
Wim maakte de meeste reizen als vrijgezel in de jaren dertig van de vorige eeuw. In mei 1940 viel Duitsland ons land binnen en was het gedaan met het vrije reizen door Europa. Toch reisde Wim nog door Nederland, zowel voor zijn plezier als voor werk. Maar dan ontmoet hij mijn moeder, Bertha Marie Kool, waar hij dolverliefd op is. Natuurlijk gaan ze samen op reis – maar liefst zestien dagen lang trekken ze naar Geulheim, een klein plaatsje in Limburg, nabij Valken burg. Hier is zijn verhaal.
Over de groote rivieren is de trein gedaverd, langs Utrechts groene weiden en de bosschen en akkers van Brabant. Voorbij Weert begint het Limburgsche land, komt die aantrekkelijke streek met z’n glooiende velden, waar het koren nog staat te rijpen. Fel schijnt de zon op de witte, stoffige wegen, die als slingerende linten door het golvende landschap gaan. Het is eindelijk droog nu, de natte koude zomer schijnt voorbij. In de trein is het warm, door het open raampje komt maar nauwelijks een verfrisschend zuchtje binnen, waar onze medereizigers opgepropt zitten en staan temidden van hun bagage.
Toch zijn we in een goede vacantiestemming, buiten volop zonneschijn en in onze harten ook, want zestien dagen lang zouden Béby en ik samen zijn, samen in de heerlijke natuur, genietende van onze vrijheid. Onze eerste vacantiereis. Had ik kunnen zingen als die eene coupeegenoot, dan had ik ook mijn vreugde uitgegalmd in Italiaansche aria’s. Dit moest nog wel een reis in eigen land worden, maar toch, in dat meest zuidelijke puntje van Nederland konden we ons vaak in het buitenland wanen.
Buitenlandsch wordt het uitzicht al wanneer we Maastricht naderen. Links de hooge heuvels en aan de andere kant van de spoorbaan een diep, dicht begroeid ravijn, dat omlaag glooit naar de Maas. Tusschen het groen een oud, wit kasteel. Buitenlandsch is ook al de sfeer in de coupee, een paar zigeunertypen zitten er en vreemd klinkt ons het zangerige Limburgsche dialect in de ooren.
In Maastricht lange internationale treinen, Fransche, Duitsche en Belgische wagons voor Cherbourg, Kiel en Brussel. In een vreemde taal schallen over de perrons mededeelingen door de luidsprekers. Op het station een groote drukte van zwoegende menschen met zware koffers en pakken. Werkelijk, ik had het gevoel in het buitenland te zijn. Dan zitten we opnieuw opgepropt in het boemeltreintje dat ons naar Geulhem brengt. Zoo mogelijk is het hier nog voller, meest met vacantiegangers die veel bagage bij zich hebben, groote valiezen met verleidelijke kleurige hotelplakaten beplakt, die herinneringen oproepen aan verre reizen in die goede tijd, toen je nog gaan kon waarheen je wilde. En behalve de koffers hebben vele hun wandelstokken meegenomen, “bergstokken”, met groote ijzeren punten, die ook al niets te maken hebben met een wijd Hollandsch polderland, maar je doen denken aan echte bergen, of tenminste aan flinke heuvels, zooals in de Ardennen of in de Harz en langs de Rijn.
Aan weerszijde van de baan zien we ze al voorbij glijden, de glooiende hellingen van Zuid Limburg waarop de bonte vakken staan van de velden en de bosschen, groen en bruin en geel. Vlakbij zien we boomgaarden, de boomen volbeladen met fruit, bijna voor het grijpen, een tantaluskwelling voor een stadsmensch, voor wie in deze tijd van schaarschte een appel of een peer bijna een onbereikbaar iets is geworden. Op het stationnetje van Houthem-St.Gerlach stappen we uit. We wringen ons door de opgepropte mede reizigers heen, klauteren over koffers en valiezen en staan dan op een landelijk perronnetje, waar het alleen even een drukte geeft als er een trein is aangekomen. Rondom ligt het mooie land te blakeren in de middagzon. De gele korenaren wiegen zachtjes op de wind, witte wegen slingeren langs de begroeide heuvels en daar, aan de kant van Geulhem, waar we naar toe moeten, rijst het bosch omhoog, waar bovenuit een uitkijktoren steekt. Geen mensch haast is te zien, heerlijk rustig is het hier, een bekoorlijk plekje. Een groote vreugde doorstroomde me toen ik daar stond samen met mijn vrouwtje, met onze koffers in de hand, op weg naar het hotel waar we tien dagen samen zouden doorbrengen.
