Donderdag 6 April om 18.10 ben ik uit Utrecht vertrokken. Na een reis in overvolle treinen en na 3 keer overgestapt te zijn, bereikte ik met een half uur vertraging Brussel, waar Kuypers, die reeds eerder uit Roermond gearriveerd was, gelukkig nog op mij stond to wachten. Onze eerste gang was naar Hotel Cecil, dicht bij de Gare du Nord, om een kamer te bespreken en om ons wat op te knappen van de treinreis.
Daarna direct de stad ingegaan. Om beter bestand te zijn tegen de vermoeienissen van een “avondje uit” in Brussel, werd besloten om eerst de inwendige mensch wat te gaan versterken, hetgeen geschiedde in “Canterburry” met behulp van een dubbele uitsmijter met ham en een glas Diekirch bier.
Daarna kon de tocht door het nachtelijke Brussel beginnen. Na eerst de boulevards afgeslenterd te hebben, doken we tegen het middernachtelijke uur weg in de Cabaret-Dancing Parisiana, waar we de eerste uren van de Goede Vrijdag hebben doorgebracht, aangenaam bezig gehouden door Annie en Simone en kijkende naar hetgeen als attractie werd geboden.
Van tijd tot tijd waagden we ons ook op de dansvloer, welke prestatie dan beloond moest worden met een teug champagne. Daar we nogal veel gedanst hebben, eindigde de avond met een diepzinnig financieel probleem, dat we, gezeten op mijn bed in mijn hotelkamer, gelukkig nog konden oplossen.
De volgende morgen om 11 uur werd de reis naar Parijs voortgezet. Na een flink ontbijt in Hotel Cecil reden we per tram naar de Gare du Midi, waar Kuypers nog zijn ticket moest koopen. Na eenig heen en weer geloop had hij dan eindelijk het gewenschte biljet en toen konden we ons installeeren in de trein naar Parijs, die reeds gereed stond.
Daar we vrij vroeg waren, konden we ieder nog een mooi hoekplaatsje bezetten. Al spoedig liep de heele wagon vol en ook gedurende het verdere gedeelte van de reis bleef geen plaatsje onbezet. Het weer dat er allesbehalve aanlokkelijk uitzag toen we uit Holland vertrokken, was net bijtijds omgeslagen en zoo kon het gebeuren, dat we gedurende de Paaschdagen het prachtigste voorjaarsweer hadden dat men zich maar wenschen kan.
De reis van Brussel naar Parijs verliep zonder noemenswaardige incidenten. Het had echter wel wat vlotter gekund, want op het laatst begon het sukkelgangetje en het velvuldig stoppen toch wel wat te vervelen. Misschien was het wel een vriendelijkheid van de Fransche spoorwegen om ons voor hetzelfde geld beter te laten genieten van het natuurschoon, de mooie uniformen van de Spahies en de, vaak pas half gerestaureerde, kathedralen.
Maar daartegenover stond dan, dat we nu des te beter konden merken, hoe ontzettend verlaten de wijde vlakten van Noord Frankrijk zijn, hoe troosteloos en vuil de stadjes eruit zien en hoe onverzorgd het treinpersoneel is. Frankrijk maakt wel de indruk van een arm land te zijn dat bovendien zeer dun bevolkt is.
Gelukkig had Kuypers voor een spannend intermezzo gegorgd om de eentonigheid van de lange reis te breken. Even
voor Feignies, het Fransche grensstation, moest hij wat uit zijn koffer hebben en kwam toen tot de ontdekking dat hij wel netjes de boel afgesloten had, maar de sleutels in het hotel in Brussel had laten liggen. En dat juist op het meest ongelegen moment, n.l. toen de Fransche douane zijn neus in andermans zaken ging steken. Met behulp van eenige technische vaardigheid, een zakmes en een bijna passend sleuteltje van een reisgenoot, lukte het Kuypers nog bij tijds zijn bagage open te krijgen.
