Zondagmorgen, 23 Juli 1939, om 11.53 begon de reis met een sensationeel vertrek uit Utrecht. Ik vertrok in een stroomende regen, moest daardoor een taxi nemen, die echter veel te laat voor kwam rijden, zoodat het niet veel scheelde of ik had mijn trein gemist. De doorgaande wagons naar Duitschland waren alle stampvol, maar ik kon toch nog ergens een hoekplaats bemachtigen. Gedurende het eerste deel van de reis viel de regen voortdurend in stroomen neer. Het was dus een troosteloos begin. Maar na regen komt zonneschijn en ook nu werd dit spreekwoord bewaarheid. Gedurende de geheele verdere reis heb ik niet over het weer te klagen gehad, integendeel, ik had reden uiterst tevreden te zijn om in deze natte zomer juist die dagen in mijn vacantie te treffen, die bij uitzondering zonneschijn brachten.
In Bentheim moest ik even de trein uit voor de gebruikelijk “Geldbescheinigung”. Opvallend was deze keer de groote voorkomendheid van de Duitsche douanebeambten. Nu Duitschland door de politieke omstandigheden lang niet meer zooveel vreemdelingen trekt, schijnen ze op die manier waarschijnlijk te probeeren om de menschen die nog komen, het zoo aangenaam mogelijk te maken. In Osnabrück moest ik overstappen in de trein naar Hamburg. Viel op het eerste deel al weinig moois van het landschap te bewonderen, na Osnabrück werd het nog eentoniger. Gelukkig maakte ik hier kennis met een Zweed, waarmee ik het verdere gedeelte van de reis gezellig heb zitten praten, waardoor de ruim drie uren die me nog van Hamburg scheidden, betrekkelijk vlug om waren.
Aan de stations die we aandeden heerschte overal een groote drukte. Vooral in Hamburg was het heel vol op de perrons. Later bleek me wat de oorzaak ervan was. In Hamburg werd die dagen juist een groot congres gehouden door “Kraft durch Freude”, met daaraan verbonden feestelijkheden, als optochten door de feestelijk versierde stad en vuurwerk aan de Alster. Met dat gevolg, dat het ook in de stad zeer druk was, alle openbare gelegenheden overvuld waren en ook in de hotels nog maar met moeite een plaats te krijgen was. Dat heeft mijn Zweedsche reisgenoot aan den lijve ondervonden, toen hij ruim twee uur heeft moeten zoeken alvorens een kamer te vinden.
Ik had gelukkig van te voren plaats besproken in Hotel Reichshof, een groot, mooi hotel vlak bij het station gelegen. Ik kreeg een keurige kamer. Trouwens het heele hotel was eersterangs, beneden een groote hall met winkeletalages en verder overal keurig ingerichte zalen en salons. Direct nadat ik me wat opgefrischt had van de lange treinreis, ben ik de stad ingegaan om te gaan eten. Zoo makkelijk ging dat echter niet, want het viel niet mee een behoorlijk plaatsje te vinden.
Tenslotte, in het “Deutscher Bierhaus”, een groote zaal met muziek, heb ik een kansje gewaagd en inderdaad, daar vond ik nog een open plaats, zij het aan een tafeltje waaraan al drie Duitsche jongelui zaten. Het waren echter aardige kerels al droegen ze het Nazi-insigne. Ze vertelden me o.a. dat er die avond een groot vuurwerk gehouden zou worden aan de Alster. Het eten in Duitschland viel me mee, al was het er vrij duur. Neem je iets extra’s, b.v. nog een sneedje brood, dan moet je daarvoor ook iets extra betalen, zelfs het brood- je dat je anders bij een diner er altijd bij krijgt, wordt nu berekend. Ik bestelde een “Eintopfgericht” bestaande uit vleesch, twee flinke stukken, met aardappelpuree en een goulaschsaus met veel champignons. Een glas bier voltooide mijn diner.
Na het eten ben ik de met vlaggen versierde stad ingeloopen. Het was er gezellig wandelen langs de breede winkelboulevards. Overal zag ik groepen in nationale kleederdrachten, allemaal menschen die die middag mee hadden gedaan aan de optocht. Het weer was inmiddels heelemaal opgeknapt. Hoewel ik mijn regenjas uit voorzorg nog had meegenomen, heb ik hem niet noodig gehad, ook niet gedurende het verdere gedeelte van de reis, met uitzondering van een keer in Göteborg.
Tegen tien uur, het moment dat het vuurwerk zou beginnen, was ik aan de Alster present. Een enorme menschenmenigte had zich reeds langs de oevers van het meer opgesteld. Het vuurwerk was voor iedereen duidelijk zichtbaar, want de vuurpijlen, die onafgebroken en met veel variaties omhoog schoten, daarbij vaak de heele omgeving in vol daglicht zettend, ontploften allen op groote hoogte. Het was een onafgebroken geknal en geknetter dat hooren en zien je verging. “Trommelfeuer”, hoorde ik overal de Duitschers tegen elkaar zeggen.
Het duurde precies een half uur, daarna werden langs het meer flambouwen van bengaalsch vuur aangestoken en belicht door het flakkerende schijnsel van de toortsen, trok de menigte langzaam weg. Toen ik uit het gedrang was, ben ik kalmpjes aan naar het hotel terug gewandeld.
De volgende morgen om 8.54 werd de reis naar Kopenhagen voortgezet, na eerst goed ontbeten te hebben in de groote eetzaal van het hotel. Op het stationsplein zag ik honderden jongens van de Hitler Jugend in hun bruine uniform met een ransel op de rug, bezig zich daar op te stellen. Op het afgesproken uur ontmoette ik mijn Zweedsche kennis, die met dezelfde trein via Kopenhagen naar Stockholm door zou reizen.
Op de perrons was het weer enorm druk, zoodat de meeste treinen te laat vertrokken. Ook onze trein kwam met vertraging binnen. Er waren twee doorgaande wagons naar Kopenhagen. De stem door de luidspreker deelde mede, dat deze wagons uitsluitend bestemd waren voor reizigers met een ticket tot Kopenhagen, maar toch werd het een gedrang om een plaats te krijgen. Na flink doorzetten gelukte het me echter toch om bijtijds een mooi hoekplaatsje te bemachtigen.
In de Hollandsche trein, op weg naar Duitschland, zat ik met uitsluitend Duitschers in mijn coupee, nu, in Duitschland, op weg naar Denemarken, was ik de eenige Hollander temidden van Denen en Zweden. Behalve mijn Zweed had ik als reisgenooten een jong Zweedsch echtpaar, een idem Deensch stel en een losloopende Deensche mijnheer. Het waren alle aardige, hartelijke menschen en ik kreeg alvast een voorproefje van wat ik steeds gelezen had, n.1. dat de Denen zoo buitengewoon voorkomend en vriendelijk zijn.
De Scandinaviers zijn inderdaad over het algemeen gemoedelijke lui. In de treinen gaat het ook echt huiselijk toe, heel anders dan b.v. in Holland. In een artikel in het Maandblad van de Nederlandsche Spoorwegen lasik net, dat de Zweden, die meestal heel groote afstanden moeten afleggen, weten hoe ze het zoo aangenaam mogelijk moeten doen, zonder direct te vallen over kleinen onvolkomenheden.
De wagons in Scandinavië, ook de 3e klas, zijn gerievelijk ingericht, overal zachte banken, veel ruimte en breede ramen. In elke wagon vind je de noodige spuwbakjes, karaffen met water en eenige glazen. Voortdurend loopt er een vrouw door de trein die alles schoonhoudt en geregeld de gangen bij veegt. Van tijd tot tijd komt er een jongen langs, beladen met kranten en tijdschriften of eentje met versnaperingen en rookgerei.
Vooral in Noorwegen wordt aan de haltes vrij lang gestopt, soms zelfs 8 tot 10 minuten. Dan rent iedereen naar het restaurant of loopt wat op en neer om de beenen wat te strekken. Iedereen heeft de noodige lectuur bij zich. Hebben ze hun krantje of tijdschrift uitgelezen, dan bieden ze het hun medereizigers aan, voorzo over die er nog niet zelf ommgevraagd hebben. Vrijwel in iedere trein rijdt een restauratiewagen mee. Onder de reizigers worden folders uitgedeeld, waarin je, behalve de noodige bijzonderheden kunt lezen over de maaltijden en prijzen, ook een overzicht vindt van de tijden van vertrek en aankomst van alle stations op die route, het aantal afgelegde en nog af te leggen kilometers en de ligging van de plaatsen ten opzichte van het zeeniveau. Overal dus een service waar je veel plezier en gemak van ondervindt en die aangenaam aandoet. Zoo wordt het reizen door Scandinavië een genot, ook al wanneer men maar 3e klas reist.
In de 2e klas heeft men bovendien speciale salonrijtuigen, waar men, gezeten in groote fauteuils, nog comfortabeler kan genieten van het schoone uitzicht dat Scandinavië in zoo ruime mate biedt. In zoo’n wagon heb ik indertijd de reis gemaakt van Stockholm naar Tralleborg.
Het traject van Hamburg, via Lübeck naar Warnemünde, was, in tegenstelling met de reis van de vorige dag, zeer de moeite waard. Het was een aardig golvend landschap vol variaties, veel bosschen en hier en daar een meertje. Bovendien scheen de zon weer, wat het uitzicht nog meer ten goede kwam. Tegen12 uur bereikten we Warnemünde. Van te voren hadden we in de trein al bezoek gehad van resp. de Duitsche en Deensche douanebeambten, zoodat we direct aan boord konden gaan van de veerboot “Danmark”.
De twee doorgaande rijtuigen werden op de boot gerangeerd en daarna konden we, daar we toch gereserveerde plaatsen hadden, de wagon verlaten en aan boord ergens op de ruime dekken of in een van de groote salons gaan zitten. Het zijn flinke booten, bovendien hadden we een gladde zee, zoodat de overtocht, die ongeveer twee uur duurde, een aangename onderbreking werd van de lange treinreis.
Warnemünde is een Duitsche oorlogshaven. Vanuit de trein zag ik verschillende typen oorlogsschepen aan de kaden liggen, eenige duikbooten kwamen juist binnen varen. Boven ons hoofd ronkten voortdurend vliegtuigen, waarvan een een serie stunts uitvoerde. Het wachten was op een andere trein, die ook een paar wagons op de veerboot moest afleveren. De opengebleven plekken werden gevuld met auto’s. Daarna vertrokken we, nagewoven door de bezoekers van het strandbad, waarvan vele zich op de pieren hadden verzameld.
Toen we goed en wel op zee waren, heb ik een plaats gezocht in de groote eetzaal, waar ik me voor het eerst op deze reis tegoed heb gedaan aan de bekende Zweedsche hors d’oeuvre. Het was moeielijk een keuze te doen uit de vele heerlijke gerechten, die op lange tafels waren uitgestald. Daarom heb ik het maar in etappes gedaan en ben een paar maal de tafel rondgeloopen met mijn bord in de hand om overal de lekkerst uitziende hapjes te verzamelen. Een verre reis en de zeelucht maken een mensch hongerig! Na de uitgebreide hors d’oeuvre krijgt men nog een schotel, dat is in de prijs begrepen. Daar ik echter al bijna geheel verzadigd wasm heb ik me die keer maar bepaald tot een ommelette, gevuld met asperges en doperwtjes. Een flesch van het smakelijke Scandinavische bier voltooide mijn maaltijd. Hoewel ik niet zoo’n groot liefhebber ben van bier, heb ik gedurende de heele reis toch steeds met smaak dit gerstenat gedronken. Het smaakte ook heel anders dan ikin Holland gewend ben. Na deze voortreffelijke maaltijd, de eerste van een heele reeks, want in Scandinavië weet men hoe lekker te eten, ben ik op het dek in het zonnetje gaan zitten
Toen het vasteland van Denemarken in zicht kwam, passeerden we op eenige afstand een zevental bootjes, die niet ver van elkaar, heel langzaam in de tegenovergestelde richting voeren Het waren de volgbootjes van de zeven zwemmers, die een poging waagden van Denemarken naar Duitschland over te steken. Later las ik dat successievelijk alle zeven het op hebben moeten geven. Maar eenige tijd later is het een van hen, de bekende Deensche lange afstandzwemster Jenny Kammersgaard, toch gelukt om van Duitschland naar Denemarken te zwemmen, in de tijd van 32 uur, waarmede ze voor de tweede keer de Oostzee is overgekomen. In omgekeerde richting had ze er 40 uur over gedaan.
Toen de boot goed en wel in Gedser gemeerd was, heb ik mijn plaats in de trein weer opgezocht. De wagons werden aan de gereedstaande trein gerangeerd en spoedig daarna werd de reis naar Kopenhagen voortgezet. De Denen die nu weer op bekend terrein waren, wezen me allerlei bijzonderheden aan. De route van Gedser tot Kopenhagen ging als het ware door één groote groententuin, afgewisseld door golvende goudgele graanvelden en groene weiden, waar de vele roodbruine koeien als roestvlekken tegen afstaken. Tusschen het groen lagen overal de witte boerderijen. Het maakte allemaal zoo’n vriendelijke indruk, je zag een schoon, keurig verzorgd, welvarend land, dat veel overeenkomsten vertoonde met het Hollandsche landschap, alleen met dit verschil, dat je er niet van die vlakke polder landen hebt, maar steeds golvend terrein. Al gauw kregen we de zee weer te zien, prachtig blauw lag daar de Sont te rimpelen in de zonneschijn. In de verte, aan de overkant, was met dit heldere weer Zweden al te zien.

En dan opeens, reden we over één van de bekende architectonische wonderen van Denemarken, de ruim 3 kilometer lange brug over de Storstrøm. Het is een geweldig gevaarte, maar toch sierlijk van lijn, bijna twee maal zoo lang als onze Moerdijkbrug en dan veel hooger op zijn pijlers gebouwd, zoodat de zeeschepen eronder door kunnen varen. Evenwijdig met de spoorbaan loopt een pracht van een betonnen autostrada. Zoodra je de brug over bent, maakt de weg een scherpe bocht, zoodat je het gevaarte dan in zijn volle lengte voor je kunt zien liggen.
Het blauwe water van de zee en de stralende zon zouden je doen denken ergens aan de Côte d’Azur te zijn, als niet de vele sneeuwruimers die overal aan de stations staan je eraan herinnerden dat je wel degelijk in een Noordelijk gelegen land was, waar het in de winter dik onder de sneeuw kan liggen.
De aankomst in Kopenhagen doet al direct prettig aan. Je stapt uit op een keurig, groot en ruim station. Over en weer werd hartelijk afscheid genomen en ik kreeg van al mijn coupeegenooten een hand en beste wenschen voor mijn verdere reis. Mijn Zweedsche kennis en de Deensche mijnheer waren bovendien zoo vriendelijk om me ook nog de weg naar het hotel te wijzen. Samen liepen ze met me mee tot ik niet meer kon verdwalen. Op de Vesterbrogade, een breede boulevard, waar de meest bekende gelegenheden te vinden zijn, namen we afscheid van elkaar.
Ik liep alleen verder tot aan het Raadhus Plads, kon direct al met vreugde constateeren dat Kopenhagen aan al mijn hooggespannen verwachtingen zou voldoen, en sloeg toen links af, de Vestre Boulevard in, waar het Turist Hotel gelegen is, vrij dicht bij het station, zoodat het inderdaad niet de moeite waard was geweest een taxi te
merkt, onder geleide van een oude dame. Het Turist Hotel bleek in elk opzicht een uitstekend hotel te zijn, keurige inrichting, met een prettige bediening en buitengewoon gunstig gelegen, dicht bij de voornaamste punten van de stad, met bovendien vlak in de buurt de verbindingen met de verderaf gelegen wijken. Ik kreeg kamer no. 1. Ook nu bleek het juist gezien te zijn om vooraf een kamer te bespreken, want Kopenhagen wordt in de zomermaanden zeer druk bezocht door tallooze vreemdelingen, waaronder vele Amerikanen. Ook in Turist Hotel, dat geheel bezet was, vormden de Amerikanen het grootste deel van de gasten.
Na me opgefrischt te hebben, ben ik gaan dineeren in een van de knusse, keurig ingerichte salons, weggedoken in een makkelijke fauteuil, met uitzicht op de boulevard. Even later kwamen ook de Amerikaansche meisjes aan tafel. Maar toen was het gedaan met mijn rust. Voortdurend werd nu de aandacht van m’n ijsgekoelde lobster afgeleid door de aardige snuitjes en de charmante figuurtjes om me heen. Zoo was mijn eerste kennismaking met Kopenhagen en dat beloofde veel voor de komende dagen. Het feestgevoel dat ik al had toen ik door de prettig aandoende stad liep, werd er nog meer door aangewakkerd en ik was dan ook in de best mogelijke stemming. Twee weken lang zou ik nu leven als een prins! Na de hors d’ouvre en de soep kwam de lobster, daarna de hoofdschotel en tenslotte het nagerecht en fruit.
