Zaterdag, 27 Augustus 1938 begon de reis met een portie nasi-goreng in de stationsrestauratie te Utrecht. Tot Berlijn zou geen restauratiewagen in de trein zijn, het was dus noodig met een volle maag te vertrekken. Daar het beter uitkwam wat betreft de tijden van vertrek en aankomst, had ik de route over Groningen, Nieuwe Schans gekozen. Echter moest ik nu twee maal overstappen, eerst in Groningen en later nog een keer in Bremen. Tot Groningen verliep de reis zeer vlot, daarna werd het boemelen tot aan de grens. In Weener en Leer vond het onderzoek plaats van respectievelijk de Nederlandsche en Duitsche douane, wat geen moeilijkheden met zich bracht. In de trein waren trouwens maar weinig passagiers. Tot aan Berlijn heb ik dan ook maar steeds niet meer dan één reisgenoot gehad in mijn 2e klas compartiment.
Het Duitsche landschap tot Bremen verschilde niet veel met Holland. Dezelfde wijde uitzichten als in Groningen had je ook hier. Eerst verderop werd het land wat meer geaccidenteerd en boschrijker. Wel was het verschil duidelijk merkbaar wat de huizenbouw betreft. Nauwelijks de grens over, zie je een andere stijl. Ook treft het je direct het groote aantal kinderen in de Hitlerjugend uniform en de hakenkruisvlag die van vele huizen wapperde. Aan verschillende stations waar we langs kwamen, was het een drukte van belang.
Verscheidene treinen hadden gereserveerde wagons voor de groote groepen S.S. mannen en Hitler Jugend die vervoerd moesten worden. In Bremen moest ik overstappen in het voor Berlijn bestemde deel van de trein en verhuisde daarvoor een paar wagons meer naar achteren toe. Intusschen was het donker geworden. De tijd tot aan de aankomst in Berlijn heb ik toen benut met mijn Grieben over Praag nader te bestudeeren.
Even werd de lectuur onderbroken om de inwendige mensch te versterken met eenige warme worstjes, een lik mosterd en een broodie. Daarna kwam al spoedig Berlijn in zicht, maar het duurde toch nog een klein uur voordat het Lehrter Bahnhof bereikt was. Dit was om alvast eenig idee te krijgen van de enorme oppervlakte van deze millioenenstad.
Even vóór middernacht kwam de trein in Berlijn aan. Het station was keurig versierd met vlaggen in de Duitsche en Hongaarsche kleuren. Buiten gekomen was ook het eerste wat ik zag, een grootsch opgezette versiering, alles ter eere van de Hongaarsche gast, Hortey, die juist een bezoek had gebracht aan Berlijn. In een taxi reed ik door de nachtelijke stad naar Hotel Kieler Hof, dat me door de N.R.V. was aanbevolen. Het hotel bleek echter geheel uitverkocht te zijn. Op mijn verzoek belde de portier het in de nabijheid gelegen Hotel Krausenhof op om te informeeren of daar nog een kamer vrij was, wat gelukkig het geval bleek te zijn.
Via het feestelijk verlichte en versierde Unter den Linden, waar verschillende restaurantterrassen nog druk bezet waren, reed ik erheen. Ik kreeg een keurige kamer van alle gemakken voorzien en spoedig daarna lag ik in bed.
In Duitschland moet men zuinig zijn met allerlei moeilijk te verkrijgen grondstoffen. Metaal is er één van en zoo zie je dan ook in elke hotelkamer een blikken “spaarpotje” waarin je de gebruikte scheermesjes kunt deponeeren. Alle beetjes helpen. Wat het eten betreft, als vreemdeling in de hotels krijg je genoeg, ook voldoende boter. De broodjes kon ik echter niet lekker vinden. Meestal krijg je grauw, bruin brood, dat vrij taai is. Wit brood schijnt schaarsch en vrij duur te zijn.