Onze eerste vacantie samen. Een heerlijkheid zoo’n tijd voor de boeg te hebben in deze aantrekkelijke, landelijke omgeving, met een blauwe hemel boven je en volop zonneschijn. Herinneringen schoten me te binnen aan andere reizen, toen ik óók op een warm middaguur aankwam op een dergelijk eenzaam plaatsje, met een even prachtige omgeving, die middag op Capri, toen ik van boord was gegaan en langs het verlaten, zonbestoven steenig strandje van de Marina Grande groote krabben voort zag scharrelen tusschen de omhoog getrokken visschersschuiten.
En eenige jaren later, toen ik aankwam in Voss, het stille Noorsche dorpje met z’n witte huizen aan een spiegelend meer. Rondom stonden de bergen als trouwe wachters. Geen levend wezen zag ik er toen de trein weer was vertrokken, alleen het ver geklingel van een koebel was het wat de stilte verbrak. Nu beleefde ik iets dergelijks, maar nu was het nog mooier, want nù had ik mijn vrouwtje bij me.

Langs de verlaten weg zeulden we met onze zware koffers, waarvan één tot overmaat van ramp ook nog het hengsel was gebroken, moeizaam voort, tot opeens, als een reddende engel een oud mannetje ons tegemoet kwam en onze bagage achter op zijn fiets bond. Het bleek de eigenaar van hotel “Berg en Dal” te zijn, die eens kwam kijken waar of zijn gasten bleven, die hij al een trein eerder had verwacht. We naderden nu de begroeide heuvelrug en passeerden de Geul, een dartel stroompje, dat zich via een waterval kronkelde door de met boomen begroeide weiden. Een typisch Limburgsch landschap, met de wit-zwarte koeien grazende onder de boomen, of tot het lichaam in het water staande van de ruischende Geul.
Aan het einde van de witte weg lag het hotel, aan de voet van een steil omhoog loopende mergelrots. We waren verrukt, eenig lag het daar, als een echt landelijk berghotelletje. De kamers waren wel niet zoo bijzonder comfortabel, maar het uitzicht vergoedde veel. Vlakbij stroomde de Geul, dag en nacht hoorden we hem ruischen over de waterval bij het scheprad van de oude watermolen, schuin tegenover. Vanuit ons venster konden we het water zien schitteren en glanzen tusschen de hooge populieren door. Verderop lagen de weiden en nog verder de akkers op de heuvels aan de overkant van het dal. Soms zagen we de trein voorbij rijden, heel in de verte, of een enkele auto over de groote verkeersweg naar Valkenburg. Vaak hebben we gezeten hier, als we moe waren thuisgekomen van een lange wandeling.
Liever zaten we hier met ons beidjes in onze kamer, dan beneden op het terras bij de andere gasten. Dan keken we uit over het langzaam verdwijnende landschap, dat zich bijna onmerkbaar oploste in de komende duisternis. Eerst trok de mist op, een witte grondnevel waarin de koeien schenen te drijven. Maar boven de heuvels kleurde de hemel zich rood door de ondergaande zon. Prachtige wolkenluchten waren het vaak. “Morgen weer mooi weer”, zeiden we dan tegen elkaar, en zoo was het ook weer iedere dag. Koel waren de ochtenden, de nevel begon in het dal pas tegen het middaguur geheel weg te trekken, maar heerlijk was het juist dan om een verre wandeling te gaan maken, door de korenvelden, langs de Geul of over de weiden en door de boomgaarden, langs smalle weggetjes, een kronkelend voetpad of soms langs heele-maal geen pad, maar dwars door het kreupelhout heen of over de stoppels van een pas gemaaid korenveld. Op een keer waren we heelemaal het pad kwijt geraakt. Langs de golvende akkers waren we de heuvels opgeloopen, voorbij een paar groote boerderijen en door een bosch, allemaal precies terug te vinden op de stafkaart die ik bij me had, maar toen opeens verdween het pad.