Toen ik dit feestdiner beeindigd had, ben ik de stad ingegaan voor de eerste nadere kennismaking met Kopenhagen. Deze eerste avond bleef ik in de buurt en maakte een wandeling over de gezellige boulevards. Kopenhagen wordt niet ten onrechte het Parijs van het Noorden genoemd. Ook hier treft men op de pleinen en boulevards overal gezellige caféterrassen, ziet men een “ville lumière”, flaneert een cosmopolitische menigte over de breede trottoirs en wordt het oog gestreeld door de elegant gekleede, charmante blonde Deensche meisjes. Op de hoeken van de straten staan ook hier de krantenverkoopers tot laat in de nacht met de laatst verschenen edities, maar niet vindt men er, zooals in Parijs, de trottoirs bevolkt met publieke vrouwen. Ook in dancings en bars, gelegenheden waar dikwijls de connecties worden aangeknoopt, ziet men ze niet. Zelfs in de groote luxe zaken ontbreken de “entreneuses”, zoodat je in Kopenhagen gerust overal heen kunt gaan, zonder kans te loopen dat het geld je uit de zak wordt geklopt, wat in een stad als Parijs maar al te vaak voorkomt.
Ook ziet men in Kopenhagen geen bedelaars of slecht gekleede menschen op straat. Het verschil tusschen rijk en arm is hier veel minder groot dan in welke andere groote stad ook. Evenals het land dat ik al gezien had, maakte ook Kopenhagen een zeer welvarende en keurige indruk. Men vindt er breede boulevards en ruime pleinen, waar de groote gebouwen zich in hun volle pracht kunnen toonen. Men kan er wandelen in de vele uitgestrekte, prachtig aangelegde parken, waarin men een overvloed van de fijnste kunstuitingen aantreft, wat trouwens in de heele stad het geval is. Overal verrijzen de mooiste standbeelden en monumenten.
Kortom, Kopenhagen is een pracht stad met bovendien een heerlijke omgeving vlak in de buurt. Ik noem maar de Lange Linie, de gezellige promenade langs de havens, waar het wondermooie “havenvrouwtje” op haar steen in het water zit te staren. Even verderop begint de reeks van badplaatsen, de DeenscheRivièra, die zich uitstrekt van Kopenhagen naar het Noorden toe? langs het blauwe water van de Sont, tot aan het uiterste puntje van Seeland. Dan zijn er de prachtige bosschen van Dyrehavn en de gezellige restaurants, waar je, midden tusschen de bloemen, kunt eten op de tuinterrassen en een uitzicht hebt op de badende menschen op het strand beneden je, met recht voor je het blauwe water van de Sont, waarop witte zeilen drijven en vele stoombooten voorbij varen.
En behalve al dit schoons, valt Kopenhagen vooral op door de opgewekte, gemoedelijke sfeer. Overal ontmoet men vriendelijke, hartelijke menschen.
Na die eerste avond wat op de boulevards rondgekeken te hebben, ben ik tegen half tien naar Tivoli gegaan, het wereldberoemde park, dat midden in het centrum van de stad ligt. Wanneer of je er ook komt, hetzij ’s middags of ’s avonds, op een dag in de week of op feestdagen, altijd is het er gezellig. Het is een groot park met prachtige lanen en vijvers keurig aangelegde bloemperken. Overal staan banken waar prettig kunt zitten en kijken naar de menschen die langs komen of luisteren naar de muziek, die gegeven wordt in een van de vele restaurants, die overal in het groen verscholen liggen. ’s Avonds is alles schitterend verlicht, vooral de terrassen van de grootste restaurants, zooals b.v. van Nimb, een van de voornaamste van de stad. Ook geheel geillumineerd is de groote concertzaal, die met zijn eigenaardige torens veel aan een Oostersche moskee doet denken. De toegang tot de zaal is gratis en van deze gelegenheid maken dan ook vele honderden menschen gebruik om een mooi concert te hooren.
Het is prettig wandelen door de gezellige drukte. Wanneer men door de hoofdingang binnenkomt, nooden direct al aan weerskanten de verschillende restaurants met hun gezellige tuinterrassen. Verderop ligt het vroolijke kermisgedeelte met alle mogelijke denkbare vermakelijkheden. Midden in het park spiegelt een groote vijver, waarom heen ook weer typische gelegenheden te vinden zijn. Over een loopplank kom je aan boord van een oude driemaster, die geheel geillumineerd is. Uit de kajuit klinkt harmonicamuziek en hier, of op dedekken, zitten de Kopenhagers en drinken hun biertje. Aan de overkant, in een knus zaaltje op het water uitgebouwd, klinkt vroolijk gezang, een ieder zingt de populaire refreintjes mee. En dan opeens loop je in een stukje Oud Kopenhagen met antieke geveltjes, nauwe straatjes en enge pleintjes.
Een eindje verder totent een Chineesche pagode hoog boven het groen uit. Aan het water een Japansch huisje, een vrouwtje in kimono voedert de groote visschen, die tusschen de enorme kunstlotusbloemen door zwemmen. Hier en daar een rustiek hoekje, ruischt een waterval naar beneden over de roten, die bedekt zijn met een schat van bloeiende planten.
Zoo heb ik geruimen tijd overal rondgekuierd en genoten. Op bepaalde uren worden op verschillende podiums voorstellingen gegeven, films worden gedraaid, tooneelstukken opgevoerd en varietéartisten vertoonen hun kunsten. De menigte verzamelt zich dan om het podium en kuiert na afloop van de voorstelling weer kalm verder om ergens anders van een volgende attractie te genieten. Alles gaat er rustig toe, geen gejoel of gebrul, geen gehos en geschreeuw, alles even beschaafd.
Mijn zwerftocht door het Tivolipark heb ik eenige oogenblik- ken onderbroken in de “Kunstnerkaelderen”. De naam zegt het al, het was een z.g. Parijsche kunstenaarskroeg, waar twee uitstekende pianisten zorgden voor de muziek. Ik zat er aan een houten tafeltje. Aan de wanden rondom hingen schilderskunstproducten uitgestald.
Tegen middernacht ging ik naar Arena, een van de bekende cabaret-dancings van Kopenhagen. Ik kwam in een ruime zaal met een enorme dansvloer. Twee orkesten zorgden voor goede dansmuziek, welke werd afgewisseld met cabaretnummers. Op een groot balcon, met uitzicht over de heele zaal, was de bar. Niettegenstaande de groote ruimte kon er nog maar met moeite een plaatsje voor mij gevonden worden, zoo vol was het er. Nu bestaat in Scandinavië niet de gewoonte om vreemden bij elkaar aan één tafeltje te plaat-sen, wat de moeilijkheid nog grooter maakte.
Iets anders dat opvalt is, dat in Scandinavië ontzettend veel gegeten en gedronken wordt. Waar of je ook komt en op welk uur van den dag of nacht, altijd zie je de menschen eten. Zoo ook in Arena. Sommigen hadden genoeg aan een paar soorten Smørebrød, anderen daarentegen waren bezig aan een volledig diner. In Kopenhagen kon ik in dergelijke gelegenheden nog volstaan met een enkele drink te nemen. In Zweden en Noorwegen bleek dit echter niet mogelijk te zijn en was ik verplicht iets erbij te eten. In Zweden bestaat n.1. een alcoholrestrictie. Ieder burger heeft recht op maar een bepaalde hoeveelheid alcoholper maand. Wanneer je in een restaurant iets bestelt, ben je verplicht om, naarmate de hoeveelheid sterke drank die je gebruikt, er ook een zeker bedrag aan voedsel te besteden. Dit dient natuurlijk om de dronkenschap te bestrijden, maar ik heb al lang niet zooveel beschonken menschen op straat gezien als juist in Zweden. Als verontschuldiging moge dienen, dat ik er juist op een Zaterdag en Zondag was.
Een eigenaardige gewoonte in Scandinavië is, om bij het bier een glaasje aquavit te drinken, terwijl meestal de avond besloten wordt met een glas punch, op ijs gekoeld. Kom je in Kopenhagen tegen een uur of tien in een restaurant, een variété of dancing, dan zit iedereen nog met alleen een biertje voor zich. Maar al gauw wordt men hongerig en komen overal de bestellingen los. Meestal moet men smørebrød hebben. Op de tafel plaatst de kellner een nikkelen stellage, waarop het blad met de rijk belegde broodjes komt te liggen. Onder de standaard blijft plaats genoeg over voor de glazen en de borden. Na de maaltijd gebruikt men een kopje koffie en tot slot een glas punch. En intusschen zit men prettig bijeen en geniet van hetgeen op het tooneel geboden wordt.
In Kopenhagen weet men gezellig uit te gaan. Het was al ver over het middernachtelijke uur toen ik Arena verliet en over de nu bijna verlaten boulevards naar het hotel terug wandelde. Het was heerlijk weer, dat beloofde dus ook voor de volgende dag volop zonneschijn. En zoo was het ook. Toen ik de volgende morgen om 9 uur aan het ontbijt verscheen, stond de zon alweer aan een helder blauwe hemel te stralen.Tijdens het ontbijt kwam iedere morgen de eigenaar van het hotel, een keurige oude heer in een grijs zomercostuum, zijn gasten begroeten en hier en daar een praatje maken, iets wat ook weer prettig aandoet. Je voelt je dan meer als een persoonlijke gast van de eigenaar dan als iemand die zoomaar toevallig een kamer heeft gehuurd.
Gewoonte getrouw heb ik de eerste dag in Kopenhagen besteed om een groote rondtoer door de stad te maken. Je bent dan eenigszins georienteerd, en je hoort zoo het een en ander, wat later weer te pas komt als je nader gaat bekijken.
Op het wijde Raadhus Plads stonden de bussen voor de verschillende toeren gereed. Het was prachtig weer en het vrouwtje van de reusachtige barometer op de gevel van een van de hooge gebouwen aan het plein, was dan ook op haar fiets uitgereden. Wanneer het regent verschijnt ze met een parapluie op, maar gelukkig heb ik haar zóó nooit gezien. Dat ze met mooi weer op een fiets zit, is typeerend voorKopenhagen. Het aantal rijwielen dat je daar ziet is inderdaad enorm en vooral op de spitsuren zijn ze in staat om de vreemdelingen kreten van verbazing te doen slaken. Als Hollander ben je niet zóó enthousiast, omdat je iets dergelijks in Den Haag en Amsterdam ook geregeld ziet.
Het beginpunt van de toer is al direct interessant. Daar ligt aan een ruim plein waaromheen restaurants hun gezellige terrassen hebben, het stijlvolle stadhuis. Op het plein staan verschillende mooie standbeelden en monumenten, eenige van de zeer vele die de groote stad overal sieren. De rit door die stad met zijn prachtige lanen en boulevards, parken en pleinen, grootsche gebouwen en sierlijke monumenten, werd dan ook tot een zeer aangename kennismaking met Kopenhagen.
Een oogenblik werd de toer onderbroken om een bezoek te brengen aan de Carlsberg Brouwerij. De naam Carlsberg immers is zeer nauw verbonden met het mooie Kopenhagen. In het begin van de vorige eeuw als kleine brouwerij begonnen, is het bedrijf uitgegroeid tot een van de allergrootste van Scandinavië met een capaciteit van 2 millioen flesschen bier per dag. Daarnaast is gekomen een fabriek voor de productie van diverse soorten mineraallimonades met een capaciteit van 600.000 flesschen per dag. De stichter van de brouwerij, J.C.Jacobsen en zijn zoon en opvolger Carl Jacobsen, naar wie het bedrijf genoemd is, hebben een fonds gevormd, het z.n. Carlsberg Fonds, wiens voornaamste bron van inkomsten bestaat uit het jaarlijksche surplus van de brouwerij. Daar voortdurend ruime winsten werden gemaakt, kon het fonds uitgroeien tot een bedrag van 35 millioen kronen. De bedoeling was hiermede de ontwikkeling van de wetenschap en de kunst te bevorderen. Herhaaldelijk werden dan ook groote sommen hiervoor uitgetrokken. Ongeveer 75% wordt besteed voor wetenschappelijke onderzoeken, voor het stichten van ziekenhuizen en laboratoria en jaarlijks ontvangt de Deensche Academie voor Wetenschappen en Letteren uit dit fonds een vaste uitkeering. 25% wordt besteed voor de kunst. Een belangrijke toelage krijgt het Frederiksborg Museum, dat geworden is tot het Deensche Nationaal Museum. Een andere interessante verzameling van beeldhouwkunst, zoowel antiek als modern, vindt men in de Carlsberg Glyptoteek, eveneens een geschenk van Carl Jacobsen aan de Deensche natie.
En tenslotte werden uit het fonds bekostigd vele van de prachtige monumenten die nu in zoo ruime mate de stad sieren. Dikwijls is het maar een klein beeldje dat ergens in een park verscholen staat, maar vaak kunnen het machtige monumenten zijn zooals b.v. de geweldige Gefionfontein voor de ingang van de Lange Linie. Ook het buitengewoon mooie “Lille Havfrue” is een geschenk uit het Carlberg Fonds. Zoo komt het dat je de naam Carlsberg overal in Kopenhagen ontmoet en steeds zijn er mooie herinneringen aan verbonden. Daarom ook staat bij iedere toer door de stad een bezoek aan Carlsberg op het programma. Ruim 60.000 personen, waaronder vaak koningen en beroemdheden op elk gebied, komen jaarlijks een kijkje nemen in de keurige fabriekshallen, om na afloop van de rondgangdoor het bedrijf, een van de talrijke daar gefabriceerde producten te proeven in de groote feestzaal, waar men gastvrij wordt ontvangen en waar men na een hartelijk welkomswoord, zich kan laven aan al het lekkers dat in lange rijen op de tafels staat uitgestald. Boekjes met allerlei bijzonderheden over het bedrijf en zijn geschiedenis werden rondgedeeld en bovendien kregen we ieder nog een verzilverde herinneringspenning.
Een andere bijzonderheid van de stad zijn de Vleeschhallen, uitgestrekt gebouwencomplex in beton uitgevoerd, waar de heele vleeschgroothandel in Kopenhagen is geconcentreerd.
Een fleurige verschijning in het stadsbeeld zijn de postbestellers, die met hun vuurroode jassen direct opvallen. Andere typische figuren zijn de vischvrouwtjes uit Amager en de soldaten van de Koninklijke Garde met hun hooge berenmutsen, die de wacht houden voor het Koninklijke Paleis.
In aansluiting op de rondrit door de stad stond bovendien een vaart door de havens op het programma. Bij de Vischmarktt werden we ingescheept in groote open motorbooten. Eerst ging de tocht door kanalen, die met hun oude pakhuizen veel aan Amsterdam deden denken. Maar al spoedig passeerden we eentypisch Kopenhaagsch silhouet, de Beurs, met de eigenaardige toren, gevormd door vier in elkaar gestrengelde drakens taarten. Het koperen dak was heelemaal groen uitgeslagen. De gevels van dit typische gebouw, dat in 1619-1640 onder Christiaan IV is gebouwd, zijn een nadere beschouwing zeer de moeite waard. Intusschen waren we gekomen in de drukke havenbasins. Tusschen twee schepen door kon ik nog net een blik werpen op het huis waar Hans Andersen, de bekende sprookjesdichter, vele jaren gewoond heeft. Aan de overzijde van de haven liggen het Arsenaal en de marinewerven en verderop de particuliere werven, waar druk gewerkt werd aan de verschillende schepen die nog op stapel stonden of in de dokken lagen. Ik zag verscheidene typen schepen die je in Hollandsche havens nooit of bijna nooit ontmoet. In de eerste plaats waren er de talrijke ijsbrekers, die nu werkeloos aan hun boeien lagen. Verder zag ik eenige walvischvaarders met de eigenaardige gevormde achtersteven, waardoor de walvisschen naar binnen worden geheschen en tenslotte had je er de ouderwetsche zeilschepen die voor het meerendeel als opleidingsschip worden gebruikt. Aan de stadszijde komen we dan langs een heel bekend gedeelte van Kopenhagen, de Lange Linie, dè bekende promenade, waar heel de stad op mooie zomerdagen langs flaneert.
En daar zag ik dan eindelijk ook een heel bekende figuur, zoo niet de bekendste van Kopenhagen, het kleine havenvrouwtje. Op een groote steen zit ze te kijken naar de menschen die passeeren. zóó natuurlijk is de houding, zoo echt menschelijk is het bronzen figuurtje, dat je zou denken met een levend wezen te doen te hebben. Alleen heeft ze geen beenen maar een visschenstaart.
We varen verder tot het uiterste puntje van de haven en gaan daar aan wal. De autocars staan er inmiddels weer gereed om ons naar het centrum van de stad terug te brengen. Aan de kade lag een enorm Engelsch touristenschip gemeerd, een van de vele cruise-liners die in de zomermaanden onophoudelijkhun passagiers voor een paar uren of voor een dag over de stad uitstorten. We reden terug door de parken langs de Lange Linie, voorbij Amalienborg, het Koninklijke paleis, door de drukke winkelstraten naar ons uitgangspunt, het Raadhus Plads
Intusschen was het tijd geworden om te gaan eten. Aan de Vesterbrogade ben ik gaan zitten op het terras van Restaurant Stadil. Het is gezellig eten zoo met een uitzicht op een drukke boulevard, waar de menigte langs flaneert.
