhalen over mijn belevenissen op reis moest ik ook nog al de bijeen gegaarde papperassen en briefkaarten laten zien, die mede met de herinneringen een aardig souvenier zijn van deze vacantie trip.