Na een steile weg omhoog waren we een schietbaan over gestoken en aan de andere kant daarvan stonden, we plotseling op een groote open weide, afloopende naar alle kanten, als was het het hoogste puntje van de wereldbol. In de verte een boerderij en rondom bosch. Een vergeefsch probeerden we het pad terug te vinden. Steeds hooger werden de varens onder de boot totdat we er nauwelijks meer bovenuit konden kijken. Langs de vrij steile hellingen lieten we ons toen omlaag zakken, dwars door het bosch, totdat we eindelijk weer een open vlakte voor ons zagen.
Vlak beneden ons, in het dal, lag toen Valkenburg, de witte huisjes blakerend in het felle zonlicht. Zoo maakten we iedere dag een dergelijke wandeling, telkens een andere kant op, maar steeds even mooi. Dan liepen we heuvels op en af, soms door bosch, soms door de akkers en van tijd tot tijd voorbij een aardig dorpje. Als we de groote weg naast ons hotel op liepen, slingerend omhoog naar Berg, dan kwam je in een typisch Limburgsch dorp met oude verweerde huisjes, helder wit gekalkt. Dan was het een lust om er rond te loopen door de kronkelende straatjes, voorbij de kerk met z’n hooge stevige toren en langs de boerderijen, waar je door de breede inrijpoort op de binnenplaats kon kijken, waar de mestvaalt geurde en waar de kippen ronds charrelden in de modder.
Langs de hellingen stonden de boomgaarden. Vaak zijn we met een leege tasch de weg omhoog gegaan, om met een boorde- volle weer terug te keeren, gevuld met appels en peren of met pruimen, zelf geschud van de boomen. En telkens viel er dan weer op zoo’n wandeling te genieten van een prachtig verge- zicht, een torentje weggedoken achter de heuvelruggen, een slingerend pad door de gouden korenvelden of een holle weg in het groen. En overal die zangerige taal van het Limburgsche dialect, vriendelijke menschen over het algemeen, die je graag behulpzaam willen zijn en liever hun fruit aan een Hollander willen verkoopen, dan het te moeten brengen naar de veiling. Béby liep dapper mee, urenlang tippelde ze stevig door, par- mantig stappend met d’r nieuwe bergstok met ijzeren punt.
Als we moe waren thuisgekomen en hongerig van de verre wandeling, lieten we ons het eten heerlijk smaken. De kost was goed in het hotel, ruim voldoende en heel smakelijk klaargemaakt. Fruit kregen we in overvloed, appels, peren, druiven en pruimen en ook perziken en meloen. Het ging er heel gemoedelijk toe. Als we niet genoeg hadden, ging ik met de leege schaal of schotel zelf de keuken in om nieuwe voorraad te halen. Ook kwamen we iedere dag een beker volle melk vragen aan het oude vrouwtje dat er in de keuken stond. ’s Nachts sliepen we als rozen. Er stonden wel twee bedden in onze kamer, maar toch kropen we bij elkaar, samen in het grootste ledikant.