Na het ontbijt de volgende morgen, ging ik al vroeg op stap, want ik had voor die dag nog een heel programma af te werken. Mijn eerste gang was naar het station Friedrichstrasse, waar ik aan het wisselbureau nog wat Marken wilde inslaan, daar ik voorzag niet genoeg te zullen hebben aan de meegebrachte 30 Mark. De Friedrichstrasse, de anders zoo drukke winkel- straat, was op dit vroege Zondagsche uur nog vrij stil, maar later op den dag kreeg het zijn oude aspect van levendige “groote-stad” straat weer terug.
Op de Unter den Linden kocht ik een ticket voor een rondrit door de stad bij één van de talrijke aldaar opgestelde sightseeingcars. Het was een zeer internationaal gezelschap waar tusschen ik als eenige Hollander verzebld was geraakt. De toer bracht ons langs de meest bezienswaardigheden van de stad en gaf ons een goed beeld van de enorme omvang en de schoonheid van Berlijn. Van Unter den Linden ging het via de Wilhelmstrasse met de verschillende regeeringsgebouwen, langs de Reichskanzlei en het Reihs Luftfahrt Ministerium, een enorm, zeer modern gebouw, dat met zijn grijze gevels en strakke lijnen een uitgezocht voorbeeld is van de tegenwoordige Duitsche bouwkunst.
De tuin van een der oude paleizen waarlangs wij reden, was ter eere van Hortey, die er logeerde, prachtig versierd met blauwe geraniums, een bloemenpracht die de bijzondere aandacht trok van vele voorbijgangers. We gaan verder door de Prins Albrechtstrasse, langs het Haus der Flieger, naar Potsdammer Platz, door de Leipziger Strasse, Alexanderplatz, langs het Stadhuis, het voormalige Keizerlijke Slot, langs de Lustgarten met de Dom, terug naar Unter den Linden.
Via het Ehrenmal met het Graf van de Onbekende Soldaat rijden we onder de Brandenburger Tor door en gaan nu op weg naar het West End, het luxe gedeelte van Berlijn. We rijden door de Tiergarten, langs de Sieges allee en de Königsplatz en zien o.a. het Rijksdaggebouw, het Bismarckdenkmal, de Siegessäule en de Kroll Oper. Verder gaat het vervolgens door Den Zelten, de Groszer Stern, langs het Slot Charlottenburg, via de Adolf Hitler Platz en het Neu West-End naar het Reichssportfeld.
We krijgen een indruk van een prachtige stad, met ruime boulevards, mooie pleinen en parken en vele kunstvolle bouwwerken. Grootsch van opzet is het Reihssportfeld en zijn omgeving. Prachtig van architectuur zijn het Olympisch Stadion, de Tentoonstellingshallen en het Haus des Rundfunks. Boven de moderne, strakke lijnen van al deze bouwwerken steekt een Eifeltoren in het klein, de Funkturm op het tentoonstellingsterrein. Langs de Avus-bahn en de Halensee keeren we weer terug naar het centrum van de stad, via de diplomatenbuurt met gezantschapsgebouwen van vele mogendheden, Kurfürstendamm en Tauentzienstrasse, langs de Zoo naar ons uitgangspunt op de Unter den Linden. Hiermede was de rit door het mooiste gedeelte en langs de meest bezienswaardigheden van de stad ten einde.
Ik wandelde vervolgens de Linden af, ik voor het Ehrenmal een groote menschenmenigte zag staan wachten. Ik bleek juist op tijd te zijn om de aflossing van de wacht voor het Graf van de Onbekende Soldaat bij te wonen. Met muziek voorop marcheerde een detachement soldaten in de stramme Duitsche paradepas voorbij het monument, om na de ceremonie van het wisselen van de wacht, op dezelfde wijze weer terug te keeren. Hoewel het geheele gedoe je als nuchtere Hollander wat vreemd aandoet, moet ik toch bekennen dat de afwerking van de vertooning áf was en dat de Duitsche soldaat uitmuntend gedresseerd is.