Tegen half vijf begonnen we Parijs te naderen. Hoog boven de verwaarloosde huizenmassa’s van de Parijsche faubourgs blonken als scherp contrast, de blanke koepels van de Sacré Coeur. Om een uur of vijf stonden we met ons koffertje in de hand voor de Gare du Nord en keken naar de Ville Lumière. “Alors, ca c’est Paris”, zei ik tegen Kuypers, maar dat was dan ook het eenige beetje Fransch dat ik heb kunnen spreken, want verder kreeg ik er geen gelegenheid meer toe, daar bijna iedereen in de Fransche hoofdstad, als merkwaardig natuurverschijnsel, je in het Engelsch aanspreekt.
Naar de taal die je overal om je heen hoort spreken te oordeelen, kon je je dan ook eerder in Londen wanen dan in Parijs. Met het oog op het vroege vertrekuur op Maandagmorgen, besloten we om in de buurt van de Gare du Nord te blijven. In Hotel Cailloux konden we nog net bijtijds een behoorlijke kamer krijgen, voordat ook dit hotel overstroomd werd door de bezoekers van de overzijde van het Kanaal.
Even hebben we ons de tijd gegund om ons wat op te frisschen van de verre reis en zijn toen direct begonnen met elke mimuut die we voor Parijs hadden zoo voordeelig mogelijk te gaan besteden. Ik heb eens gelezen: “Het middelpunt van Frankrijk is Parijs en het middelpunt van Parijs is het Café de la Paix.” De Metro bracht ons naar dit middelpunt, de Place de l’Opera, waaraan het wereldberoemde restaurant gelegon is. Door de Rue de la Paix wandelden we vervolgens naar de Place Vendome, waar boven op zijn colonne Napoleon prijkt in zijn Romeinsch gewaad met een lauwerkrans om het hoofd.
Langs de Rue de Rivoli met de vele luxe winkels en de Tuilerien, via Place de la Concorde met de Obelisque, liepen we verder door de Rue Royale, tot we bij de Madeleine de Groote Boulevards weer bereikt hadden. Door de gezellige drukte slenterden we de Bl. Madeleine en Bl. des Capucines af, langs de Opera en de Bl. des Italiens, tot we tenslotte in “Le Cardinal” een geschikt restaurant gevonden hadden, waar we voor weinig geld goed en smakelijk hebben gegeten.
Met behulp van “La Semaine à Paris” werd vervolgens uitgekiend wear we de avond zouden doorbrengen. De keus viel op Casino de Paris, waar o.a. als de grootste attractie zou op- treden, Maurice Chevalier. Direct na het eten zijn we toen per metro naar Montmartre gereden tot de Place de Clichy en vandaar gewandeld naar het theater, waar voor de loketten reeds een menigte stond te wachten, in de hoop nog een plaats je te kunnen bemachtigen. Al spoedig bleek de zaal geheel uitverkocht te zijn, doch dank zij een gelukkig toeval, konden we nog 2 besproken plaatsen die teruggegeven waren, op de kop tikken en hadden zoodoende toch nog een pracht van
een plaats midden in de zaal.
Over de revue niets dan lof. Schitterende decors en costumes (voor zoover die gedragen werden), uitstekende dansparen, aardige scenes en verrassende finales on dan tenslotte Maurice Chovalior. Na eerst voor de pauze een paar keer met de girls opgetreden te zijn, kwam in het tweede gedeelte pas zijn eigenlijke nummer.
Toen stond hij daar hoelemaal alleen op het groote tooneel met zijn welbekende strooien hoed op en toon heeft hij kans gezien om zeker wel drie kwartier lang zijn gehoor op buitengewoon aangename wijze te boeien en tot enthousiasme te brengen met zijn bekende refreintjes, op geestige en charmante manier voorgedragen. Maurice moet je ook zien, om hem ten volle te kunnen waardeeren, dan gaan liedjes als “Prosper” en “la pomme” voor je leven en dan wordt een gang naar het Casino de Paria alleen maar daardoor al ten volle beloond.