Na het eten ben ik begonnen met systematisch de stad op mijn gemak te gaan bekijken. Van het Raadhus Plads ben ik gewandeld naar de Kongens Nytorv, door het centrum van de gezellige winkelbuurt. Een overvloed van mooie magazijnen nooden tot koopen uit en in de middaguren heerscht er dan ook een gezellige drukte van winkelende menschen. Even terzijde van de winkelstraten ligt de bloemenmarkt, met daaraan grenzend de vischmarkt, waar de vrouwtjes met groote kappen op, zitten onder groote parasols. Op het water dat langs de markt loopt, heerscht een bedrijvig gedoe. Uit platte schuiten wordt de levende visch opgeschept. Een ruiter in Middeleeuws harnas kijkt vanaf zijn hoog voetstuk neer op deze twee markten, die zoo heel verschillend zijn van kleur en geur.
Op Kongens Nytorv, het groote plein, kan je wat uitrusten van de wandeling. Om een wit ruiterbeeld staan in een wijde kring banken onder het schaduwrijke geboomte. Meestal is geen plaatsje onbezet. Het is er dan ook prettig zitten. Aan dit plein ligt de Koninklijke Schouwburg met schuin daar tegenover Hotel d’Angleterre, het voornaamste hotel van de stad, met een groot terras, waar het ook altijd vol zit met een elegant publiek.
Een bus bracht me naar de Østerport, vanwaar ik te voet verder ben gegaan. Eerst langs Grønningen, een breede boulevard, met aan de eene kant nieuwe flatwoningen en aan de andere zijde een mooi park, dat zich uitstrekt om het oude Kastellet tot aan de Lange Linie. Aan het begin van deze wandelweg staat de imposante Gefionsfontein, naar een sage voorstellende de reuzin Gefion, die met haar vier, in stieren veranderde zonen, het eiland Seeland van het vasteland van Zweden heeft afgeploegd. Verder wandelende kom je langs het Lange Linie Pavillon, waar het heerlijk zitten is.
Daar vlakbij is het kleine “havenvrouwtje”. In de nabijgelegen jachthaven krioelt het van de zeilscheepjes en luxe motorbooten. Ook zijn hier de clubhuizen van de studentenroeivereenigingen. Het kalme water van de Sont is ook wel een bij uitstek geschikte plaats om er de verschillende watersporten te beoefenen. Toen ik daar zoo rondkuierde, zag ik opeens het bootje naar Trekroner dat op het punt van vertrek stond. Ik heb me niet lang bedacht, ben aan boord gestapt en heb me over laten varen naar het eilandje, dat op eenige afstand buiten de haven ligt. Oorspronkelijk was het een vesting, die de stad en haven moest beschermen. Op de wallen staat nog het zware geschut onder de stalen koepels. Om het miniatuur haventje liggen restaurantterrassen, waar ’s avonds tooneelvoorstellingen worden gegeven. In de catacomben onder de kazematten vindt men, behalve verschillende kermisvermaken, een restaurant “kelder”, waarvan de muren zijn beschilderd met komische scenes uit het soldatenleven. Het is voornamelijk een volksgelegenheid, waar vooral matrozen en dergelijke lieden komen. Naar ik hoorde kan het er wel eens rumoerig toegaan en dan zijn de blauwe oogen niet van de lucht.
Overdag is het er echter rustig. Met het eerstvolgende bootje ben ik teruggekeerd en ben toen, alvorens verder te gaan, heerlijk gaan zitten genieten op het terras van het Lange Linie Pavillon. Door het eeuwenoude Kastellet ben ik naar de stad teruggewandeld. Temidden van een wereldstad ligt daar, omringd door grachten, op de binnen plaatsen, tusschen de oude gebouwen in, een rustig antiek plekje. Voor de toegangspoorten staan echter moderne soldaten op wacht. Veel kan ik prijzen in deze Noordelijke landen, maar wat de militaire uniformen betreft, moet ik zeggen dat ik nog nooit zóó iets leelijks heb gezien. Van de metalen helmen krijg je de indruk dat ze veel te groot zijn. Extra klein komen de hoofden er nu onderuit gluren. Maar heelemaal onnoozel staan de omgeslagen broekspijpen, waardoor de laarzen en zelfs de sokken zichtbaar worden. Van beneden lijken ze uit hun kleeren gegroeid, terwijl ze van boven nog niet groot genoeg zijn.
Op mijn wandeling naar de stad terug kwam ik vervolgens langs Amalienborg, de residentie van de Koning. De vier vleugels van het paleis omsluiten een ruim plein, waar in het midden een groot ruiterbeeld staat. Een speciale garde, met een uniform die hun eenigszins aan de Engelsche Guards doen denken, houdt bij het paleis de wacht. Het geweer leunt tegen de schouder en rust op de over elkaar gevouwen armen.
Het liep al tegen half acht toen ik weer bij mijn uitgangspunt terug was. In National Scala aan de Vesterbrogade heb ik die avond gedineerd. De groote, keurig ingerichte zaal was geheel versierd met kunstmatige lentebloesems en op ieder tafeltje stond een vlaggetje. Het grootste gedeelte van de zaal bleek besproken te zijn voor een uitgebreid internationaal gezelschap. Ik besloot toen maar om op het terras te gaan zitten, waar het wel zoo gezellig was, want vandaar had ik een uitzicht op de boulevard en op de ingang van Tivoli.
Hier heb ik weer voortreffelijk gedineerd. Vooral na de lange wandeling smaakte alles me uitstekend, vanaf de hord d’oeuvre tot aan het ijs als dessert toe.
’s Avonds ben ik weer naar National Scala teruggekeerd, waar ik in de varieté-dancing van dit etablisement nog een paar genoeglijke uren heb doorgebracht. Ik kwam op de bovenverdieping in een groote zaal, waarin een ruime dansvloer. Op een hoog podium speelde een uitstekende band. De dansmuziek werd afgewisseld met variété nummers. Van onder het podium werd dan een verlengstuk over de dansvloer heen geschoven, waardoor iedereen in de zaal zien kon wat er op dat tooneel vertoond werd. Wanneer de band een rustpauze kreeg, ging midden in de zaal een groote glazen koepel automatisch en geruischloos omhoog. Op de bovenverdieping kon men nu ook luisteren naar het orkest dat in de zaal beneden concerteerde. Tot bij half twee heb ik er gezeten, wat vooral te danken was aan een alleraardigst Engelsch meisje dat ik daar ontmoet heb. Jammer genoeg zat ze er met een heel gezelschap, maar dat verhinderde toch niet dat ik voortdurend met haar heb kunnen dansen. Al direct kon ik uitstekend met haar opschieten, we hebben genoeglijk met elkaar gepraat en wanneer ze met een ander danste, kreeg ik in het voorbij gaan steeds een vriendelijk lachje.
De volgende dag heb ik besteed om een groote autotocht door Noord Seeland te maken. Om tien uur vertrokken we weer van het Raadhus Plads. Vrijwel met Kopenhagen aaneengebouwd is het voorstadje Hellerup, met aardige complexen flatwoningen. We reden door groote bosschen tot aan Charlottelund, waar de zee werd bereikt. Vandaar gaat het langs de Strandvejen, de nieuwe zeeweg, noordwaartsch langs de Deensche Rivièra. In Charlottelund ligt een wit kasteeltje, de geboorteplaats van de tegenwoordige Koning. Iets verder passeeren we Hvidøre, waar Koningin Alexandra jarenlang haar residentie heeft gehad, een groote villa met een schitterend uitzicht op de Sont. De route langs de kust is een aaneenschakeling van dorpjes en badplaatsen met aardige villatjes en fleurige bloementuinen of mooie flatgebouwen.
Langs de wegen overal heggen met bloeiende rozen, ook de oude, wit gekalkte visschershuisjes zijn meestal met bloemen begroeid. We passeerden achtereenvolgens Klampenborg met het levendige strandbad Bellevue, Taarbaek en Skodsborg, waar het aardige Strandmöllen Kroen ligt. Langs Vedbaek, Rungsted en Sletten naderen tenslotte Helsingör. Maar even wordt nog van de hoofdweg afgeweken. Langs een smal zandpaadje hebbelen we het land in, een kleine omweg wordt gemaakt om ons de bloeiende bloemenvelden te laten zien. In de geest van de Hollandsche bollenvelden strekken ook hier de gekleurde vakken zich uit over het golvende land. Maar dan rozen, niets anders dan rozen, verschillende kleuren. Een prachtig gezicht, dat vooral bij de vrouwelijke reisgenooten kreten van bewondering ontlokte.
Wanneer we weer op de strandweg zijn teruggekomen, zien we in de verte al de groene daken en torenspitsen van het kasteel Kronborg. De naam Helsingör of Elseneur is nauw verbonden met de geschiedenis van Hamlet. Immers hier, op het Slot Kronborg speelt het verhaal zich af. In een muur is een gedenksteen geplaatst met de beeltenis van Shakespeare, een eindje buiten de stad vindt men het graf van Hamlet. Helsingör maakt de indruk een oud Hollandsch plaatsje te zijn wat geen wonder is, want jarenlang zijn het juist de Hollanders geweest die hier de boventoon hebben gevoerd. Daardoor vindt men vooral in Helsingör heel sterk de Hollandsche Renaissance stijl telkens weer terug. Het kasteel Kronborg wordt zelfs beschouwd als één van de mooiste voorbeelden van deze bouwstijl. Staande op de bastions van Kronborg, ziet men aan de overkant van het water heel duidelijk het Zweedsche stadje Helsingborg liggen. De Sont is hier maar 1 mijl breed, vandaar dat Kronborg in vroegere tijden een bij uitstek geschikte plaats was om de scheepvaart op de Oostzee geheel te beheerschen en hier was het dan ook dat elk passeerend schip tol moest betalen.
Na het bezoek aan dit historische plekje, werd de tocht voortgezet langs Marienlyst, het voormalige zomerverblijf van de Deensche vorsten, naar Hellebaek, waar de lunch gebruikt werd in een restaurant gelegen aan de strandboulevard met uitzicht op het Kattegat. De Zweedsche smoregasbord heb ik me goed laten smaken. Het is steeds een waar genoegen om langs de welvoorziene tafels te loopen en er de lekkerste beetjes uit te pikken.
Na Hellebaek verlieten we de strandweg en reden het mooie land in. Eerst door een oud dorpjemet aardige huisjes vol begroeid met bloemen. Tusschen de boomen vind je restanten van oude watermolens, die dateeren uit de tijd dat het weven nog de voornaamste bron van inkomen was in dit vriendelijke gehucht. Het land is golvend en rijk beboscht met hier en daar een meertje. Soms slingert de weg zich door goudgele graanvelden, dan weer door mooie lanen.
We passeeren Egelund, het zomerverblijf van Prins Gustaaf, ’s Konings jongste broer, en bereiken dan spoedig Slot Fredensborg, de herfstresidentie van het Koninklijke gezin. Omringd door een keurig aangelegd park, ligt het witte kasteeltje temidden van uitgestrekte bosschen. Na een bezichtiging van het slot en een wandeling door de mooie lanen werd de tocht voortgezet naar het plaatsje Hillerød. Vanaf het marktplein heeft men een uitzicht op het Slot Frederiksborg, dat gebouwd op drie eilandjes, aan de overkant van een meer ligt. Juist toen we de mooie binnenhof van het kasteel opliepen, begon het carillon een psalm te spelen. Helder, duidelijk en plechtig klonk het tusschen de ruim 300 jaar oude muren van het slot. Frederiksborg, nu het Nationaal museum, is een prachtig voorbeeld van Noordelijke Renaissancestijl.
Hier werden indertijd de Deensche koningen gekroond. In 1859 werd het grootste deel van het kasteel door brand vernield, maar dank zij de vrijgevigheid van J.C.Jacobsen, de stichter van het Carlsbergfonds, kon de schade hersteld worden en werd begonnen met het slot in te richten als nationaal museum. Veel schoons uit de Deensche geschiedenis valt er thans te bewonderen. Bijzondere aandacht verdient de Slotkapel, die gelukkig door de brand gespaard is gebleven. Na de bezichtiging van het slot heb ik wat in Hillerød rondgekeken en daarna een oogenblik gezeten in de tuin van restaurant Rosenhavn, gelegen aan het meer, met een mooi uitzicht op Frederiksborg.
Na het oponthoud in Hillerød werd de terugtocht naar Kopenhagen aanvaard. De weg voert ons door uitgestrekte bosschen, de “Store Dyrehave” en langs de plaatsjes Holte en Lyngby met het kasteeltje Sorgenfri, zomerresidentie van de Koning, en het openluchtmuseum, waar huisjes en boerderijen uit alle deelen van het land bijeen zijn gebracht.
Tegen 6 uur waren we weer terug in Kopenhagen. Alvorens te gaan dineeren, heb ik eerst een oogenblik gezeten op de terrassen van Frascati aan het Raadhus Plads, een gezellig punt met uitzicht op de drukke boulevards. In een automatiek heb ik daarna een heerlijke vischfilet gegeten. Na de vele uitgaven op deze dag al gedaan, moest ik het een beetje zuiniger aan doen en genoegen nemen met een eenvoudige maaltijd. De vischschotel smaakte echter voortreffelijk.
’s Avonds ben ik met een bus naar “Lorry” gereden, aan de Allégade, eenigszins buiten het centrum van de stad. Lorry is een van de bekende uitgaansgelegenheden in Kopenhagen. Op mooie zomeravonden is het er gezellig zitten in de verlichte tuin onder groene prieeltjes, waar je kunt luisteren naar een uitstekend orkest. Binnen vindt men in de eerste plaats het zeer bezienswaardige Tirolerdorp, de vroolijke Landsbyen, waar je gezellig kunt zitten op het marktplein met om je heen de aardige huisjes met frissche bloemen voor de ramen en op de achtergrond de hooge besneeuwde Alpentoppen, waar van tijd tot tijd het Alpenglühen een gouden glans op toovert. De ensceneering is zoo natuurgetrouw, dat men zich bijna werkelijk in een berglandschap zou wanen. Terwijl men er gezellig zit te eten en te drinken, wordt op het podium een gevarieerd programma opgevoerd, dat voortduurt tot diep in de nacht.
Een andere bezienswaardigheid in Lorry is de “Riddersalen”, waar gedanst wordt, echter alleen gedurende de wintermaanden. Toch kreeg ik de gelegenheid om ook daar een kijkje te memen, niettegenstaande het al tegen één uur in de nacht liep. Een portier bracht me naar boven, trok de zware gordijnen opzij en stak de lichten aan, zoodat ik ook deze zaal kon bewonderen, zij het dan ook zonder de levendige entourage van een talrijk publiek zooals in de Landsbyen, waar het meer dan vol was. Tenslotte vind men in Lorry de Drachmann Kroen, een bijzonder knus, oud restaurant, waar ik later nog eens ben teruggekomen.
Toen ik die nacht thuis kwam, vond ik alweer de deur op slot en voor de tweede keer moest ik de portier opkloppen om binnen gelaten te worden.
De volgende morgen heb ik besteed om Kopenhagen wat nader te bekijken. Na een wandeling door de prachtige parken en de Botanische tuin, met z’n fleurige bloemperken en idyllische vijvers, met mooie beeldjes tusschen het groen, langs Slot Rosenborg dat zoo fraai verscholen ligt achter de hooge boomen van het park, kwam ik weer in het centrum van de stad.
Na de frissche schoonheid van de natuur kwam nu de architectonische schoonheid en ook het typische van het oude Kopenhagen aan de beurt. Ik heb er gezworven door de oude nauwe straatjes met kleine winkeltjes, waar een groot deel van de waar op de stoep staat uitgestald. Zoo kwam ik bij de Ronde Toren, een vroeger observatorium, in de 17e eeuw gebouwd door de Zwitsersche bouwmeester Scheffel, bekend om zijn torens zonder trappen. Een breede spiraalweg loopt naar boven, waar men op 36 meter hoogte een uitgestrekt panorama heeft over de stad met zijn talrijke torenspitsen. Via de Vischmarkt bereikte ik tegen 12 uur Amalienborg, het Koninklijke Paleis, waar ik net op tijd was om de wisseling van de wacht mee te maken. Met hun kleurige paradepakjes en hooge berenmutsen doen ze veel denken aan de Royal Guards in Londen.
Ook hier gaat zoo’n wisseling van de wacht gepaard met veel ceremonieel, maar zoo soepel als het in Engeland gebeurt, hoe gemaakt en ingewikkeld de bewegingen ook zijn, zoo houterig en weinig elegant doen ze het in Kopenhagen. Daar zat iets geforceerds in, iets gewild bijzonders. Op het plein voor het paleis had ik een ontmoeting met vier Hollandsche meisjes. Ze maakten een reis op een vrachtboot van de K.N.S.M en waren nu voor een paar dagen in Kopenhagen.