Toen de drukte weer wat geluwd was, heb ik een bezoek gebracht aan het Graf van de Onbekende Soldaat. Voor de ingang van de kapel staan, stram en onbewegelijk als standbeelden, twee soldaten op wacht, de helm op het hoofd, wijdbeensch, met het geweer op de grond rustend. Het interieur van de kapel is sober en indrukwekkend. Door een ronde opening in de koepel valt het licht naar binnen en schijnt op de tombe, die omringd was met gens kransen uit allerlei landen.
Vervolgens ben ik naar het nabij gelegen Zeughaus gegaan, een van de oudste praalgebouwen van Berlijn, in Barokstijl opgetrokken, later door Keizer Wilhelm I ingericht als wapenmuseum. Ik heb er geruimen tijd rondgedwaald door de groote zalen, waar veel bijzonders te zien was, van de primitiefste oorlogswerktuigen van eeuwen geleden, tot het modernste geschut toe. Interessant was vooral de afdeeling met herinneringen uit de Wereldoorlog. Daar zag ik o.a. de Fokker driedekker van Manfred von Richtshofen, de beroemde Duitsche oorlogsvlieger die niet minder dan 80 overwinningen in de lucht heeft weten te bevechten, voordat hij werd neergeschoten.
Indrukwekkend was vooral de Ruhmessaal met de prachtige wandschilderingen, diverse veldslagen van groote figuren voorstellende. In het midden van de enorme zaal stond op een eenvoudige standaard, het doodenmasker van von Hindenburg.
Na het bezoek aan het Zeughaus ben ik naar het Potsdammerplatz gewandeld, waar ik in Haus Vaterland heb gegeten, alvorens de speurtocht door Berlijn voort te zetten. Overal waar ik kwam, viel het me op dat er veel in Berlijn werd afgebroken, doch ook, dat er veel weer werd gebouwd. Het lijkt wel of Berlijn opnieuw wordt opgezet, dat de toch al mooie stad nog meer verfraaid moet worden.
Van de Potsdammerplatz ben ik per U-Bahn gereden naar Alexanderplatz en vandaar per tram (Süd Bahn 6) naar de Tauentzienstrasse. Voordat ik er echter was, heb ik zeker wel een uur rondgereden langs de buitenwijken van Berlijn, meest door oude woongedeelten, vaak heele stukken langs de uiterste rand van de stad. De tram vulde zich en liep weer leeg, telkens kwamen nieuwe groepen passagiers, alleen ik bleef zitten
Volgens de trambordjes reed lijn 6 naar de Tauentzienstrasse en dus bleef ik, maar moedig volhouden, totdat we ons doel bereikt zouden hebben. Ik wanhoopte niet, want ik wist in een wereldstad te zijn, waar je dus met groote afstanden rekening moet houden. Het passeeren van een bloemencorso was een aardige afwisseling op deze lange rit door een overigens oninteressant stukje van Berlijn. Aan de vele menschen die langs de weg opgesteld stonden, kon ik merken dat er wat aan de hand was. Het viel me mee dat de belangstelling een optocht van zeer vredelievende aard bleek te gelden. Tenslotte kwamen we weer in het betere gedeelte van de stad en eindelijk was daar dan ook de langverwachte Tauentzienstrasse.
Eigenlijk is het een breede boulevard met een park in het midden. Aan beide kanten breede trottoirs met huis aan huisde meest luxueusche winkelpaleizen. Op vele ramen zag ik in groote witte letters de naam van de Inhaber staan. Voor Joodsche zaken is dit n.l. verplichtend gesteld. Je merkt dan niet alleen dat er toch nog vrij veel Joden in Duitschland zijn, maar dat ze er ook een bestaan kunnen vinden, niettegenstaande ze overal vertrapt worden. Voor menige zaak en restaurant zag ik het opschrift staan, “Juden nicht erwünscht”, zelfs op naambordjes van doktoren.