Na afloop van de voorstelling zijn we wat gaan wandelen langs de Bl. de Clichy, hebben ergens nog een Dubonnet gedronken, maar besloten toen om toch maar naar huis te gaan. Zoo gezegd, zoo gedaan, op een bus gestapt, een ticket genomen tot Gare du Nord, een heele tijd gereden voor maar twee strookjes van onze carnet en stonden toen opeens aan het eindpunt van de buslijn op de Place de la Bastille, heelemaal aan het andere einde van de stad. Door een of andere oorzaak waren we heelemaal ons doel voorbij gestreefd.
Er was nog een klein kansje dat we per metro de weg terug konden afleggen. Met een vaart spurtten we de trappen af, dank zij de ervaring die we met dit bij uitstek geschikte vervoermiddel reeds hadden opgedaan, stonden we in minimum van tijd op het perron en smaakten het genoegen om nog juist met de laatste trein mee te kunnen gaan. Dit was dan het einde van een lange en goedbesteede dag.
De volgende morgen na een ontbijt met heerlijke croissants zooals je ze alleen in Frankrijk kunt krijgen, stonden we om half tien alweer op het achterbalcon van de bus, die ons naar het Champs de Mars bracht. Het groote park rondom de Eiffeltoren droeg nog duidelijk de sporen van de wereldtentoonstelling van twee jaar geleden. In plaats van de mooi aangelegde bloemperken zag je overal nog omwoelde stukken grond op de plaatsen waar indertijd een paviljoen gestaan heeft.
Er was veel belangstelling voor de bestijging van de toren. Na verscheidene keren overgestapt te zijn in steeds kleinere liften, bereikten we tenslotte de hoogsto etage op ongeveer 300 meter boven de begane grond. Duidelijk is hier het schommelen van het ijzeren gevaarte merkbaar.
Weer beneden aangeland, werd de tocht door de stad te voet voortgezet over de Pont d’Iena, langs het nieuwe Trocadero gebouw, een overblijfsel van de jongste wereldtentoonstelling, via de Avenue de Iena naar de Place de l’Etoile, het imposante plein, waar 12 van de belangrijkste avenues op uitkomen en dat een waardig sluitstuk vormt van de schitterende Avenue des Champs Elysees.
In het midden van dit uitgestrekte plein prijkt de Arc de Triomphe (76 meter hoog, in 1806 door Napoleon laten bouwen en eerst in 1836 voltooid). Het rijk gebeeldhouwde fries stelt voor het vertrek en de terugkeer der Fransche legers. Aan de binnenkant van het monument staan de namen gebeiteld van niet minder dan 386 generaals uit de tijd der Republiek en het Eerste Keizerrijk en verder de belangrijkste veldslagen uitdit tijdperk. Onder het monument ligt onder een eenvoudige zerk waarbij een eeuwige vlam brandt, het graf van de Onbekende Soldaat. “Ici répose un soldat inconnu, mort pour la patrie” staat er in de grijze steen gebeiteld, een eenvoudig gedenkteeken, dat door zijn eenvoud echter een des te grootere indruk maakt.
Dan gaan we de Champs Elysees af, eerst langs het gedeelte met de luxe winkels en groote restaurants. Op het terras van Café Le Triomphe hebben we ons in een makkelijke stoel neergevleid en hebben, gekoesterd door een mild voorjaarszonnetje, het va-et-vient op deze drukke boulevard gadegeslagen. Veel valt er te zien op zoo’n mooie middag, luxe auto’s rijden er voorbij, maar nog meer wordt het oog geboeid door de charmante Parisiennes, die goed gekleed als ze zijn, voortdurend alle aandacht van een vrijgezel vragen.
Het leven is goed als men daar zoo in zalig nietsdoen zit te genieten. Dan is het beter om geen krant te koopen. Daarin staat toch alleen maar te lezen van dreigend oorlogsgevaar, van “dappere Italiaansche overwinningen” op een weerloos land als Albanië.
We loopen vervolgens het breede, lommerrijke wandelpark af, langs de twee groote tentoonstellingsgebouwen, het Grand en Petit Palais, langs het mooie standbeeld van Clemenceau en komen dan op het onmetelijke Place de la Concorde. Midden op deze 62.500 12 groote vlakte staat de Obelisk uit Lukzor, aan twee kanten geflankeerd door grooto fonteinen.