Door het open raam hoorden we de geluiden van de nacht, steeds het ruischen van de Geul over de waterval of soms het ritselen van de bladeren in de populieren. Dikwijls klonk de stap van een late wandelaar nog na elven door de avondstilte. Hier, in dit vrije oord hield men zich niet aan de verplichte “sperr-tijd”. Aan de overkant, in de tuin van het café “De Waterval” was een stel trekkers gekampeerd. Rondom een houtvuur zongen ze iedere avond hun kampliedjes met een begeleiding van een guitaar. Vanuit ons open raam zagen we de rook omhoog kronkelen door de windstille avond en met het eeuwig ruischen van het riviertje klonken dan de aardige krontjong wijsjes en de cowboy songs. Natuurlijk hoorden we ook de noodige keeren de “Ouwe Taaie”, hèt nieuwste volksdeuntje van deze tijd.
In Valkenburg, het centrum van toeristisch Nederland, waar anders het “Overal, waar de meisjes zijn” en “Van je heila, hola, Houdt er de moed maar in” hoogtij vieren, werden ook deze klassieke liederen op de achtergrond gedrongen door onze “Ouwe Taaie”. Toeristisch Nederland, het is werkelijk de moeite waard om onze landgenooten met vacantie voorbij te zien trekken, als het niet vaak een voortdurende ergenis was door de baldadigheid die ze bij dergelijke gelegenheden ten toon spreiden en door de houding die men aanneemt en zelfs door de kleeding die men al of niet aanheeft.
De gebruikelijke bordjes met “Verboden Toegang” worden in Valkenburg aangevuld met mededeelingen dat het bovendien ook niet is toegestaan om de huizen te vernielen, dat er geen namen gekrast mogen worden op de muren en dat van de Burcht geen steen en omlaag gegooid mogen worden op de daken van de lager liggende huizen. Dergelijke verboden typeeren wel heel duidelijk de Nederlander met vacantie. Maar niettegenstaande dat is Valkenburg toch één groot adresboek geworden, ontsierd met allerlei namen van ontelbare baldadige lummels, die hun vernielzucht moeten botvieren met het krassen en snijden van hun onbeduidende namen in steen en hout of waar maar iets te vernielen is van de natuur of architectuur. Als je er zit op een van de caféterrassen aan het Monumentenplein, het centrum van Valkenburg, bij de oude begroeide Berkelpoort, trekt het vlottende deel van de bevolking onafgebroken langs je voorbij, dikwijls uitgedost in de meest fantastische kleedij, de ijzeren punten van hun bergstokken klikkend over het asphalt. Als men met vacantie is, moet men vooral niet “gewoon” doen, schijnt de leuze. te zijn. Laten we vroolijk zijn en gek doen, laten we eens ongegeneerd uit de band springen! In Geulhem, in ons rustige hotel hadden we daar gelukkig geen last van. In de loop van den tijd dat we er logeerden, zagen we heel wat menschen komen en gaan. Zoo langzamerhand zagen we de heele familie veranderen, werden wij zelf van nieuweling de oud-gast, totdat ook voorons de tijd was gekomen om te vertrekken. Het was aardig om al die menschen te observeeren. Iedere nieuweling werd getaxeerd en becritiseerd. Over het algemeen waren het rustige, nette menschen, meest wat burgerlijk vaan aard. Sommige erg stijf, die in hun nette stadskleeren zitten bleven op het terras, in plaats van in een luchtige zomerjurk of in een sportieve short te gaan liggen bruinbranden in de zon. ’s Morgens waren we meestal pas tegen een uur of negen beneden aan het ontbijt. De laatsten waren we dan nog lang niet. Lekker bleven we nog wat luieren, nadat we wakker waren geroepen, niet door een kraaiende haan, maar door het loeien van de koeien in de weiden rondom.
Na het ontbijt gingen we dan direct op stap, telkens een andere kant op. Vaak zijn we ook het mooie weggetje afgeloopen langs de Geul naar Valkenburg. Op en neer loopt het kronkelende pad, langs het Paradijs, de Kloostergroeven en de “Verliefde boomen”, nu eens met de Geul vlakbij, dan weer met het riviertje diep beneden je stroomende, als je omlaag kijkt langs de steile helling. En ergens, bij een kromming van het stroompje, daar waar het pad opeens omhoog loopt, stonden altijd wat koeien in de Geul, onder de overhangende wilgentakken, dom starend in het niet, tot hun buik in het water, afkoeling zoekend in het frissche nat. Het was een alleraardigst tafereeltje, dat veel fotograven trok. Het was of ze er speciaal voor poseerden om de toeristen een typisch Limburgsch kiekje te kunnen laten maken.