Langs de Marmeren kerk, in Barokstijl opgetrokken met een 84 meter hooge koepel, versierd met standbeelden van beroemde kerkvorsten, profeeten en hervormers, kwam ik weer in het centrum van de stad. Op mijn programma stond nu genoteerd een bezoek aan het restaurant van Oscar Davidsen, de zaak met de grootste verscheidenheid aan smørebrød. Daarvoor moest ik eerst een heele wandeling maken naar de Aaboulevard, maar des te aangenamer was het daarna te zitten in de koele schaduwrijke tuin, met knusse hoekjes in het groen. Kellners met leeren voorschoten om brengen je een 1 meter lange lijst, waaruit je een keus kunt doen uit niet minder dan 188 verschillende soorten smørebrød. Met een potlood streep je aan welke gerechten je wenscht en op wat voor soort brood. Er is een kolom voor wit brood, voor bruin brood en voor zuur brood. Een glas van het lekkere bier smaakt hier bijzondergoed bij.
’s Middags ben ik naar Klampenborg gereden. Een S-trein bracht me in weinige minuten tot buiten de stad, naar het levendige badplaatsje Bellevue met zijn mooie witte flats en badhotels. Het strand is maar klein, is trouwens kunstmatig aangelegd, maar op de glooiende hellingen langs het water en onder de boomen in de parken is plaats genoeg voor de zwemmers om te zonnebaden en voor de niet baders om in het gras te zitten en te genieten van de frissche zeelucht. Hier vlak in de buurt is het bekende Dyrehaven, het prachtige bosch, waarin nog vele herten en witte reëen in het wild rondloopen.
Onder de hooge boomen ligt een uitspanning, een oud boerderijtje, dat met zijn helder witte muren frisch afsteekt tegen het donkere bosch. Een eindje verder klinkt het geroes van feestklanken tusschen de boomen. Draai orgels trachten elkaar te overstemmen, evenals de eigenaars van de verschillende vermakelijkheden, die het publiek speciaal op hun tent opmerkzaam willen maken. Draaimolens en rutschbanen knarsen, piepen, ballonnetjes snerpen, dit is Dyrehavsbakken, het permanente kermisterrein voor de kleine man, waar het vooral ’s avonds heel genoegelijk kan toegaan.
’s Avonds ben ik weer naar Lorry gegaan, waar ik gedineerd heb in de “Drachmanns Kroen”. Het is er buitengewoon knus en gezellig zitten aan de oude eikenhouten tafels, onder de eeuwenoude, zwart uitgeslagen balken, met spreuken beschreven. Dit gedeelte van Lorry dateert al van een 250 jaar geleden. Toentertijd was hier de herberg van Drachmann, langzamerhand is de rest erbij gebouwd en is de zaak uitgegroeid tot het tegenwoordige Lorry. Maar de oude herberg is intact gebleven en vele Kopenhagers komen hier nog geregeld eten.
Twee oude bards, met begeleiding van een guitaar, zongen Deensche volkswijsjes. In deze bijzondere omgeving heb ik die avond weer gezellig gedineerd. Tegen 10 uur was ik weer terug in de stad, waar ik net op tijd was voor de laatste bioscoopvoorstellingen. De rest van de avond heb ik toen doorgebracht in het “Dagmar Theater”, een schitterend nieuw gebouw, waar ik, gezeten in een behaaglijke fauteuil, een aardige film heb gezien.
De volgende morgen heb ik mijn wandeling door Kopenhagen verder voortgezet. Deze keer ging het in de richting van Amager. Onderweg een kijkje genomen in het Hoofdbureau van Politie, dat een van de bezienswaardigheden van de stad is. Om een ruim binnenplein zijn cirkelvormig in neo klassieke stijl de gebouwen opgetrokken. In het atrium staat een mooie groote beeldengroep. Over een ophaalbrug, waaronderdoor voortdurend zeeschepen passeeren, kwam ik op het schiereiland Amager. In het oudste gedeelte vindt men hier nog de resten van de vroegere Nederlandsche nederzettingen. De bekende vrouwtjes van Amager vertoonen dan ook eenige overeenkomst met onze Scheveningers.
Via het moderne gedeelte met nieuwe flatwoningen, gebouwd aan een boulevard die om een groot park heen loopt, kwam ik weer op bekend terrein, bij de havens en bij de Beurs, welk merkwaardig gebouw ik nu op mijn gemak kon bezichtigen. Een motorbootje bracht me vervolgens, na een tocht door de oude grachten met Hollandsch aandoende pakhuisgevels en door de haven, naar de Kongens Nytorv, waar ik weer in het centrum van de stad was.
Vandaar ben ik gewandeld naar Christiaansborg, de zetel van de Rijksdag en het representatieslot van de Koning. Onder de fundamenten van dit gebouw liggen de put van Absalon en de 800 jaar oude ruines van de oudste burcht die eens Kopenhage beschermde. Onder geleide van een gids heb ik eerst de zalen van de Rijksdag bekeken en ben toen onder de grond afgedaald voor een bezoek aan de ruines. Door opgravingen heeft men onder het nieuwe slot de overblijfselen van de door Aartsbisschop Absalon in 1167 gebouwde vesting te voorschijn gebracht. Deze oude fundeeringen vormden weer de grondslag voor het Slot København, toen Christoffel van Beieren in 1413 de stad tot residentie maakte. Voor de derde keer veranderde het slot van gedaante, toen de prachtlievende Christiaan VI dit middeleeuwsche kasteel liet ombouwen tot het tegenwoordige Slot Christiaansborg, echter niet, dan nadat het nog twee keer door brand geteisterd is geworden.
Over de in Kopenhagen zeer bekende Marmeren Brug verliet ik Christiaansborg weer en ben vervolgens gewandeld naar het Thorvaldsen Museum, waar de werken van de grootste Noordsche beeldhouwer zijn tentoongesteld. Omringd door zijn kunstscheppingen ligt Thorvaldsen daar begraven in de binnenhof van het museum.
Al dat loopen had me hongerig gemaakt en daar ik juist in de nabijheid was van de Gamle Torv, het Oude Strand met de vele vischrestaurants, besloot ik om daar de specialiteit van Kopenhagen eens te gaan proeven. Langs de verweerde huizen van dit oude stukje Kopenhagen, over de glibberige vischmarkt die juist weer schoongespoten werd, liep ik naar het bekende Krog’s Vischrestaurant, dat een vermaardheid bezit op dat gebied. Ik trof er een internationaal gezelschap aan, vele talen hoorde ik er spreken, uit alle deelen van de wereld scheen men gekomen te zijn om van het zeebanket, op oneindig veel manieren toebereid, te kunnen genieten. Op vele tafeltjes stonden vlaggetjes van diverse nationaliteiten en niet zoodra was de kellner die me bediende te weten gekomen dat ik Hollander was, of ook bij mij prijkte een Nederlandsche driekleur. Blijkbaar zijn de Hollanders graag geziene gasten, mijn rood-wit-blauwe vlag was tenminste aanmerkelijk grooter dan die met de kleuren van andere landen. Of het moest een service beteekenen voor de gekken en dwazen die zoo graag hun naam ergens op willem kladden, zelfs op een vlaggestokje. Van boven tot beneden stond de boel volgeschreven, verscheidene bekende namen trof ik er onder o.a. die Ivan de groote Philips uit Einhoven.
Op goed geluk af heb ik maar een schotel uitgezocht. Veel kon het me eigenlijk niet schelen, het zou toch wel raak zijn. En het was raak, het was zelfs overheerlijk, verrukkelijk heb ik gegeten, ik heb gesmuld van een visch die smolt op m’n tong. Met een kopje koffie, die ze in Denemarken zoo voortreffelijk kunnen schenken, heb ik deze maaltijd besloten. Daarna ben ik de stad weer ingewandeld, om een gedeelte van de middag door te brengen in Tivoli, dat ik ook overdag eens mee wilde maken.
Ook op een gewone middag midden in de week is het er gezellig druk. Vele moeders zie je er met hun spruiten rondwandelen. Voor de kinderen is het er een ideaal speelplaats. Behalve de speciale speeltuinen die je er hebt, kunnen ze zich vermaken door op ezeltjes rond te rijden of in een bokkewagen, zelfs kunnen ze een toertje maken in een miniatuur Gouden Koets. Mooi uitgedoschte lakeitjes met witte pruiken en kuitbroeken leiden de ponnies rond of loopen naast het portier. De kinderen staan ervoor in de queue om ook eens in dit prachtige rijtuig te kunnen rijden. Ook voor de groote menschen is het er prettig om rond te loopen onder de schaduwrijke lanen en om het meer, tusschen de kleurige bloemperken door en langs de keurig gesnoeide grasgazons. Wanneer je moe bent van het loopen, zijn er de vele restaurants, waar je een gezellig zitje vindt om uit te rusten en anders zijn er nog de talrijke banken die overal met kwistige hand in het park zijn verspreid.
Na een paar gezellige uurtjes in Tivoli ben ik op een tram gestapt, die me tot buiten de stad bracht. Het doel van de reis was de Strandmöllen Kroen, het aardige herbergje aan de lieflijke kust van de Deensche Rivièra. Daar, onder de rozenstruiken, aan het blauwe water van de Sont, wilde ik die avond gaan dineeren. Na een keer overstappen kwam ik in Charlottelund, waar ik op een verbinding Klampenborg moest wachten. Tot Charlottelund rijdt de tram eerst door de stad en later door de buitenwijken van Kopenhagen. Daarna volgt ze de nieuwe strandweg, dan gaat de route langs een reeks van aardige villa’s met keurig aangelegde tuinen, langs mooie witte flatgebouwen en door oude dorpjes. Aan de eene kant liggen de bosschen en aan de andere zijde de blauwe zee. Zoo bereikte ik Klampenborg, waar een bus me verder zou brengen. Na Klampenborg is de route nog mooier. De weg is eenigszins geaccidenteerd en slingert zich langs de kust, waar je voortdurend mooie uitzichten hebt.
En zoo kwam ik ten slotte in Strandmöllen Kroen, dat aller-aardigst gelegen is aan de zee. Het is een oud wit huisje, geheel begroeid met groen en bloeiende rozen. Binnen zag het er knus en gezellig uit met de oude meubels, de tegeltjes tegen de muur en de open haard. Ik prefereerde echter buiten te gaan zitten, in de tuin, temidden van de rozen, onder de boomen met een pracht uitzicht op de zee. Beneden me was het strand, waar eenige late baders nog in het zand lagen. Aangemoedigd door de goede ervaring ’s middags opgedaan, heb ik ook hier een vischfilet besteld en ook die heeft me voortreffelijk gesmaakt. Het is er heerlijk zitten en het was dan ook maar met groote moeite dat ik er toe kon besluiten om weer op te stappen. Zoo rustig was het er, zoo mooi en lieflijk was de natuur, zoo heerlijk geurden de bloemen. Het was een plekje zoo charmant, om het niet gauw te vergeten.
De weg terug heb ik te voet afgelegd om beter te kunnen genieten van de mooie omgeving. Daarvoor ben ik van de groote weg afgeweken en gedeeltelijk langs de oude straatjes teruggewandeld. Zoo kwam ik door het dorpje Taarbaek met zijn kleine huisjes en miniatuur haventje. In Klampenborg was ik terug ongeveer drie kwartier voordat er een boot naar Kopenkagen terug en zou vertrekken. Daar heb ik toen op gewacht en de tijd gekort met wat rond te kijken in de keurige, in moderne stijl opgebouwde badplaats Bellevue.
Precies om 8 uur meerde de boot van de geregelde dienst Kopenhagen-Klampenborg aan de por in zee uitgebouwde pier en ongeveer een uur later zette “Den lille Havfrue”, zoo heette het mooie witte scheepje, zijn passagiers weer af in Kopenhagen. Het was al bijna geheel donker toen we de haven binnen liepen. Vlug ben ik naar het hotel teruggeloopen, heb me gauw wat opgefrischt en ben toen weer de stad ingegaan om mijn laatste avond in Kopenhagen door te brengen. Tot middernacht ben ik geweest in Sevilla, een Moorsch aandoend cabaret, waar ook gedanst werd. Daar het er echter niet gezellig zitten was, ben ik na een poosjeopgestapt en ben van Sevilla verdergereisd naar Valencia, een van de bekende gelegenheden van Kopenhagen. Hier trof ik dan ook weer een internationaal gezelschap aan, waaronder veel Engelschen, passagiers van het toeristenschip dat ik eenige uren geleden in de haven had zien liggen. Ik bleek juist op tijd te zijn voor het vatiété programma, dat verscheidene uitmuntende nummers telde. Ik denk dan speciaal aan de Spaansche koorddanser die het presteerde een salto te maken op het gespannen koord. Hier in Valencia zat ik weer in een mondaine omgeving, een keurige, moderne zaal met vele goed gekleede menschen en een uitstekend orkest. Heel anders dan in Sevilla, dat meer een volksgelegenheid bleek te zijn.
Op waardige wijze heb ik zoo dus mijn verblijf in Kopenhagen die avond afgesloten.
De volgende morgen moest ik al heel vroeg weg, zóó vroeg, dat ik zelfs geen gelegenheid had om in de eetzaal te ontbijten, daar die nog door de werksters onderhanden genomen werd. M’n broodjes en koffie werden toen maar in de recreatiezaal geserveerd. Het was nog stil op de anders zoo drukke boulevard toen ik naar het station wandelde. Een porteur van het hotel bracht mijn koffer. Om 7.05 vertrok de trein en na een rit van ongeveer een uur langs de zeekust, bereikte ik Helsingör, waar ik moest overstappen op de veerboot die me naar Zweden zou brengen. Van de Deensche douane heb ik niets meer gemerkt
Ongehinderd kon ik het station uitloopen, een pleintje oversteken en aan boord gaan van de veerboot “Dan”. Toen we wegvoeren, heb ik staande op het sloependek, nog een laatste blik geworpen op Denemarken, het mooie land waar ik zoo veel goede herinneringen aan zal bewaren. Op een landtong, ver in zee uitgebouwd, stond daar het oude Slot Kronborg met zijn groene daken en sierlijke torens als een laatste groet.
Intusschen waren we Zweden al heel dicht genaderd. Duidelijk zag je reeds de huizen en torens van Helsingborg en het duurde niet lang meer of we lagen weer gemeerd aan de kade. Er volgde nu een tamelijk serieus douane onderzoek, zelfs moest ik als vreemdeling een kaart invullen, welke gegevens later werden vergeleken met die in mijn pas. Voor de inhoud van mijn koffer werd echter nauwelijks eenige interesse getoond.
In dit land is de persoon tenminste belangrijker dan zijn bagage. Na deze officieel ontvangst heb ik me gehaast een goed hoekplaatsje op te zoeken in de gereedstaande trein. Het bleek wel noodig, want al gauw was er geen plaats meer onbezet. De reis van Helsingborg naar Göteborg ging vrijwel steeds langs de kust, die hier een heel ander aspect had dan in Denemarken. In Seeland was het een vriendelijke groene lijn met witte stranden, hier groote keien, die in wilde wanorde verspreid lagen tusschen de rotsachtige oevers. Naarmate we Noordelijker kwamen werden de rotsen hooger en de natuur woester. Het landschap is golvend, de weilanden van elkaar gescheiden door steenen muurtjes. Ook de boomgroei is veranderd. Eerst zie je nog de witte stammen van de berken, later komt meer en meer het donkere groen van de pijnboomen te voorschijn. Tegen één uur naderden we Göteborg, niet veel bijzonders zoo op het eerste gezicht vanuit de trein gezien.
Des te grooter was echter mijn verrassing toen ik een groote stad vond met mooie gebouwen en vele keurig aangelegde parken en breede lanen. Het is dan ook de tweede stad in Zweden tevens de belangrijkste haven in het Westen, met scheepvaartverbindingen naar alle deelen van de wereld.
In Göteborg heb ik gelogeerd in Hotel Eggers, een keurig hotel, vlak tegenover het station gelegen. Na me wat opgeknapt te hebben van de treinreis, ben ik gaan lunchen in de ruime en frissche zomerveranda. Hier heb ik weer kunnen genieten van de bekende Zweedsche smorgasbord. Op mijn tafel werd een stilleven gedrapeerd, bestaande uit een 15 tal schotels, potjes en bordjes, bevattende de meest uiteenloopende, doch steeds zeer smakelijke gerechten. Het viel me moeilijk een keus te doen uit al dat lekkers, ook om er bij tijds mee op te houden. Na deze hors d’oeuvre zou immers nog de warme schotel volgen.
Toen ik klaar was met eten, goot het. Ik was dus gedwongen een tijdje te rusten, iets dat echter goed van pas kwam, want na de vermoeiende week die ik achter de rug had, was een dutje extra heusch geen luxe. Tegen vier uur ben ik toch maar de stad ingegaan, hoewel het nog wat regende. Gelukkig duurde het niet lang meer of het was heelemaal droog. Volop heb ik toen kunnen constateeren hoe mooi en ook hoe gezellig Göteborg is om er rond te dwalen. Aan de hand van een kaart heb ik systematisch de stad doorkruist en successievelijk de voornaamste bezienswaardigheden langs gegaan.