Intusschen was het weer tijd geworden om te eten. Deze keer was het in Le Gramont aan de Bl. des Italiens waar we ons de Fransche keuken en wijnkelder goed hebben laten smaken. Toen kwam het Hotel des Invalides aan. Onder de hooge koepel van de Dome, waar, door de gekleurde glazen heen, de zon op het altaar scheen, staat de tombe van Napoleon, vervaardigd uit rood graniet. In de kapellen aan weerskanten van het altaar rusten een tweetal van zijn generaals, Fauboi en Turenne, terwijl een derde kapel het schitterende monument bevat van maarschalk Foch. Bij de ingang van de gaanderij die rondom onder de 6 meter hooge tombe van de groote Keizer heen loopt, zijn de graven van Duroc en Bertrand. De galerij zelf is versierd met bas-reliefs, voorstellende de voornaamste gebeurtenissen uit het regeeringstijdperk van Napoleon. Om de tombe staan 12 figuren, die diverse keizerlijkemoverwinningen uitbeelden. De ruimte is verder versierd met 42 oude en stukgeschoten vaandels, welke veroverd zijn tijdens de slag bij Austerlitz.
Vervolgens bezochten we de verschillende wapenmusea. Interessant was vooral de zaal welke speciaal gewijd was aan de groote wereldoorlog. Na nog wat foto’s genomen te hebben in het park bij de aldaar opgestelde kanonnen van diverse pluimage, wandelden we via de Quai d’Orsay, over de mooi gebeeldhouwde Pont Alexandre III, langs het Grand en Petit Palais terug naar de Champs Elysees.
Alvorens weer bij Le Cardinal te gaan dineeren, hebben we eerst een tijdje uitgerust op het terras van Café de la Paix, waar we nog net een plaatsje konden krijgen. Vanaf ons terras hadden we een aardig gezicht op het drukke kruispunt van de Groote Boulevards en de Place de l’Opera. Ook de trottoirs waren vol met Zaterdagsche wandelaars.
Na het eten zijn we even naar ons hotel teruggekeerd om ons te verkleeden voor de tocht door “Paris la nuit”. De bus bracht ons naar de Rue de Rivoli, vanwaar we naar het beginpunt van onze toer zijn gewandeld. Om in korte tijd zooveel mogelijk te kunnen zien, hadden we besloten met een reisbureau te gaan. Voor een rit in een groote autocar, volgepropt met vreemdelingen, voelden we echter niets, doch gelukkig bleek er nog een andere oplossing te zijn.
Samen met vier Engelschen, een jongmensch plus een echtpaar met een dochter, zijn we onder leiding van de gids die tevens chauffeur was, in een luxewagen op stap gegaan. Behalve de verschillende zaken die we bezocht hebben, kregen we bovendien een aardige rondrit door de stad op de koop toe. Door de duistere en verlaten woonwijken, maar ook langs de drukke, hel verlichtte boulevards toerden we rond naar onze eerste pleisterplaats, La Boulée, een kelderkroegje, gelegen in de buurt van Montparnasse. Eerst een steegje in, dan, over een hooge drempel struikel je in een vierderangs bartje, maar nog is de lijdensweg niet ten einde, want dan volgt nog een nauw, bochtig trapje en een laag gangetje, waardoor men gebukt moet gaan, om tenslotte te komen in een klein, laag keldertje, waar ruwhouten banken en tafels staan.
Het was er vol, meer dan vol zelfs. Voor het allergrootste gedeelte bestond het bezoek uit vreemdelingen die, gezeten achter hun glas champagne, luisterden naar de muziek en voordrachten van een stelletje verloopen kerels op een podiumpje. Alles wees erop dat het heele gevalletje geenceneerd was voor buitenlandsche toeristen en dat het kroegje niets te maken had met de studenten die er zoogenaamd plegen te komen. Het was echter een oud historisch gebouw, waaraan een of andere geschiedenis verbonden is en aan de wanden hingen grappige spreuken en aardige teekeningen, maar dat was ook het eenige interessante. Ik was dan ook blij toen we dat hol weer uit waren.