Op deze mooie Zondagmiddag was het er zeer druk en het was gezellig wandelen temidden van het levendige grootestadsgedoe. Al flaneerende kwam ik bij de Kurfürstendamm, waar het zoo mogelijk nog drukker was. Overal keek ik uit of er op den van de tallooze terrassen nog een plaatsje open zou zijn, maar voorloopig kreeg ik geen kans. Ik wandelde dus eerst nog maar een eindje verder langs de mooie winkels met prachtige étalages, de restaurants, bioscopen en theaters, totdat ik even kon uitrusten van de vermoeienissen van den dag. Intusschen was het een waar genoegen om de menigte aan je voorbij te zien trekken. Heel lang kon ik hier echter niet blijven zitten, want ik moest zorgen op tijd in het Olympisch Stadion te zijn, waar die avond een groot “Festspiel” gehouden zou worden. Met een bus ben ik teruggekeerd naar Unter den Linden. Gezeten op de bovenverdieping had ik a.h.w. een gezicht in vogelvlucht op de krioelende menigte op de boulevards beneden me, een alleraardigste gewaarwording.
In een winkel waar allerlei tickets verkocht werden, heb ik me voorzien van een toegangsbewijs voor het Stadion. Toen ik me in het hotel wat opgefrischt had, had ik nog net even tijd om in een automatiek wat te eten en moest toen per snelste gelegenheid, d.i. per U-Bahn, naar het Reichssportfeld zien te komen, om op tijd te zijn voor de voorstelling. Toch had ik nog gelegenheid om het prachtige stadion nog wat nader te bekijken, alvorens mijn plaats op te zoeken. Wat een schitterend complex sportterreinen. Ik zag o.a. het zwemstadion, waar twee jaar geleden de Hollandsche meisjes op de Olympische Spelen zulke daverende successen hadden geoogst. Ik herkende menig plekje van het stadion uit de film van de Olympische Spelen, die ik toevallig de avond vóór mijn vertrek naar Berlijn in Utrecht had gezien.
Op het moment dat ik mijn plaats innam in het imposante stadion dat 100.000 menschen kan bevatten, werden de lichten gedoofd en nam de voorstelling van het Festspiel “Frohes, freies, glückliches Volk” een aanvang. Wat hier getoond werd aan organisatie grensde aan het onwaarschijnlijke. Niettegenstaande de 8000 medewerkenden aan dit schouwspel, liep alles op rolletjes, zonder onderbreking volgde de eene scene op de andere. Even gingen alle lichten uit en eenige minuten later zag je, wanneer de lampen weer opgloeiden, een totaal ander beeld op de groene vlakte vóór je. Het was een bonte mengeling van kleurige, ouderwetsche kleederdrachten. “Ein Berliner Festtag” zur Biedermeierzeit” werd gevolgd door “Berliner Festtag um die Jahrhundertwende”. Een vroolijk gedoe van een fleurige menigte om de Gartenlokalen, waaruit muziek klinkt. Daar begint de menigte te juichen en stroomt toe naar de rijweg, waar, in een tijtuig gezeten, de vorst en zijn gemalin komen aanrijden. Een ballon wordt opgelaten. Onder het gejuich van de feestende menigte stijgt het gevaarte op, verlicht door talrijke lichtbundels, die de-ballen van alle kanten erop gericht zijn. Steeds hooger stijgt de ballon, totdat ze nog maar een wit stipje is in de stralenbundel. Dan knippen de schijnwerpers uit en gaan de lichten beneden weer aan. Waar zoo juist de muziektenten, Gartenlokalen, heggen, prieelen, e.d. hebben gestaan, zie je nu opeens heel iets anders. Het is als een sprookje, “Hocus, pocus, pas” en je ziet wat anders. Er volgt een lange stoet van allerlei verkeersmiddelen uit de loop der tijden. Eindeloos is de optocht, steeds komt er weer wat nieuws uit de Marathonpoort tevoorschijn, totdat de heele sintelbaan gevuld staat met een bont schouwspel.
Dan komt de scene “Volk in Leibesübungen” en we zien een groot turnfeest, gevolgd door “Wehrhaftes Volk”, een geweldige troepenschouw door de eeuwen heen, en we krijgen een overzicht van de roemrijkste wapenfeiten uit de Duitsche geschiedenis. Tenslotte de laatste scene. Het stadion wordt in gloed gezet door vele duizenden lichtjes. Het middenterrein is gevuld met honderden en nog eens honderden meisjes, gekleed in sierlijke costuums. Muziek weerklinkt en op de klanken van “An der schönen blauen Donau” brengen zij een dans, die een lust was voor de oogen. Fantastisch was het, wat een schouwspel en wat een ensceneering, een waardig slot van een prachtige avond.