’s Avonds, na het eten, ben ik weer even een stukje gaan loopen om de gezellige winkalboulevards ook verlicht te zien. Het is onnoodig te vertellen dat ook het diner, opgeluisterd door een strijkje, voortreffelijk was. Wel wil ik nog even het dessert memoreeren dat bestond uit frambozen met een dunne slagroomsaus, een schotel die ik ook in Noorwegen herhaaldelijk kreeg opgediend. De rest van de avond heb ik doorgebracht in Tradgardsforeningen, een dergelijke gelegenheid als de Haagsche Dierentuin, alleen met dit verschil dat het hier een Botanische tuin betrof. Op deze Zaterdagavond werd er een concert gegeven door een militair orkest, dat veel belangstelling trok. De groote terrassen van het restaurant waren dicht bezet en ook op de banken in het park was nauwelijks nog een open plaatsje te vinden. Binnen werd gedanst.
De groote zaal was, op de dansvloer na, geheel gevuld met gedekte tafeltjes, die alle bezet waren. Nog juist kon er voor mij een plaatsje ingeruimd worden. Maar toen de kellner de bestelling kwam opnemen, bleek dat ik beslist wat moest eten. Na het uitvoerige diner dat ik juist achter de rug had was het me niet mogelijk om wéér te gaan eten en dus was ik genoodzaakt om op te stappen en op het terras mijn heil te zoeken bij een kopje koffie. Intusschen had ik echter wat geleerd dat ik later in Oslo in toepassing heb kunnen brengen.
De volgende morgen was ik al vroeg weer op stap. Eerst ben ik gewandeld naar Skansen Lejonet, een oude vesting, gelegen op een heuvel, even buiten de stad. Weer teruggekeerd op het stationsplein ben ik met een tram verder gereden naar Järn-torget. De rit in een open wagen ging door het aardigste gedeelte van Göteborg, langs de mooie parken en lanen. In een oud gedeelte van de stad stapte ik uit. Hier staan nog uitsluitend houten huizen. Het fundament is van steen, maar verder is alles van hout opgetrokken. Zulke woningen zie je heel veel overal in Scandinavië, vooral in Noorwegen. Niet alleen de oude huizen zijn zoo, ook de nieuwbouw is veelal van hout.
Ik wandelde door de oude straatjes en kwam toen bij een rotsheuvel, waarboven een oude massieve vestingtoren staat, de Skansen Kronan. De klim naar boven is vrij inspannend, maar de moeite wordt ruimschoots beloond met een pracht uitzicht over de stad en de omringende havens. Langs een trap met een eindeloos aantal treden ben ik de heuvel aan de andere kant weer afgedaald en ben daarna kalmpjes aan naar huis teruggewandeld via de gezellige moderne winkelboulevards en het Gustaf Adolf Torg, waar het standbeeld staat van de stichter van de stad.
Ik had toen nog een uur de tijd om te lunchen en mijn koffer te pakken. Om 13.05 was ik weer op weg naar de volgende etappe, Oslo. De trein naar Noorwegen was stampvol, een plaats aan een venster heb ik niet meer kunnen bemachtigen. Maar dat was echter geen bezwaar voor mij om toch volop te genieten van de prachtige natuur. Dit gedeelte van de reis was veel mooier dan het traject vóór Göteborg. Eerst volgde de trein een rivierdal. Naarmate we Noordelijker kwamen, veranderde het landschap. De dennenbosschen werden steeds dichter, de stroompjes wilder en de natuur grootscher. Hier en daar bruischte een waterval. In de rivieren en in de talrijke meren dreven uitgestrekte houtvlotten. Telkens weer werd het oog geboeid door prachtige uitzichten, soms reed de trein langs de oever van een fjord, dan weer zag je het blauwe water diep beneden je glinsteren tusschen de donkere pijnboombosschen. Een andere keer volgt de spoorbaan een tijdlang een wild bruischende stroom, die in de diepte, in wit kolkende golven vooruit schiet tusschen de groote rotsen door.
Intusschen zijn we Noorwegen genaderd. In Körnsjö komt de douane in de trein. De bagage van de vele Noorsche reizigers wordt aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, maar ik kom er, als eenige vreemdeling, al heel makkelijk van af.
In Noorwegen stopte de trein herhaaldelijk aan kleine stationnetjes en dikwijls vrij lang. Een bezwaar was dat niet, in de eerste plaats had men weer gelegenheid de beenen wat te strekken en bovendien viel er altijd wel een mooi brokje natuur te zien. Het laatste stuk van de reis ging voornamelijk langs de oevers van het Oslofjord. Groote zeeschepen zie je daar diep het binnenland in. ’s Avonds om 7 uur kwamen we in Oslo aan.
Een taxi reed me naar Hotel Continental, een groot, keurig modern hotel, waar ik een pracht van een kamer kreeg, waarin een gezellig zitje met makkelijke fauteuils en divan en een schrijftafel. Alvorens de stad in te gaan, waar op deze Zondagavond een gezellige drukte heerschte, heb ik eerst gedineerd in de groote, chique ingerichte eetzaal van het hotel. Op de vloer dikke tapijten, indirecte verlichting, gedempte muziek, keurig gedekte tafeltjes met makkelijke stoelen, voortreffelijke bediening door deftige kellners in rok, uitmuntende keuken. Eigenlijk leefde ik boven mijn stand in dit voorname hotel met zijn keurige zalen, bars en restaurants.
Na het eten ben ik mee gaan flaneeren met de pantoffel parade, langs de Karl Johans Gatan en de Stortingsgatan, om het groote park dat aan de eene zijde begrenzd wordt door het Storting gebouw, de zetel van de regeering, en aan de andere kant door het Natinale Theater. Het is er gezellig wandelen langs de mooie winkels, restaurants en theaters, hier in het belangrijkste deel van de stad, waar het hart van Oslo klopt. Hoewel Oslo maar een 300.000 inwoners telt, maakt het toch de indruk belangrijk grooter te zijn, dankzij de vele moderne hooge flat-, winkel- en kantoorgebouwen, het drukke verkeer en de mondain en goed gekleede menschen die je op straat ontmoet. Hier zag ik ook weer verscheidene aardige typen, hoewel lang zooveel niet als in Kopenhagen.
Over het algemeen zijn de Noorsche en Zweedsche vrouwen veel grover en steviger van lichaamsbouw dan de meer elegante Deensche schoonen. Opvallend was het groote aantal donkere typen dat ik in Oslo zag. Ik had me de Noren altijd als een groot, blond ras voorgesteld, maar in tegenstelling met Denemarken, en in iets mindere mate met Zweden, waar wel het grootste percentage blond is, zag ik in Noorwegen juist betrekkelijk veel donkere menschen, vaak zelfs met een uitgesproken Mongoolsch type, ongetwijfeld afstammelingen van Lappen of Eskimo’s uit de Noordelijke provincies.
Een goed beeld van de stad en zijn mooie omstreken kreeg ik de volgende dag, toen ik een groote rondtoer maakte in een autocar. Na een rit langs de bezienswaardigheden in de binnenstad, bereikten we de buitenwijken van Oslo, die gebouwd zijn op de omringende heuvels. Temidden van aardige tuintjes liggen daar de houten villa’s van de Oslosche middenstanders, dicht bij de groote stad, maat toch ook weer heelemaal buiten midden in de bergen. Langs de sterk geaccidenteerde wegen klimmen we langzaam omhoog. De smalle weg slingert zich door de dichte pijnboombosschen hooger en hooger. Dan bereiken we een plek met een bekende naam, Holmenkollen, het Mekka voor de skispringers. Uit alle deelen van de wereld keken de liefhebbers van de wintersport hierheen om deel te nemen aan de jaarlijksche internationale springwedstrijden, die soms door een 60.000 toeschouwers, waaronder vaak de Koninklijke familie, worden bijgewoond. Wanneer men in de zomer de schans ziet staan, hoog tegen een helling op gebouwd en zonder een spoortje van eenige sneeuw, vraagt men zich onwillekeurig af hoe iemand het in z’n hoofd haalt om van die hoogte naar beneden te durven suizen, om vervolgens neer te smakken op de groote keien, die nu in wilde wanorde verspreid zichtbaar zijn in het drooggeloopen meertje. Maar in de winter is het meer dichtgevroren en ligt de sneeuw overal meters dik.
We gaan weer verder, nog hooger, tot Frogneseteren, waar we ongeveer 500 meter boven de zeespiegel zijn. Vanaf de terrassen van het daar gelegen restaurant behoort men een pracht uitzicht te hebben op het Oslofjord, maar helaas, op dat moment was er niets te zien. Grauwe regenwolken hadden het panorama aan ons oog onttrokken. Na een kort oponthoud werd daarom de reis weer voortgezet naar Bygdøy, het schiereiland in het Oslofjord, waar men verschillende bezienswaardigheden vindt, die een bezoek ten volle waard zijn. In de eerste plaats is er het groote openlucht volksmuseum, waar ruim 80 origineele boerenwoningen, dateerende uit verschillende tijdperken en gehaald uit alle deelen van Noorwegen, zijn ondergebracht. In die verweerde, sommige reeds meer dan 300 jaar oude houten huisjes, waarvan het dak bedekt is met een dikke laag aarde waarop gras groeit ter bescherming tegen de kou, krijgt men een aardig beeld van de toestanden op het platteland, van de verschillende gebruiken en zeden en gewoonten in de diverse provincies van het land. Zoo heb ik o.m. gezien een houten “staff” kerkje uit Telemark en een paar woningen uit het Gudbrandsdal.
Tusschen de boomen verscholen ligt een openluchttheater, waar in de zomermaanden vaak Noorse volkedansen en folklore worden gedemonstreerd. Een andere belangrijke bezienswaardigheid zijn de drie Viking schepen. In een speciaal daarvoor gebouwd museum, waarvoor eerst een groote prijsvraag is uitgeschreven, liggen er de
resten uitgestald van de ongeveer 1000 jaar oude vaartuigen, het Osebergschip, het Gokstadschip en het Tuneschip, zoo genoemd naar de plaats waar ze gevonden zijn, alle in de buurt van het Oslofjord. Van de drie schepen zijn de eerste twee, na afgraving van de grafheuvel waaronder ze eeuwen lang gelegen hebben, nog vrij gaaf tevoorschijn gekomen. Het Tune schip echter heeft de druk der tijden niet zoo goed weerstaan en is volkomen in elkaar gebroken. Met de schepen heeft men ook een groot aantal gebruiksvoorwerpen en sieraden kunnen opgraven. De booten waren n.1. gebruikt om er de groote dooden in te begraven, die, zooals de gewoonte was, van alles en nog wat meekregen op hun laatste reis. Veel kostbaarheden zijn echter verdwenen, geroofd door dieven, die zich een weg hebben weten te banen door de grafheuvel heen naar de schatkamer die op het dek was opgesteld. Na nauwkeurg onderzoek heeft men vast kunnen stellen dat in het Osebergschp een koningin is begraven en dat de beide andere schepen het grafmonument zijn geweest van een koning. Na de restauratie, een werk dat jaren heeft geduurd, waarbij nauwkeurig acht is geslagen op alle details, krijgt men nu een zeer goed idee van hetgeen men vroeger al presteerde op scheepsbouwgebied.
Het bleek dat men ruim 1000 jaar geleden reeds precies dezelfde principes toepaste als heden ten dage. Wanneer men de ongeveer 20 meter lange vaartuigen ziet, met hun slanke lijnen, de hooge, mooi bewerkte voorsteven en de dekken waar- uit de riemen steken, de openingen bedekt door schilden, dan krijgt men respect voor de techniek van die oude Noormannen, maar nog meer verbaast men zich er over dat de zeevaarders uit die dagen het gewaagd hebben om met zulke notedopjes de oceaan over te steken.
Ook op Bygdøy, in een ander museum, vindt men een ander Noorsch schip, dat ook, evenals zijn voorgangers van eeuwen terug, de wereldzeeën heeft bevaren en zijn naam heeft beladen met groote roem, de “Fram”, het gekende poolschip waarmee drie expedities zijn gemaakt, hot schip dat het verst is gekomen in Noordelijke zoowel als in Zuidelijke richting. Eerst met Fridtjof Nansen en Otto Sverdrup naar de Noordpool en later met Roald Amundsen naar de Zuidpool. In een van de hutten zag ik de Noorsche vlag, die eens gewapperd heeft op de Zuidpool, die daar geplant kon worden even voordat ook Scott met zijn Engelsche expeditie het Zuidelijkste plekje op aarde zou bereiken. Veel interessants is er te zien op deze kleine boot die slechts 700 ton meet, maar niettemin een uiterst solide indruk maakt. De Fram is gebouwd in de vorm van een notendop, waardoor het schip door de druk van het ijs makkelijk omhoog getild kon worden. Roer en schroef zijn intrekbaar en hadden dus niet te lijden van het ijs. De 1 meter dikke wanden waren met asphalt gevuld en vormden dus een stevig pantser tegen de kruiende ijsmassa’s. Het heele schip is van hout en voornamelijk als zeilschip gebouwd. Eerst later is een kleine hulpmotor erin aangebracht. Met de beschikbare ruimte moest gewoekerd worden, de hutten van de bemanning zijn dan ook maar heel klein en laag. Je moet goed opletten, anders stoot je telkens je hoofd tegen de dikke balken. In deze beperkte ruimte hebben die mannen dus maandenlang geleefd, gewerkt en ontberingen geleden.
Overal in de hutten, voorzien van naamplaatjes van de voormalige bewoners, zag je de stille getuigen, instrumenten, geweren, geschoten ijsberen, poolcostuums, sleden, skies, het logboek, enz., enz. Bij het borstbeeld van Amundsen hing een groote krans met de Italiaansche kleuren. Opeens schiet je dan de ramp te binnen van het Italiaansche luchtschip Italia, waarmee Nobile de Noordpool trachtte te bereiken. Het luchtschip verongelukte en Amundsen ging spontaan weer op weg om hulp te bieden, verdween echter zelf en kwam nooit meer terug.
Langs de deftige villawijk met gezantschapgebouwen van vele nationaliteiten, bereikten we weer het centrum van de stad en passerden we o.a. het moois witte huis van Fred. Olsen, de bekende reeder. In het park aan de Karl Johans Gatan was muziek en de menigte flaneerde weer langs de boulevards of men zat op de talrijke banken in het park vóór het Storting gebouw of voor de Schouwburg. Het is er altijd gezellig, hier in het hartje van Oslo.
Die middag heb ik geluncht in een groot restaurant aan de Stortingsgatan, in het “Theatercafeen”. Hier heb ik goed gegeten, zooals trouwens overal in Scandinavië. Vooral met het vleesch is men er erg royaal, steeds kreeg ik flinke malsche stukken. In de groenten was echter weinig variatie. Waar of ik ook gegeten heb, steeds kreeg ik dezelfde collectie opgediend. Het nagerecht bestond uit een portie bessenvla met een dunne roomsaus, een smakelijke schotel.
Na het eten ben ik direct weer op stap gegaan. Aan de haven ligt het bijna voltooide nieuwe stadhuis, datmet zijn forsche moderne lijnen direct de aandacht trekt wanneer men vanuit zee Oslo nadert. De flats en winkelgebouwen, gelegen rondom het plein, zijn in dezelfde kleur en stijl gehouden, wat de totaal indruk zeer ten goede komt.
Langs de havenkaden waar een druk scheepvaartverkeer heerscht bereikte ik een stukje van het oude Oslo, het Akershus fort en kasteel, reeds in 1300 door Koning Haakon V gebouwd en nu een van de meest belangrijke overblijfselen uit de Middeleeuwen in Noorwegen. Hooge stevige muren omsluiten het oude kasteel dat indertijd de heele haven beheerscht moet hebben. Vanaf de wallen kijkt men neer op het bedrijvige gedoe beneden, op de kaden waar schepen van verschillende nationaliteit worden geladen en gelost. Aan de andere kant ligt Oslo, met boven alles uit de twee forsche torens van het nieuwe stadhuis, om de stad heen de bergen en aan de overkant van de haven het groene schiereiland Bygdøy.
Voordat ik echter boven in Akershus was aangeland, beleefde ik nog een “avontuur”. Ik volgde de weg omhoog in de veronderstelling ergens wel de toegangspoort te zullen vinden, maar ik had me vergist, de ingang was heel ergens anders. Intusschen was ik terecht gekomen in een soort kampement. Uit de barakken zag ik soldaten nieuwsgierig kijken naar die vreemde snoeshaan, die daar met een fototoestel in z’n hand op verboden terrein rondkuierde. Nu had ik wel ergens een bordje gezien met een opschrift, maar zooveel ken ik nog niet van de Noorsche taal dat ik wist dat dat “verboden toegang” beteekende.
Toen ik eindelijk een soldaat zag loopen, heb ik hem dan ook maar direct aangeklampd om hem de weg te vragen. Het was een vriendelijke man die uitstekend Engelsch sprak. Ik legde hem de situatie uit en bood mijn excuses aan. De ingang bleek heelemaal aan de stadszijde te zijn, zoodat ik verplicht was het heele eind terug te loopen. “Dat is niet zoo mooi”, zei ik en trok een leelijk gezicht. “Wacht dan maar even” antwoordde de man toen en verdween om een groote sleutel te halen, waarmee hij een klein poortje opende, waardoor ik direct in het park van het kasteel kon komen. Het spreekt van zelf dat ik hem toen hartelijk bedankt heb. Dit was weer een voorbeeld van de vriendelijkheid en voorkomendheid wat me overal in Scandinavië zoo getroffen heeft.