Via de Boulvd Kiche kwamen we vervolgens aan punt twee van ons programma van deze avond, de Turksche moskee. Onderweg panseerden wo o.a. de wijnkelders van Parija, een uitgestrekt gebouwencomplex, waar ongetwijfeld vele litertjes opgeslagen liggen. In het Turkache restaurant was de Engelsche invasie geweldig, geen plaatsje was er onbesot, zodat we zelfs in de queue moesten staan voor gelegenhold hadden het we dan plastaje kregen on awarte koffie leg to drinken.
In een hoekje jammerde en trommelde den Turksch musici. We konden een kijkje nemen in de vertrekken waar de Turksche warme baden genomen worden en zagen o.a. ook hoe de kerrie klaargemaakt en opgediend word, na verwarmd to aljn in gloeiende aach.
Na de Turken kwamen de Apachen aan de beurt. De auto bracht ons door nauwe straatjes, waar het wemelde van obscure kroegjes. Gelukkig lieten we deze keer de gelegenheden waarvoor het vol stond met autobussen links liggen en namen een kijkje in La Musette, een kroegje waar zoo goed als geen vreemdelingen kwamen, maar waar het vreemde Fransche element des te meer vertegenwoordigd was. De wonderlijkste typen zag je er, mannen als vrouwen verkleed, sommige zelfs met geverfde lippen en geschminkt gezicht dansten er met mannen. Omgekeerd zag je er ook vrouwen met mannenallures, kortom een wonderlijk zoodje was het wat er rondtolde op de muziek van een harmonicaorkestje, dat speelde, verscholen op een balconnetje, hoog boven de dansvloer.
Op de Butte van Montmartre was de sfeer weer heel anders. Door bochtige, nauwe straatjes kronkelden we omhoog, langs het bekende pleintje Place de Tertre tot de Sacré Coeur, die met zijn witte koepels mooi afstak tegen de maanverlichte hemel. Onder ons schitterde Parijs met zijn duizenden lichtjes. Hier hoog boven het stadsgewoel was het rustig en ook in La Bohème waar we geluisterd hebben naar de typische Fransche chansons en aardige voordrachten, waren maar weinig menschen, maar toch genoeg om het er knus en gezellig te vinden.
Toen kwam Bal Tabarin aan de beurt en meteen zaten we weer midden in de menschenmassa’s. In de buurt van het theater was bijna geen plaatsje meer vrij om onze auto te parkeeren, alles stond prop en propvol. Voor de ingang van Tabarin strekte zich een lange file uit, die geduldig wachtte tot de deuren ook voor hun opon zouden gaan.
Binnen word onder hoogspanning gewerkt. Mot het oog op do enorme toeloop moest die avond het programma vijf maal herhaald worden om zooveel mogelijk menschen tevreden te stellen. Uit de aard der zaak moest, wat ons betrof, het programma de hoofdzaak zijn. Van rustig blijven zitten en eventueel een dansje maken was absoluut geen sprake, daar alle tafeltjes reeds besproken en bezet waren. Ook aan de bar was geen krukje meer vrij. De menigte stond, zat of hing waar maar een plaatsje vrij was, om, zoodra de voorstelling afgeloopen was, plaats te maken voor de volgende groep.
Het gebodene was inderdaad van dien aard, dat de enorme toeloop volkomen gewettigd was. Wat hier vertoond werd, was af, de meest fantastische tafereelen ontrolden zich voor onze oogen, maar boven alles uit schitterde één danseres die werkelijk fenomenaal was. Zelden zag ik zoo iets moois. Het was een daverend slot van onze nachtelijke tocht door Parijs.
Nadat het echtpaar met hun dochter aan hun hotel afgezet was, hebben wij drie jongelui met de gids onze speurtocht door Parijs verder voortgezet en zijn een kijkje gaan nemen in een “maison tolérée”, waar een 40-tal meisjes met weinig of geen kleeren aan zich onder de bezoekers bewogen om ze aangenaam bezig te houden of om boven nog iets extra’s te verdienen. Het was een typisch Parijsche gelegenheid en zooiets moet je toch ook gezien hebben.