En op een Zondag, een broeiend heete dag vol felle zonneschijn, lag het er vol van vacantiegangers, in zwempak in of langs de Geul, of in hemdsmouwen, zonder het knellende boordje om, in hun zondagsche pak op het gras gezeten, huisvaders en moeders met rood bezweete gezichten en joelende kinderen. Uit de verte klonk het rumoer van het openluchtbad. Daar was het een gekrioel als in een mierennest. Er was geen doorkomen aan, het was één compacte, transpireerende, stinkende menschenmassa, waarvoor we gauw gevlucht zijn. Een paar dagen tevoren hadden we er al gezwommen en gezond in het gras rondom de zwembasins, toen het er niet zoo overvol was. Liever zaten we nu in de tuin van een hooggelegen restaurant bij het Koningswinkelbruggetje, vanwaar we een aardig uitzicht hadden op het weggetje naar Valkenburg, waar het op die mooie Zondagmiddag bijzonder druk was. Voorbi Valkenburg, langs Kasteel Oost, ook langs de Geul, loopt een dergelijk mooi pad voorbij de “Drie Beeldjes”, naar Schin opn Geul, overschaduwd door hoog, lommerrijk geboomte. Vanaf het bruggetje bij de “Drie Beeldjes” ziet men het Kasteel Chaloe liggen en even verder loopt een pad omhoog naar de Kluis op de Schaesberg. Genoten hebben we daar van het prachtig vergezicht, gezeten op de rand van een pas gemaaid korenveld. Aan onze voeten lag het wij de Limburgsche heuvelland als een stralend, zonnig schilderij, de gouden korenvelden, de bosschen en de weiden.
Een trein zagen we voorbij stoomen en heel in de verte, als een kleine brommende tor van tijd tot tijd een auto, voortkruipende langs het witte lint van den weg, fel schitterend als het zonlicht op de ruiten viel. Heerlijk was het daar, lui liggend in het gras, met een zon, die je langzaanaan bruin brandde. Over de Goudsberg liepen we verder over de heuvelrug tot een klein dorpje, bestaande uit wat witte boerderijen en van daar weer terug naar Valkenburg, over het hobbelige pad, waarlangs het koren stond en de vruchtboomen, zwaarbeladen met heerlijk fruit. Overal werd het koren nu gemaaid en af en toe kregen we een groet van de arbeiders in het veld, die op dit heete middaguur even rustten van het zware werk en hun boterhammen aten met een slok koffie uit een blauw blikken keteltje. Op en neer ging het pad, waar hier en daar een scheef gezakt Christusbeeldje stond in zijn nis.
In een dal lag een eenzame boerderij, een flinke hoeve met rondom glooiende weiden, waarlangs het vee huiswaarts kwam geloopen om gemolken te worden. Soms zaten we even stil en klonk het rumoer van het openluchtbad. Daar was het een gekrioel als in een mierennest. Er was geen doorkomen aan, het was één compacte, transpireerende, stinkende menschenmassa, waarvoor we gauw gevlucht zijn. Een paar dagen tevoren hadden we er al gezwommen en gezond in het gras rondom de zwembasins, toen het er niet zoo overvol was. Liever zaten we nu in de tuin van een hooggelegen restaurant bij het Koningswinkelbruggetje, vanwaar we een aardig uitzicht hadden op het weggetje naar Valkenburg, waar het op die mooie Zondagmiddag bijzonder druk was. Voorbij Valkenburg, langs Kasteel Oost, ook langs de Geul, loopt een dergelijk mooi pad voorbij de “Drie Beeldjes”, naar Schin op Geul, overschaduwd door hoog, lommerrijk geboomte. Vanaf het bruggetje bij de “Drie Beeldjes” ziet men het Kasteel Chaloen liggen en even verder loopt een pad omhoog naar de Kluis op de Schaesberg. Genoten hebben we daar van het prachtig vergezicht, gezeten op de rand van een pas gemaaid korenveld. Aan onze voeten lag het wij de Limburgsche heuvelland als een stralend, zonnig schilderij, de gouden korenvelden, de bosschen en de weiden.