Na in Akershus rondgekeken te hebben, vervolgde ik m’n wandeling door de stad en kwam toen bij het Koninklijke paleis dat er prachtig is gelegen aan een ruim plein, omringd door een groot, keurig onderhouden park. Eenigszins op een hoogte gelegen, heeft men vanaf het paleis een mooi overzicht op het centrum van de stad, op de Karl Johans Gatan en de drukke Stortingsgatan met zijn nieuwe moderne gebouwen. Gezeten op een bank in het park heb ik een tijdje het drukke gedoe beneden me gadegeslagen. Die avond zou ik naar de “Chat Noir” gaan, Oslo’s oudste cabaret en revue theater. Geleerd door de ervaring in Göteborg en Kopenhagen opgedaan, zou ik daar tegelijk mijn diner gebruiken. Als je toch iets bestellen moet kan je het beter laten samen gaan met je avondeten.
Iedereen eet er pas tegen een uur of tien, ik ook dan maar, ’s lands wijs, ’s lands eer. Ik kreeg echter geen kans om binnen te komen, het heele theater was al besproken uitverkocht. Weer had ik wat geleerd, voor de volgende avond heb ik toen bijtijds mijn ticket genomen en niet voor niets, want ook dat theater liep stampvol. De menschen gaan veel uit in Scandinavië, zelfs op gewone dagen in de week zijn de meeste amusementsgelegenheden druk bezet.
Toen in de “Chat Noir” geen plaats meer te krijgen was, besloot ik maar te gaan naar de “Regnbuen”, de “Regenboog”, het nieuwste en meest luxieusche cabaret-dancing-restaurant van Scandinavië. Daarvoor was het echter nog te vroeg en om de tijd te passeeren heb ik een poosje gezeten op de terrassen van het restaurant “Kaba” aan de Stortingsgatan, waar ik heb gekeken naar het drukke verkeer op de boulevard. De trams en bussen die er rijden zien er keurig uit, alles nieuw materiaal, groot en ruim en goed onderhouden. Tegen half tien ben ik opgestapt en naar de “Regnbuen” gewandeld dat er vlak in de buurt ligt. Het entree was al direct veelbelovend, de vestiaires zijn ruim en royaal, op de kosten is blijkbaar niet beknibbeld. Dikke tapijten bedekken de vloer, het geheel, hoewel hypermodern, maakt een voorname, luxieusche indruk, zonder een zweem van protserige opschik of klatergoud. Een breede trap leidt naar de zaal, waar om de dansvloer met twee podiums voor de beide orkesten, de gedekte tafeltjes op drie verschillende hoogten zijn gerangschikt. Een wenteltrap van glas en staal voert omhoog naar het balcon, waar ook nog gezeten kan worden.
Wat je wel eens op een film ziet, zag ik nu in werkelijkheid voor me, een fantastisch-moderne luxe gelegenheid waar keurig gerokte kellners rondloopen en waar het op de tafeltjes schittert van het zilver en kristal. Drie uur, van half tien tot half één, heb ik hier over mijn diner gedaan, vanaf mijn Melon-cocktail tot mijn kleintje koffie toe. En intusschen speelde de band uitstekende dansmuziek, die vele paren op de vloer lokte, of klonken de Hongaarsche melodiën van het andere orkest. Typisch dat in dit nuchtere hooge Noorden het vreemde rythme en de hartstochtelijke of klagende melodiën van de Hongaarsche czardas, die de Zigeuner primas zoo meesterlijk aan zijn viool wist te ontlokken, zoo zeer werd geapprecieerd. Het zijn toch twee geheel verschillende sfeeren. Tusschen de bedrijven door kon ik bovendien nog genieten van een zeer gevarieerd en uitstekend geselecteerd cabaretprogramma.
De volgende morgen heb ik mijn onderzoekingstocht door Oslo in een andere richting voortgezet. Het was goed weer en ik wilde probeeren of ik het nu boven op Frogneseteren beter zou treffen dan de vorige dag, toen een dichte nevel het mooi panorama van het Oslofjord aan het oog onttrok. Een bergspoor de Holmenkollenbaan, bracht me naar boven. Het werd een schitterende rit die ongeveer een half uur duurde. Volop kon ik genieten van de prachtige uitzichten die je naar alle kanten had, aan de landzijde het mooie berglandschap, de donkere pijnboomen en de ruischende beekjes, aan de zeekant het uitgestrekte panorama van het Oslo-fjord met z’n grillige kustlijnen en tallooze eilandjes, dat steeds dieper wegzonk.
Toen ik aan het eindpunt uitstapte, stond ik eenzaam in het bosch, onder de hooge denneboomen. Geaccidenteerde wandelpaden leidden naar verschillende richtingen, het was er heerlijk loopen, de lucht was frisch en het was er rustig en stil. Ik zag vele soorten mij onbekende vogels, mooie kleurige diertjes. Zoo kwam ik bij Frogneseteren, waar ik deze keer inderdaad een pracht van een panorama te zien kreeg. In de tuin van het restaurant, een allergezelligst houten gebouw, heb ik geluncht.
Na het eten heb ik mijn wandeling voortgezet. Mijn plan was te loopen naar Holmenkollen, de springschans eens wat nader te bekijken en dan met de tandradbaan terug te keeren naar de stad. Tusschen de houten huisjes met gras begroeide daken en de rotsen in, graasden een paar koeien met een klingende bel om hun hals. Voortdurend klonk het getingel in de stilte van het bosch.
Onderweg ontmoette ik Per Ake Johansen, een jonge Zweed, die tot Oslo gezelschap heeft gehouden. Via de springschans bereikten we het stationnetje van Holmenkollen en eenige tijd later stonden we weer in het centrum van de stad, waar ik afscheid van hem nam. Na een korte rustpoos in het hotel heb ik mijn wandeling door de stad voortgezet, eerst langs het nieuwe stadhuis naar de haven, maar toen deze keer de andere kant op, in de richting van de zeilhaven, waar op het eind van een pier, midden in het water, de pavillioens liggen van de twee grootste watersportverenigingen in Oslo, Dronningen op het schiereiland Bygdøy, van de Koninklijke Noorsche Yacht Club en vlak daartegenover Kongen, van de Christiania Roei Vereeniging.
Langs de mooie villawijken kwam ik vervolgens weer terug in de stad. Geleerd door de ervaring de vorige dag opgedaan, heb ik in het voorbijgaan in het Saga Theater, het nieuwste en modernste bioscoopge-bouw in Oslo, vast een kaart gekocht voor de voorstelling van die avond. En dit bleek niet overbodig te zijn. Toen ik tegen 7 uur terug kwam, stonden er weer lange rijen voor de loketten te wachten en toen de voorstelling begon, bleek heel het groote theater weer uitverkocht te zijn. Voor de pauze werd een uitgebreid variété programma vertoond en eerst daarna begon de film.
Na afloop van de voorstelling, het was toen ongeveer tien uur geworden, ben ik naar Skansen gegaan, een groot restaurant, gelegen boven op de rotsen aan de haven. In de uitgestrekte tuin, om een vijver heen en tusschen het groen van de prieeltjes, stonden honderden tafeltjes, beschenen door guirlandes van electrische lichtjes. In de muziektent speelde een groot orkest. Vanaf deze hoogte heeft men een alleraardigst uitzicht op de havens met de vele verlichte zeeschepen en het drukke verkeer langs de kaden.
In het restaurant boven werd gedanst. Daar, met muziek van de band en een uitzicht op de verlichte tuin vol met menschen beneden me, heb ik die avond voor het laatst in Oslo gedineerd. Na het eten nog even een wandeling langs de groote en toen naar huis, want de volgende morgen moest ik weer tijdig op om mijn reis door Noorwegen te vervolgen.
Na het ontbijt per taxi naar het station gereden en daar begon een tocht door een stuk natuur, zoo mooi, om niet te vergeten. De trein was vrij vol, vooral veel wandelaars waren er bij, in sportieve shirts en shorts, met al hun hebben en houden in groote rugzakken gepakt. In mijn wagon zat een zeer internationaal gezelschap bijeen. Vele talen hoorde ik om me heen spreken, het meest Engelsch, echter in verschillende nuances.
Tegenover me zat een sportief Engelsch meisje dat in haar eentje een voettocht ging maken en achter me hoorde ik het onwelluidende geknauw van een groepje Amerikanen. Later kwam nog een twee-tal vlotte Schotsche meiskes de trein in, gekleed in nationaal geruite rokjes, met een groote ransel op de rug. En dan was er nog de Zuid Afrikaansche student in z’n universiteits blazer, die dacht dat ik een Noor was! De twee Finsche dames die naast me zaten hebben zich ongetwijfeld ook het hoofd gebroken met te raden wat voor landsman ik wel zou zijn. Tenminste, toen ik uit de restauratiewagen terug kwam, merkte ik dat ze mijn boek, dat ik op de bank had laten liggen, doorgebladerd hadden, maar ik geloof niet dat ze er veel wijzer door zijn geworden, want het was in het Hollandsch geschreven, dus ongetwijfeld in een voor hun onbekende taal.
Nauwelijks het station uit begint de baan reeds te stijgen en al spoedig ligt de stad met zijn mooie omgeving in al zijn pracht een 100 meter beneden ons uitgerold. Het was helder, zonnig weer met een wolkenlooze hemel, scherp was ieder detail van het uitgestrekte panorama te onderscheiden. Steeds hooger klimmen we, in Roa wijst de hoogtemeter al ruim 300 aan, maar daarna gaat het weer omlaag en als ik in Hønefoss wat ga rondloopen en een groote sappige appel ga koopen aan het vruchtenstalletje, zie ik nog maar 96.8 meter staan op het naambordje van het station. Dan echter neemt de trein zijn aanloop voor de tweede helling en in Al zitten we reeds op ruim 400 meter hoogte om vervolgens geleidelijk door te stijgen tot boven de boomgrens uit. We zien Noorwegen op z’n mooist. De spoorbaan volgt de dalen en wordt daar begeleid door witschuimende rivieren, die hun weg zoeken tusschen de machtige rotsblokken door. Hier en daar bruischt een waterval, zilverig tegen een donkere achtergrond van pijnboombosschen, in de peillooze diepten. Tegen de hellingen verspreid hangen houten huisjes, ongenaakbaar als adelaarsnesten aan de bergwanden. Dan weer stort het water van de stroom zich op het groote scheprad van een houtzaagmolen. Traag wentelen de wielen door het geweld van de golven. Op de meren die hier en daar blauw glinsteren tusschen de bosschen door, drijven groote houtvlotten. Dit is het land van de bergen, het water en de bosschen. Maar wanneer we hooger stijgen, wijken de bosschen terug. Als de 1000 meter grens is gepasseerd, wordt het land kaler en woester, de bergtoppen komen naderbij en we zien de sneeuw glinsteren in de zon. Dan zijn we boven de boomgrens. Hier, op deze barre hoogten, wil alleen nog maar mos groeien tusschen de keien en rotsblokken door, die in wilde wanorde verspreid liggen op de kale hoogvlakte.
In Finse hebben we het hoogste punt bereikt, 1222.2 meter. De bergtoppen lijken nu nog maar onbeteekendnde heuvels. Heerlijk frisch is de temperatuur, de koude doet je wangen tintelen. Om ons heen ligt de sneeuw, vaak meters dik. De stroompjes zijn hier en daar dichtgevroren en op de meren drijven dikke ijsschotsen in het kristalheldere water. Verblindend is de zon die weerkaatst wordt door deze witte wereld. De Zuid Afrikaansche student is enthousiast. Het is voor het eerst dat hij sneeuw ziet en dan meteen zoo veel tegelijk, terwijl het bij hem thuis maar voorkomt “once in a lifetime”, zooals hij tegen iedereen vertelt. De spoorbaan slingert zich langs de oevers van de meren, beschrijft groote bochten en keert vaak bijna geheel op zijn weg terug. Overal langs de rails staan schuttingen, die dienen moeten om de baan sneeuwvrij te houden, evenals de houten tunnels die we onophoudelijk binnenschieten. Zig-zag dalen we nu, telkens zien we boven ons de baan met de talrijke tunnels, waar we zoo juist langs gereden zijn. Dan opeens, heel in de diepte, het dal. Wat een panorama, als één man springt alles op en verdringt zich voor de vensters. Wonderschoon is het wat we nu zien. Wild bruischend baant een stroom zich in de glanzende diepte, groene velden worden weer zichtbaar, waar vrouwen werken in hun kleurige nationale kleederdracht. Op de bergweiden staat het hooi te drogen, uitgespreid op lange rekken.
Tegen vijf uur bereiken we Voss. Op een klein stationnetje stapte ik uit. Rustig is het hier, alleen de trein die een paar keer per dag hier stopt, brengt eenig leven in het dorpje. Dan is het even een levendig gedoe op het stations emplacement van rondloopende reizigers die het oponthoud benutten om een luchtje te scheppen of om iets te gebruiken in het restaurant. Als de trein weer vertrokken is en ook de autobussen zijn weggereden met de enkele passagiers voor andere plaatsen, vervalt Voss weer terug in zijn rustige dommel. Stil staan de kleine houten huisjes om een wit kerkje tusschen de groene heuvels.
Hotel Fleischer ligt vlak naast het station. Een eenzame portier ontvangt me en brengt me naar mijn kamer. “Om 7 uur is het diner”, kondigt hij aan. Uit mijn venster bewonder ik het uitzicht. Ik kijk uit op het spiegelende meer, waarlangs een witte weg slingert. Het geklingel van een paar grazende koeien is het eenige wat de stilte verbreekt. Op de achtergrond staan de witte bergtoppen. Het is alles rust om me heen. Al gauw dwaal ik door de eenzame straatjes van het dorp en langs de oever van het meer. Slechts sporadisch ontmoet ik iemand. Tegen etenstijd zit ik weer op de veranda, van waar ik een pracht uitzicht heb op het meer met de omringende bergketens. Een enkele oude dame zie ik nu ook, weggedoken in een fauteuil.
Maar dan begint het eenzame hotel plotseling op te leven. Van alle kanten naderen de gasten, telkens weer komt er een groep in sportieve wandelkleeding, de weg afgeloopen en kletteren spoedig daarna de bespijkerde laarzen de houten trappen op. Het is een geroep heen en weer, men informeert naar elkanders bevindingen van die dag en geeft tips voor de komende tochten. Het lijkt één groote familie, één groote Engelsche familie, iedereen schijnt elkaar te kennen. Een gong luidt door de gangen en over de terrassen en als hongerige wolven snellen de gasten naar de groote eetzaal, waar ieder zijn vast plaatsje heeft. Dan merk ik pas hoeveel menschen hier aanwezig zijn. Het hotel is uitverkocht.
Van mijn tafeltje kijk ik uit op het meer, waarin de ondergaande zon zich rood weerspiegelt. Het diner is uitgebreid en zeer smakelijk, hoewel ik hier verscheidene gangen krijg opgediend waarvan de samenstelling der gerechten anders is dan ik elders gewend ben. Na het eten verzamelde men zich in de salons of op de terrassen om de groote koffiekannen waaruit men zich zelf bedienen kan. Kopjes, suiker en room staan klaar. In de diverse salons met behagelijke hoekjes hadden de oudere menschen zich al geinstalleerd voor de rest van de avond. De jeugd amuseerde zich met de diverse spelen die beneden in de recreatiezalen aanwezig waren. Aan de ping-pong tafel heb ik die avond mijn krachten kunnen meten met afwisselend Kay, Molly en Sheila als tegenpartij, drie sportieve meisjes die per fiets tochten in de omgeving gingen maken.
De volgende dag zag ik ze toevallig zwoegen, moeizaam sleurden ze zich een lange helling op, terwijl ik hun in een auto voorbij stoof. De avond eindigde met een diepzinnig gesprek over politiek met een oude heer, in hart en nieren een Engelschman. Weinig konden we toen vermoeden dat nog geen maand later de oorlog zou uitbreken.
Uit mijn raam zag ik de volle maan zijn zilverachtig licht uitstralen over de bergen en zich weerspiegelen in het rimpellooze watervlak van het meer. Het was vrij koud die nacht. De volgende morgen zat ik al vroeg aan het ontbijt. De zon was nauwelijks boven de heuvels uitgekomen en op het meer hing nog een witte nevel. Ik moest me zelf bedienen. Op losse tafels stond een ruime collectie lekkernijen uitgestald, vreemde dingen voor een ontbijt waren het, althans voor Hollandsche begrippen, maar die de Engelsche gasten zeker geapprecieerd zullen hebben. Mij lag het wat te zwaar op de maag zoo in de vroege ochtend.
Om 6.55 vertrok het electrische treintje naar Granvin. De zon was intusschen stralend opgekomen en bescheen het prachtige landschap, dat nog nat was van de dauw. Tusschen de rotswanden door baande de trein zich een weg omlaag. Bij Nesheim weken plotseling de bergen vaneen en onder ons ontrolde zich een dal. Honderden meters diep vielen de wanden loodrecht naar beneden. Als met een reusacgtig mes gesneden lag daar de kloof voor ons. Twee hooge watervallen donderden omlaag, omgeven door een stofwolk van spattende waterdruppels. Heel in de diepte kronkelde schuimend een bergstroompje. Het was een grootsch gezicht.