Het was bijna 4 uur in de morgen toen ik met onze Engelschman die ook in de buurt van de Gare du Nord logeerde, naar mijn hotel terugwandelde, door de nu vrijwel verlaten straten en boulevards. Toch waren we de volgende morgen weer op tijd present om Parijs verder te bekijken.
Na het ontbijt reden we met een bus naar de Notre Dame, waar we een gedeelte van de mis hebben bijgewoond, al loopende door de prachtige kathedraal, waar het op die eerste Paaschdag vol was van geloovigen en bezoekers.
Vervolgens hebben we wat rondgescharreld op de Ile de Citée en langs de kaden van de Seine en hebben rondgeneuad bij de bekende bookenstalletjes. Hoewel de boeken de hoofdschotel vormen van wat er te koop is, kan je er verder toch van alles en nog wat krijgen, tot de moest gekke dingen toe. Het zijn gezellige stalletjes, waar je tijden kunt doorbrengen mot het neuzen in al die rommel.
De bus bracht ons weer naar huis terug. Voor de variatie hebben we toon geluncht in Alzaque, een keurig ingericht restaurant in de buurt van het hotel, waar we ons deze keer getracteerd hebben op een voortreffelijke en uitgebreide maaltijd. Dit was waar de oorzaak dat we ons met bekwame spoed moesten begeven naar het punt van uitgang voor onze tocht naar Versailles. In een volgeboekte bus reden we er heen via het dorpje Sèvres, bekend door zijn porceleinfabrieken. Het was een tamelijk onbelangrijke rit, waar weinig te zien viel. Gelukkig bracht de terugtocht meer variatie, toen we langs een omweg naar Parijs terugkeerden door de bosschen van Longchamps en het Bois de Boulogne.
Het bezoek aan Versailles gaf niet dat wat we er van verwacht hadden. Daarvoor was het veel en veel te druk. Een ontzaglijke, compacte menigte, natuurlijk voor het meerendeel Engelschen, schuifelde voetje voor voetje door de prachtige zalen, waar veel mooi’s echter onzichtbaar bleef achter de menschenmassa’s. Alleen in de beroemde Spiegelzaal kon je je even vrij bewegen, maar verder was het hopeloos.
Ik was daarom blij toen deze ware lijdensweg eindelijk geheel afgelegd was. Hoewel het een feestdag was, spoten de fonteinen niet, zoodat ook de beroemde waterwerken van Versailles ons niet als pleister op de wonde konden dienen. Moe en eenigszins teleurgesteld kwamen we ’s avonds weer in Parijs terug.
In een groot restaurant aan een van de Grands Boulevards hebben we gegeten en zijn toen naar huis teruggekeerd om nog even te rusten, voordat we voor het laatst weer de stad in zouden gaan. Hoewel we ons met moeite van ons heerlijk bed konden scheiden, zijn we toch nog uitgegaan daar het toch te gek zou zijn om in Parijs zijnde, een heele avond thuis te blijven. We zouden het echter niet te laat naken en besloten om in de buurt te blijven. In Olympia, een dancing aan de Bl. des Capucines, hebben we een whisky gedronken, hebben het gekrioel op de dansvloer een tijdje aangekeken en zijn toen voor het laatst de feestelijk verlichte boulevards afgewandeld.
Een bus bracht ons verder naar het hotel en toen konden we eindelijk met goed fatsoen onze moede ledematen uitstrekken. Zoo heel lang kon deze welverdiende rust toch ook weer niet duren, want al heelvroeg moesten we weer op zijn, daar de trein naar Holland al om 8 uur zou vertrekken. Het spreekt van zelf dat eengroot deel van de reis slapende werd doorgebracht, wat weer dit voordeel heeft, dat de reis beduidend korter leek. Op een moment dat ik wakker was en naar buiten keek, zag ik opeens een lange, kleurige sliert wielrenners in de felle zon over de heuvelachtige wegen zwoegen. Waarschijnlijk was dat de traditioneele wegwedstrijd Parijs-Roubaix, die iederm jaar verreden wordt.
In Brussel nam Kuypers afscheid van me. Nog twee keer moest ik overstappen en toen was Utrecht weer bereikt en mijn Paaschreès ten einde.