Een trein zagen we voorbij stoomen en heel in de verte, als een kleine brommende tor van tijd tot tijd een auto, voortkruipende langs het witte lint van den weg, fel schitterend als het zonlicht op de ruiten viel. Heerlijk was het daar, lui liggend in het gras, met een zon, die je langzaanaan bruin brandde. Over de Goudsberg liepen we verder over de heuvelrug tot een klein dorpje, bestaande uit wat witte boerderijen en van daar weer terug naar Valkenburg, over het hobbelige pad, waarlangs het koren stond en de vruchtboomen, zwaarbeladen met heerlijk fruit. Overal werd het koren nu gemaaid en af en toe kregen we een groet van de arbeiders in het veld, die op dit heete middaguur even rustten van het zware werk en hun boterhammen aten met een slok koffie uit een blauw blikken keteltje. Op en neer ging het pad, waar hier en daar een scheef gezakt Christusbeeldje stond in zijn nis. In een dal lag een eenzame boerderij, een flinkeb hoeve met rondom glooiende weiden, waarlangs het vee huiswaartsnkwam geloopen om gemolken te worden. Soms zaten we even stil op een berm langs de weg en genoten dan van het eenig mooie landschap. Béby liep maar steeds dapper mee, ze kende geen vermoeienis. Een prettige kameraad is mijn lieve vrouwtje, óók op ee verre wandeltocht. Een keer hebben we even slecht weer gehad.
Op een dag dreven de wolken niet weg, maar bleef de lucht betrokken. Het was zwoel en drukkend, er dreigde een onweer. Die dag zijn we naar Valkenburg geloopen voor een bezoek aan de Romeinsche Catacomben, een natuurgetrouwe copie van die te Rome Evenals in Rome, toen we achter een bruin gepij de Capucijner-monnik de duistere gangen afdaalden, allen voorzien van een kaarsje, maakten we ook hier onze rondgang door de onderaardsche gewelven met een flakkerend vlammetje in de hand. Opnieuw zag ik de smalle gangen, waar aan weerskanten de nissen waren weggehakt in de mergel om er de lijken in te begraven, eindeloos, als een onontwarbaar labyrinth. Wéér zag ik de kapellen en altaars, waar de eerste Christenen in het geheim en in de duisternis hun godsdienstoefeningen moesten houden, achtervolgd als ze werden door de Romeinsche keizers.
Maar nieuw voor mij was het beeld van de Heilige Cecilia, dat ik daar zag in een kapel, gewijd aan deze martelares, een wondermooi beeld, dat ontroerde door zijn schoonheid. Als lag daar werkelijk die vrouw neergeslagen door het zwaard van den beul, de handen en voeten geboeid, de plooien van haar kleed soepel hangend over het tengere, ineen gedoken lichaampje. Hoewel maar in marmer uitgehouwen, toch een brok leven, een meesterstuk van de beroemde Romeinsche beeldhouwer Maderna.
Toen we uit de kille, klamme gangen weer in de buitenlucht kwamen, sloeg de warmte je tegemoet. Een paar dikke droppels begonnen al te vallen, maar nog droog kwamen we in ons hotel in Geulhem terug. ’s Middags begon het onweer. Plotseling viel de regen in stroomen neer, bliksemstralen doorkliefden de donkere onweershemel en voortdurend gromde de donder, nagalmend tusschen de omringende heuvels. De natuur frischte heerlijk op en toen de bui was weggetrokken, was het fijn weer een wandeling te maken. Die avond liepen we naar Meerssen, langs het natte pad, waarop duizenden