Langs de steile hellingen zakten we langzaam omlaag, telkens had ik een nieuw uitzicht op de beide watervallen, die duidelijk afstaken tegen de donkere achtergrond. We bereikten het dal en reden nu verder langs de fjorden, waarin de hooge bergwanden zich haarscherp weerspiegelden in het donkere water.
Granvin is maar een klein dorpje, een verzameling houten huisjes om een aanlegsteiger, waaraan een paar kustbootjes gemeerd lagen. Hier stapte ik over op het s.s. Rosendal, waarmee ik de reis zou vervolgen tot Ulvik. Een groep Engelschen, behoorende tot het gezelschap dat in Hotel Fleischer logeerde, kwam ook aan boord. Toevallig maakten zij die dag precies eenzelfde tocht als ik op mijn programma had staan.
Al gauw hadden ze me herkend en een kennismaking volgde spoedig. Gedurende de rest van de dag heb ik een prettig gezelschap aan hun gehad. Ook heb ik het aan hun te danken, dat ik nog iets extra’s heb gezien op mijn tocht, waarvoor ik hun heel dankbaar ben, want het is een sensatie geworden waar ik nog lang aan zal denken. Op de vaart door het Hardangerfjord zou de boot n.l. ook het plaatsje Eidfjord aandoen en van het oponthoud dat men daar had zou geprofiteerd worden om een tocht te maken naar de 2000 voet hooge Førring-fosswaterval. De leider van het gezelschap kwam me vragen of ik misschien zin had om me bij hun aan te sluiten, welk aanbod ik natuurlijk met beide handen heb aangegrepen.
In het haventje van Granvin was een duiker bezig. Door het glasheldere water heen waren al zijn bewegingen precies te volgen. Als een of ander zeemonster bewoog hij zich over de bodem van het fjord, heel makkelijk, bijna zwevend. Hoe anders was het toen hij weer aan boord geheschen was. Toen werd het een hulpeloos wezen, dat met alles geholpen moest worden en direct op een bankje neerzeeg, zoodra hij het trapje opgeklauterd was. Nu valt het niet mee om in zoo’n duikerpak staande te blijven met het groote gewicht dat daarbij getorst moet worden. Direct werd het glazen voorstuk afgeschroefd, zoodat de man weer frissche lucht kon inademen en daarna draaide men de helm eraf. Onwezenlijk klein stak toen het menschenhoofdje dat te voorschijn kwam, uit boven de enorme schouders van het duikerpak.
Van Granvin begon een mooie vaart door het Hardangerfjord. Aan weerskanten verrezen de donkere hellingen, hoog en ontoegankelijk, steil uit het water, de eene bergrug na de andere. In de verte op de toppen glinsterden in het zonlicht de witte ijsmassa’s van de Hardangergletscher. Boven op het open sloependek kon ik volop genieten van de schoonheid van deze typisch Noorsche natuur.
Tegen half twaalf bereikten we Eidfjord, een paar huisjes aan de voet van de berghellingen. Op eenige afstand lag de “Gripsholm”, een groot Zweeds toeristenschip, dat vele Amerikaansche passagiers aan boord had. Tusschen de machtige bergen in leek het witte zeekasteel nog maar een klein bootje. Op de kade was het al een gezellige drukte, maar nog steeds voeren de motorsloepen van de cruiser heen en weer om nieuwe passagiers aan land te brengen. Het probleem was nu hoe naar boven te komen. Door de plotselinge groote toeloop was het aantal beschikbare auto’s absoluut onvoldoende. Onze reisleider zorgde echter voor een groote autocar, waar voor het heele gezelschap Engelschen en ook voor mij een plaatsje te vinden was. De Amerikanen leverden intusschen onderling een veldslag om de vergebleven wagens. Het was een prachtige bus, maar ten eene male ongeschikt voor deze kronkelende, smalle bergwegen. Daarvoor was de wagen te lang en te breed, soms zelfs te hoog op die plekken waar de rotswanden schuin over de weg heenbogen. De rit naar boven en weer terug werd daardoor tot een ware “thrill”, die de inzittenden kenbaar zenuwachtig maakte, wat zich uitte in een overdreven luidruchtige stemming.
Gelukkig dat de chauffeur een zeer betrouwbare indruk maakte. Onfeilbaar stuurde hij zijn wagen de kronkelende weg over, die dikwijls zoo smal was, dat het achtereind van de bus meermalen in onzachte aanraking kwam met de bergwanden, terwijl de inzittenden aan de andere kant vanuit hun venster loodrecht in de diepte beneden zich konden kijken. Bij sommige hairpins lukte het pas na de tweede of derde poging door de bocht te komen. Het was in één woord een “sensatie”. Nog erger werd het echter op de terugweg, toen we de file auto’s met de Amerikanen tegen kwamen. Van tijd tot tijd leek de knoop onuitwarbaar. Wij, die van boven kwamen, hadden de voorrang, zoodat de anderen dikwijls heele stukken achteruit moesten rijden, voordat er een plek gevonden was waar we elkaar zonder gevaar passeeren konden. En dan ging het nog maar met centimeters tegelijk, met aan alle kanten een uitkijk om eventueele botsingen te voorkomen. Wij boften in zooverre, dat we nu veelal de veiligd kant hielden, d.w.z. de kant van de bergwand. Voor de Amerikanen echter gaapte de afgrond onder de wielen en het was hun dan ook duidelijk aan te zien dat ze zich verwenschten zich in zoo’n wespennest gestoken te hebben. Door dit voortdurende oponthoud waren we pas veel later weer terug in Eidfjord dan geoorloofd was.
Gelukkig dat de “Rosendal” de anderhalf uur dat wij over tijd waren geduldig op zijn passagiers is blijven wachten. Maar niet zoodra waren we weer aan boord, of de trossen werden losgesmeten en de reis vervolgd. Behalve de emoties die de tocht naar de Førringfosswaterval bracht, zal deze rit ook nog in mijn herrinnering blijven door het prachtige brok natuur dat wij er zagen. Eerst voerde de weg langs de kronkelende oevers van het fjord. Nog is het terrein vrij vlak, maar al spoedig wordt de aanval op de berghellingen gewaagd.
De natuur wordt woester, het blauwe, rimpellooze water van het fjord is verdwenen, groote rotsmassieven komen ervoor in de plaats. We moeten een riviertje passeeren. Door de aanhoudende regens van eenige dagen te voren is de betonnen brug echter door de bandjirs finaal weggeslagen en ligt nu op eenige tientallen meters verder in brokken tusschen de keien op de bedding van het stroompje, dat nu weer tot zijn normale verhoudingen is teruggekeerd. De noodbrug kan waarschijnlijk het gewicht van de groote bus met de vele passagiers niet dragen en daarom stappen wij allemaal uit en gaan te voet een eindje verder.
Daarna begint de klim naar boven, in eindelooze bochten cirkelen we omhoog. Soms rijden we over het dak van de tunnel waar we zoojuist onderdoor zijn gegaan. Geweldig is de natuur, grootsch en dreigend en toch onbeschrijvelijk mooi. We stijgen tot 2000 voet. Reeds lang van te voren hooren we het gedonder van de enorme waterval. Dan zien we haar in haar volle schoonheid en grootte. Als in een diepe put storten de watermassa’s zich omlaag. Als ik me over de rand heenbuig, zie ik heel in de diepte de kolkende golven die uitvloeien in een riviertje, dat honderden meters lager zich een baan zoekt tusschen de hooge bergwanden door.
Nauwelijks terug aan boord, begon het te regenen, maar tegen dat we Ulvik naderden, waren de wolken weer verdwenen en de lucht blauw als te voren. Het zonlicht straalde over het aardige dorpje met z’n witte houten huisjes en het kerkje, verscholen in het groen. Aan het meer, met uitzicht op de bergtoppen, lag het Brakanes Turist Hotel, waar ik zou lunchen.
Door het oponthoud in Eidfjord had ik in Ulvik niet zooveel tijd meer over, immers, om drie uur zou ik weer verder moeten gaan. Een plaats in de auto naar Voss was reeds van te voren besproken. Mijn wandeling moest ik dus beperken tot de onmiddellijke omgeving van het dorp. Om half drie klonk het sein voor de lunch. Evenals in Voss stroomden de gasten, die plotseling overal vandaan schenen te komen, naar de eetzaal toe. We werden bediend door meisjes, die gekleed waren in de fleurige nationale kleederdracht. Vanaf mijn plaats aan tafel achter de ramen van de veranda, had ik weer een mooi uitzicht op het blauwe meer met de omringende bergen. Mijn tafelbuur, een Engelschman, bleek later ook mijn reisgenoot te zijn in de auto naar Voss. Voor een derde keer ontmoette ik hem nog op de Fløien bij Bergen.
Na het eten werd de koffie geschonken in de gezellige hall met zijn knusse hoekjes. Een vriendelijke dame keek toe dat iedereen goed bediend werd, maakte hier en daar een praatje en zorgde als een goede gastvrouw voor een gezellige sfeer. Je kreeg er direct een gevoel van huizelijkheid. Ik, die toch pas wildvreemd was binnen komen vallen, werd met evenveel hartelijkheid ontvangen als de vaste gasten. In het kantoortje zat een aardig blond meisje. Om een praatje met haar te kunnen maken, kwam ik quasie vragen om hoe laat de bus naar Voss zou vertrekken. “Dan bent U zeker mijnheer Briel”, zei ze. “Men heeft al geinformeerd of U was aangekomen en of er nog een plaats opengehouden moest worden in de auto”. Ik keek verrast op toen ik zoo opeens mijn naam hoorde noemen. Toen de wagen voor stond, kwam ze me waarschuwen en wenschte me een goede reis. Ook de vriendelijke gastvrouw deed me uitgeleide. De auto waarmee ik naar Voss zou rijden bleek heelemaal geen bus te zijn, maar een keurige 7-zits. Naast de chauffeur zat een oude Engelsche dame, die aan die plaats de voorkeur had gegeven. Op de breede achterbank had mijn tafelbuur zich al geinstalleerd. Ik nestelde me in het andere hoekje. Toen vertrokken we, nagewuifd door de beide dames. Direct begon de weg te klimmen, in groote slingers kronkelden we naar boven toe. Ulvik zag ik, dan links, dan weer rechts van me, in de diepte wegzinken. Steeds kleiner werd het witte dorpje aan het blauwe meer, steeds wijder werd daarentegen het uitzicht over het fjord en de bergen. Schitterend was voortdurend het uitgestrekte panorama. Zoo stegen we tot de top bereikt was en we het land in konden trekken. De rit ging nu door prachtige bosschen, langs ravijnen met woest stroomende beken slingerde de weg zich heuvel op en af. Voortdurend werd het oog geboeid door de schitterende natuur overal om ons heen. Onderweg pikten we een jongen op, die later goede diensten kon bewijzen door de hekken, die we voortdurend passeeren moesten te openen en weer te sluiten. In de enkele auto’s die we tegenkwamen zag ik ook zoo’n jochie zitten, kennelijk voor hetzelfde doel meegenomen.
Bij de Skjaervefoss werd even de tocht onderbroken om ons in de gelegenheid te stellen de mooie waterval op ons gemak te bekijken. Enthousiast wendde ik me naar mijn reisgezel,… die echter zat te slapen. Ik kon niet nalaten hem gauw wakker te schudden. Het zou ook zonde geweest zijn dit mooie punt ongezien voorbij te gaan.
Verder ging het weer, terug naar Voss, waar we tegen half vijf aankwamen. Het dorpje lag er eenzaam in de zonneschijn. Alleen voor het station stonden weer eenige autobussen te wachten op eventueele passagiers die zouden komen met de trein uit Oslo. Verder zag ik bijna niemand op mijn wandeling door het dorp en de heuvelachtige omgeving. Pas tegen 7 uur begon er weer leven te komen, toen uit alle richtingen de gasten weer naar het hotel kwamen aangewandeld. Nu was ik ook in de groote familie opgenomen. Van alle kanten werd ik begroet en moest ik antwoorden op de vraag waar ik in Ulvik zoo plotseling gebleven was. Zelf waren ze pas om 5 uur met een bus naar Voss teruggekeerd.
Voor het eten heb ik nog een tijdje gezellig op de veranda staan praten en ook na het diner er mijn kopje koffie gedronken, temidden van mijn nieuwe Engelsche kennissen. Een paar vriendelijke Schotsche dames heb ik beloofd mijn volgende vacantie in Schotland door te brengen. Helaas, precies een maand later, het was 3 Augustus, verklaarde hun land aan Duitschland den oorlog. Hoezeer heeft , ook die Duitscher, die we op de “Rosendal” gesproken hebben, zich vergist met z’n: “Wir bekommen bestimmt keinen Krieg, der Führer hat es uns versprochen”. Te vast had hij vertrouwd op de beloften van zijn Leider en te vast had de propaganda hem overtuigd dat Engeland voor Polen geen oorlog zou voeren. Hoezeer verschilt op het oogenblik echter de werkelijkheid met al die theorieën.
De volgende morgen moest ik weer voor dag en dauw op. Al om 6.40 zou de trein naar Bergen vertrekken. Eenzaam zat ik in de groote eetzaal te ontbijten, eerst een bord met ricepies en jam (wilde ik toch ook eens proeven) en daarna brood, waarvoor ik het belegsel zelf kon uitzoeken op de welvoorziene lange tafel. Toch zou ik nog gezelschap krijgen. James Bain, een van de Schotten waarmee ik de vorige dag kennis had gemaakt, moest met dezelfde trein mee. Samen hebben we toen de reis gemaakt. Wéér reden we langs de bochtige oevers van donkere fjorden. In het kristalheldere, rimpellooze water weerspiegelden zich de hooge bergen. Het werd een mooie dag.
Zouden we dan toch mooi weer hebben in Bergen, de stad waar het 350 dagen van het jaar regent? En we hadden mooi weer, schitterend weer zelfs. Aan het Bureau voor Vreemdelingen Verkeer in de hall van het station informeerde ik eerst of de “Ariadne” al binnen was. Toen dit het geval bleek te zijn, ben ik in een taxi naar de haven gereden, waar ik mijn koffer vast aan boord heb gedeponeerd. Daarna te voet direct de stad weer in.
Aan een mooie natuurlijke baai, welke geheel omsloten wordt door hooge bergen, ligt de tweede stad van Noorwegen. In het centrum, in de onmiddellijke omgeving van de drukke haven, vindt men vele resten uit vroegere tijden. Machtig verrijzen de hooge wallen van het oude kasteel zich langs de waterkant. Daar zijn de Haakonshall, de Lakenhal uit de 12e eeuw en de Rosenkrantztoren, allemaal herinneringen uit het grijs verleden. Dan kom ik langs een typisch gedeelte, de Tyskebryggen, een stadsgedeelte dateerende uit de Vroege Middeleeuwen.
Vlak naast elkaar staan de houten huizen met hooge spitse gevels. Nauwelijks is er eenige ruimte uitgespaard voor de nauwe steegjes. Daar vlak bij zijn de Hanzekantoren en het Hanze museum, eveneens een zeer bezienswaardig gebouw. In dit oude stadsgedeelte, waar de wegen sterk geaccidenteerd zijn, ziet men uitsluitend houten huisjes staan, meest in heldere, frissche kleuren geverfd. In een park, verscholen tusschen het groen, staat één van de oudste, uit steen gebouwde Noorsche kerken, het Mariakerkje uit de 12e eeuw. Een eindje verder vind ik de Dom, wel een wijdsche naam voor het van buiten zeer eenvoudig uitziende Godshuis. Dan sta ik weer bij de haven, op de groote vischmarkt, waar het levendig toegaat. Visschen in velerlei soort en gedaante levend of dood, worden hier te koop aangeboden. Het is nog vroeg, velen doen hier nu hun inkoopen. Het is een gekrioel van menschen tusschen de talrijke vischstalletjes door.
Ik wandel verder en kom nu in het moderne deel van de stad met zijn groote bankgebouwen, mooie winkelgalerijen en hooge flats. Midden in dit nieuwe stadsgedeelte sta ik opeens weer voor een brokje uit het verleden, een oud wit steenen gebouwtje, het vroegere stadhuis, dat zorgvuldig gespaard is gebleven, nadat alles erom heen was afgebroken, om er nieuwe gebouwen voor in de plaats te zetten. Nu moet ik nog het Fantoft Staffkerkje zien te vinden, één van de meest bekende bezienswaardigheden van Bergen. Op mijn plattegrond van de stad staat het echter niet. Dan maar vragen aan de eerste de beste die ik ontmoeten zal. Ik loop verder, sla een hoek om,…en sta opeens voor James Bain, die verdiept was in een dikke Baedeker. Het Fantoft kerkje was nu gauw opgespoord.
Geen wonder dat ik het op mijn plattegrond niet had kunnen vinden, want het lag een heel eind buiten de stad. Dan maar met de trein er naar toe. Mr. Bain vroeg of hij met me mee mocht, waar ik natuurlijk niets op tegen had. Een boemeltreintje bracht ons naar Fløsanger, vanwaar we verder zijn gewandeld tot eindelijk het kerkje gevonden was. Het was er heerlijk loopen, hoewel de wegen vrij geaccidenteerd waren.
Al gauw liepen de Schot de druppels van zijn gezicht, maar hij hield moedig vol en wist me goed bij te houden. Toch voelde hij zich genoodzaakt om een opmerking te maken over mijn lange beenen. Ik had echter nog veel meer op mijn programma staan voor die dag en bleef dus stevig doorloopen. Intusschen genoten we voortdurend van een prachtig stukje boschrijke natuur, met telkens mooie uitzichten op de dalen beneden ons. Heerlijk was het hier, zoo vriendelijk en zoo rustig. Haast niemand ontmoetten we op heel die lange wandeling.
Midden in het bosch, boven op een heuveltje, vonden we het Fantoft kerkje, een oud, donker geteerd houten gebouwtje, dat met zijn grillig gevormde dakversieringen het midden hiel tusschen een Menangkabouwsch huis en een Chineesche pagode. Een mannetje met een bochel ontsloot voor ons de deur. Na het helle daglicht buiten, moesten onze oogen eerst even wennen aan de duisternis binnen. Toen konden we het primitieve interieur pas beter zien en de schilderingen aan de wand. Na eenige tijd hier doorgebracht te hebben, wandelden we verder naar Hop, waar ik een bezoek wilde brengen aan het huis waar vroeger Edvard Grieg gewoond heeft.
Via Paradis bereikten we het dorpje, maar zoo makkelijk als ik het nu neerschrijf, ging het niet. Paradis hebben we niet zoo directmkunnen vinden en iemand om de weg te vragen ontmoetten we niet op de stille buitenwegen. Gelukkig zagen we na eenigen tijd langs de weg een restaurant liggen, dat echter ook uitgestorven leek. Ik liep het heele gebouw door, maar zag niemand. Tenslotte vond ik in de keuken toch een meisje, maar veel schoten we hier niet mee op, want het kind sprak en verstond alleen maar Noorsch. Ik toen toch maar geprobeerd om met de paar woorden Noorsch die ik kon brabbelen de weg te vragen en inderdaad, we konden nu tenminste de goede richting inslaan.
De eerste de beste die we onderweg ontmoetten, een dikke gezellige tante, heb ik direct weer aangeklamt en zoowaar, we waren nog steeds op de goede weg. “Dat was bijna Paradise lost”, zei ik tegen Mr. Bain, die vol bewondering voor me was, dat ik zoomaar al die talen kon spreken! Op een gegeven oogenblik wilde hij laten zien dat hij toch ook iets van de Noorsche opschriften kon lezen. We passeerden een bordje waarop stond: “Beware of det tog”. “Kijk”, zei hij, “daar staat “Pas op den hond”. Hij had het echter mis, want “tog” beteekent niet “hond” (dog), maar “trein”. Hij had een reuze plezier toen ik hem op zijn vergissing wees en toen we op de terugweg weer langs die plek kwamen, zei hij lachende:”Kijk die hond eens”.
Intusschen hadden we Hop bereikt, maar we waren nog lang niet in Troldhaugen, het eigenlijke doel van de tocht. Een eenzame kruidenier die moeizaam met zijn fiets tegen een lange helling opzeulde, wees ons weer verder. We bleken nog steeds op de goede weg te zijn. Dat gaf ons weer nieuwe moed en gesterkt door de zekerheid numtoch ééns het gewenschte doel te zullen bereiken, liepen we verder.
Intusschen waren we van de groote weg afgeweken en liepen nu weer langs smalle wandelpaden, op en af, door een mooie boschrijke omgeving, waar we tenslotte aan het eind van een rustig laantje het wit houten huis van de groote componist ontdekten. Schitterend was het uitzicht vanaf de lommerrijke tuin op het blauwe water, dat diep beneden ons zich aan alle kanten uitstrekte. Tusschen de eilandjes en landtongen door, dreven witte zeilen. Een kronkelend pad voerde ons omlaag, waar we, uitgehakt in de granieten rotswand, het eenvoudige graf ontdekten van de beroemde man. “Edvard Grieg” was alles wat er gebeiteld stond in de grauwe steen boven in de rots. Een enkel verlept bloemmetje maakte ons opmerkzaam op de plek waar een groot man zijn laatste rustplaats had, anders waren we er gewoon onderdoor geloopen, zonder de steen boven ons te ontdekken.
Langs dezelfde weg wandelden we terug naar het stationnetje van Hop, waar we niet lang behoefden te wachten op de trein die ons naar Bergen terug zou brengen. Het was stralend, zonnig weer, een uitzonderlijke dag dus voor Bergen, waar het het grootste gedeelte van het jaar regent. In de koele zaal van Hotel Terminus hebben we die middag eerst goed gegeten, alvorens verder te gaan met onze zwerftocht door de stad en zijn mooie omstreken.
Een bergbaanmbracht ons naar Fløien, waar op 300 meter hoogte een groot restaurant ligt op één van de zeven bergen, die de stad aan alle kanten omringen. Vanaf dit punt hadden we een uitgestrekt panorama over de stad en omgeving. Afgesloten door een ring van eilanden ligt de haven van het oude Bergen, veilig beschut tegen invloeden van de Atlantische Oceaan.
Aan de verschillende kaden lagen de schepen te lossen en te laden en voortdurend voeren nieuwe booten af en aan. Meer aan de buitenkant van het centrum liggen de nieuwe stadsgedeelten en daarachter verheffen zich de heuvels, die de stad aan de landzijde als een beschermende gordel omringen. Boven Fløien kronkelen in alle richtingen goed aangelegde wandelpaden, waardoor men op menig mooi plekje kan komen, waar te genieten valt van een wijd en grootsch uitzicht. Weer terug gekeerd op ons uitgangspunt, het eindstationnetje van de kabelbaan, zijn we, alvorens weer naar beneden af te dalen, eerst eenige oogenblikken gaan zitten in de tuin van het restaurant, vanwaar we een uitzicht hadden op de stad beneden ons.
Een groote 2-pijper kwam de haven binnengestoomd. Later bleek dit het schip te zijn waarmee Bain de volgende morgen de reis terug naar Schotland zou maken. Een paar watervliegtuigen vlogen onder ons over de stad heen en streken eer in de haven bij het landingsstation. Weer in de stad teruggekeerd, hebben we de wandeling voortgezet in de richting van de nieuwe stad. Om een mooi aangelegd park met een groote vijver in het midden, vonden we eenige voorbeelden van typisch moderne architectuur. Weer verderop kwamen we in de Botanische tuin, wandelden door een ander uitgestrekt park en kwamen toen weer terecht in de oude stad met zijn smalle steile straatjes en kleurige houten huisjes.
In een restaurant aan de haven, tegenover het Hanza Museum, hebben we die avond gegeten. “Kafee Royal” was de wijdsche naam van dit maar eenvoudige volkslokaal. De zuinige Schot had er echter niet méér voor over, om voor een enkele Kroon meermin een betere gelegenheid te gaan zitten. Gelukkig was het eten goed en daar komt het toch voornamelijk op aan.
In de omgeving van de steile, hebbelige straatjes en de eerbiedwaardige gevels van de oude Hanze huizen, paste dit eenvoudige restaurant anders wonderwel. Langs de Tyskebryggen met de duistere winkeltjes waarin een warreling van netten, vaten en ander scheepsgetij en de groote pakhuizen vol met tonnen visch, die de heele omgeving met een doordringende geur vervulde, liepen we naar de aanlegsteiger van “Det Bergenske Dampskibsselskab”, waar de “Ariadne” op zijn passagiers lag te wachten. Het was nu negen uur in de avond en over een uur zou de boot vertrekken. Ik nam afscheid van Mr. Bain en ging aan boord. Over de railing keek ik neer op het bedrijvige gedoe op de kade.
Telkens weer kwamen taxi’s aangereden met nieuwe passagiers. Langzamerhand vulden de dekken zich en ook in de salons werd het hoe langer hoe drukker. Tot de laatste plaats toe was het schip volgeboekt, vandaar dat ik zoo’n moeite had gehad om nag een hut te kunnen krijgen. Ook werd er veel lading ingenomen, o.a. een vrachtauto vol met levende paling, die in eenige tanks op het voorschip werden overgeschept. Intusschen was de duisternis gevallen en om ons heen begonnen de lichten van Bergen te schitteren, om de haven en hoogerop, tegen de hellingen van de heuvels rondom. Heel in de hoogte een dichte rij van het restaurant op de Fløien. Een uur later dan oorspronkelijk het plan was, maakte de “Ariadne” zich eindelijk gereed tot het vertrek. Nagewoven door de vele wegbrengers op de kade, stoomden we langzaam de haven uit, maakten een groote boog en verdwenen toen tusschen de eilandjes door in de richting van de open zee. Het was een prachtige maannacht en zoolang er nog land te zien was, ben ik op dek gebleven. Mijn hutgenoot, Mr.Moon, een oude Engelschman, had ik nog niet gezien. Hij kwam pas laat beneden, toen ik al sliep. Zoo hebben we eerst de volgende morgen, in pyama, kennis met elkaar kunnen maken.
Toen ik tegen 7 uur wakker werd, zag ik land voorbij de patrijspoort schuiven. Snel heb ik me aangekleed en kwam op het dek, juist op het moment dat de boot aanlegde aan de kade van Stavanger. Zoodra de “Ariadne” gemeerd lag, ben ik aan wal gegaan om wat in de stad rond te kijken. In de onmiddellijke omgeving van de haven ligt het oude gedeelte, met z’n groezelige houten huizen en loodsen. Ik liep er door de nauwe, kronkelende, steile straatjes waar het rook naar visch en langs de winkeltjes en pakhuizen, waarin in dichte rijen de grauwe stokvisch was opgehangen. Aan het einde van de haven kwam ik op de markt. Aan de kaden lag het vol met schepen waaronder de “Rosendal”, waarmee ik een paar dagen tevoren de tocht door het Hardangerfjord had gemaakt. En langs het water op een groot plein, waar een eerbiedwaardig bronzen figuur, die met zijn hooge hoed op veel op een aapjeskoetsier leek, vanaf zijn hooge voetstuk op neerkeek, stonden de tentjes met hun fleurige, kleurige uitstallingen. Het was er een gezellige drukte tusschen de kraampjes met visch en fruit, groenten en bloemen.
Ik liep verder en kwam uit in een nieuwer gedeelte van de stad. Om een groote vijver, waar omheen keurig aangelegde parken, stonden aardige villatjes met veel bloemen in de tuinen. Langs een 12e eeuwsche Kathedraal kwam ik, nu aan de overkant van de haven, weer in het oude Stavanger terecht. Hier was meer de winkelbuurt. Door de nauwe straatjes klom ik omhoog, totdat ik uitkwam bij een oude vestingtoren, vanwaar ik een uitzicht had op de haven en omgeving. Toen ik terug kwam aan boord, waren ze nog steeds bezig met het inladen van kisten sardines. Na de vroege ochtend wandeling heb ik me het ontbijt goed laten smaken. Aan tafel maakte ik hier en daar een praatje met mijn mede passagiers die voor het grootste gedeelte Hollanders waren. Na een paar weken voornamelijk Duits en Engelsch gesproken te hebben, kon ik nu weer eens mijn eigen taal gebruiken.
Om tien uur vertrokken we van Stavanger. Al spoedig was het land uit zicht en bleef me toen niets anders over dan ook maar m’n dekstoel in het zonnetje te slepen en daar te gaan zitten lezen. Rondloopen ging bezwaarlijk, daarvoor waren de dekken en de salons te vol. Het schip had veel te veel passagiers aan boord in verhouding tot de betrekkelijk geringe ruimte. Boven ons zweefden vele meeuwen, die het schip trouw bleven volgen en ons van tijd tot tijd, heel onbeleefd, bevuilden. Uit het geopende raampje van de marconisten hut klonk muziek. Op speciaal verzoek van de Hollandsche passagiers stond de radio voortdurend ingesteld op Hilversum, om toch maar zoo gauw mogelijk de tijding van de heugelijke gebeurtenis die zich in het Prinselijke gezin zou voordoen, te kunnen vernemen. Al een paar dagen had men vol ongeduld gewacht. Nu zou het toch niet zoo lang meer duren.
Inderdaad duurde het niet zoo lang meer. ’s Avonds kwam het lang verwachte bericht, “een Prinsesje geboren”, maar in plaats van feest te vieren, lag toen 90% van de passagiers zeeziek in z’n kooi. Toen we Stavanger pas verlaten hadden, ging alles nog goed. De zee was rustig en de bouillon die we om 11 uur ’s morgens geserveerd kregen, heb ik me nog goed laten smaken, evenals de lunch om half twee. Toen ik echter na het eten in de salon een kopje koffie kwam halen, was er al een verslechtering van het weer merkbaar. Er kwamen wittekoppen op de golven en de “Ariadne” begon te deinen en te stampen. Nog even heb ik het uit kunnen houden, daarna heb ik voorzichtigheidshalve mijn couchet maar opgezocht. De thee ’s middags en het diner heb ik noodgedwongen moeten laten schieten.
Intusschen werd de zee steeds woeliger en het schip ging steeds meer te keer. De patrijspoorten werden gesloten en al gauw daarna sloegen de hooge golven tegen de ruiten. Het schip steunde en kraakte en van tijd tot tijd klonk het gerinkel van brekend glas als de “Ariadne” heel erg op een zij ging liggen. De stewardessen kwamen nu langs om overal spuwbakjes aan de couchetten te haken, geen opwekkend idee, als je toch al beroerd op je bed ligt. Tegen de avond kwam mijn stewardess me wat eten brengen, beschuiten, dik met boter besmeerd en een bord vol fruit. Zoolang ik languit bleef liggen, kon ik het nog wel uithouden en alles wat mij gebracht was, heb ik dan ook met smaak op kunnen eten.
Tegen acht uur kreeg ik hoog bezoek. De kapitein in eigen persoon kwam overal een kijkje nemen bij zijn zeezieke passagiers. “How are you”, informeerde hij belangstellend. Ik probeerde opgewekt te kijken en loog: “Rather good”. “Over een paar uur is het ergste voorbij”, troostte de Cap toen, “als we het Skagerrak maar gepasseerd zijn”. En inderdaad, tegen tien uur begon de zee kalmer te worden, ik heb die nacht zelfs goed kunnen slapen en kon de volgende morgen weer frisch en wel op dek verschijnen. Wel schommelde de boot nog wat, maar het ergste leed was toch geleden. Bij het ontbijt hoorden we het groote nieuws uit Holland, “Een Prinsesje geboren”. Opeens droeg iedere Hollander een oranje strikje op zijn borst. Een fanatiek vaderlander had n.l. een heele rol lint mee op reis genomen en deelde nu met kwistige hand stukjes oranje uit.
Weer een ander enthousiaste Hollander had namens de Nederlandsche passagiers aan boord, via de scheepsradio een gelukstelegram gestuurd aan het Prinselijke Paar en tot onze groote verbazing en verrassing, kwam in de loop van de morgen al een antwoord terug, met dank voor onze gelukwenschen. Het luidde: “Aan de Nederlandsche passagiers van het Noorsche s.s. Ariadne. Namens het Prinselijke Paar hartelijk dank voor Uw spontane gelukwenschen”. Dat was meer dan we verwacht of gehoopt hadden. \\
Tegen de middag passeerden we het lichtschip “Haaks”. We voeren er zoo dicht langs, dat we de juichende bemanning duidelijk konden zien en hooren. Van de drie masten wapperden vroolijk het rood-wit en blauw. Na het middageten kwam de Nederlandsche kust in zicht, zagen we de “blanke toppen der duinen, die schitterden in de zonnegloed”. Het was weer mooi weer, het “Oranjezonnetje” scheen. Daar doemde Scheveningen al op in de verte. Duidelijk zag ik de radiotorens, de Pier en de Boulevard. Nu werd het hoog tijd om mijn koffer te pakken, want reeds was Hoek van Holland in zicht.
Toen we de Waterweg binnenvoeren, was ons schip vroolijk gepavoiseerd en ook van de andere schepen woeien de vlaggen. Op hijschkranen, op dokken, op de loodsen en gebouwen langs het water, overal wapperde de nationale driekleur. Het werd een feestelijke intocht. Tegen zeven uur ’s avonds lagen we in Rotterdam aan de kade. Zoodra het passenonderzoek gebeurd was, ben ik van boord gegaan. Als een van de eersten, kon ik snel de douane passeeren, die heel coulant was en maar vluchtig mijn bagage onderzocht.
Een taxi bracht me vervolgens door het feestende Rotterdam naar het Maasstation, waar ik een mooie aansluiting had op de trein naar Utrecht. Evenals mijn terugkeer uit Praag, ongeveer een jaar geleden, toen onze Koningin een Regeerings-jubileum vierde, werd ook deze terugreis naarUtrecht een reis door een feestelijk versierd land, weer wapperden overal de vlaggen, waren overal de steden en dorpen versierd en weer eindigde op deze bijzondere manier een vacantiereis, die ook bijzonder was in ieder ander opzicht.