Toen ik weer buiten was, zag ik een lange rij verlichte tweeverdiepingsbussen staan, allemaal extra wagens, bestemd voor de verschillende stadsgedeelten. Uit de verte kon ik die file eerst niet thuisbrengen. Ik dacht een rij huizen te zien, die ik daarnet toch niet opgemerkt had. Dichterbij gekomen merkte ik pas wat het was. Voor de richting Unter den Linden moest ik echter weer per ondergrondsche gaan. Ik kwam juist op tijd nauwelijks stond ik in de wagon, of de deuren klapten dicht en we reden weg. In de Friedrichstrasse heb ik nog even wat rondgekeken hier en daar, heb in een automatiek wat gegeten en gedronken en ben toen naar huis teruggekeerd om van een welverdiende nachtrust te genieten.
Uitslapen kon ik, niet, want al heel vroeg moest ik weer op. Na een eenzaam ontbijt ben ik met een taxi naar het station gereden, waar de doorgaande trein “Leipzig, Praha, Wien, Budapest, Beograd, Istambul” al gereed stond. In deze internationale wagon stond alles in 5 talen te lezen, in het Grieksch, in het Cechisch, in het Italiaansch, in het Fransch en in het Duitsch, elck wat wils dus. Ik zat er zeer comfortabel in een tweede klas coupee, die ik voor het grootste deel van de reis alleen maar heb moeten deelen met een aardige Cechische plus Pekinees en een Hongaar, waaraan ik een aangenaam reisgezelscap had.
In Bodenbach, het Cechische grensstation, moest ik de trein uit om mijn geld te laten bescheinigen. Eenmaal op Cechische grondgebied, begonnen mijn medereizigers wat vrijer uit te praten en kreeg ik heel wat kritiek te hooren op het land dat we net verlaten hadden. Na Dresden volgden we voortdurend de Elbe, die heel hoog stond en overal overstroomingen had aangericht. Het laatste gedeelte van de reis vooral was interessant. Vreemdsoortig uitgesleten rotsgevaarten torenden langs de oevers van de rivier omhoog. Aan alles kon ik merken in een ander deel van Europa te zijn, aan het landschap, aan de huizen, de menschen, de opschriften die ik niet lezen kon, kortom, de sfeer was hier heel anders al dan in West Europa.
Zoo was ook mijn eerste indruk van Praag direct na aankomst, een rommelige stad met een sterk Oostersche inslag. Ik zag veel slecht gekleede menschen en talrijke bedelaars. Ook hinh er overal een bepaalde geuk die ik niet kon thuisbrengen. Zou het knoflook geweest zijn? Op straat was het zeer druk. Met een taxi, het verkeer in Cecho-Slowakije is links, ben ik naar het mij door de N.R.V. aanbevolen Hotel Beranek aan de Tylovo námesti gereden. Inderdaad was het een keurig hotel, dat ook vrij gunstig gelegen is, Ik kreeg een mooie kamer, van alle gemakken voorzien. Het is een groot hotel met 500 kamers, met annex een restaurant, dat bekend staat om zijn uitstekende keuken. Het restaurant zelf bestaat uit verschillende zalen, behalve de gewone groote zaal waar muziek was, had je er een Japansche zaal, een Russische zaal, enz., terwijl er verder ook nog een bioscooptheater aan verbonden was.
Mijn allereerste indruk van Praag was dus niet zoo bijster gunstig en dit werd nog eenigszins versterkt door de poging van de chauffeur om mij af te zetten. Later hoorde ik dat zelfs geboren Cechen moeite hebben om zich niet door die heeren te laten nemen. Het beste is om van te voren een prijs te bepalen, want anders kom je voor verrassingen te staan. Men betaalt er n.1. per kilometer en bovendien ook nog een bepaald bedrag voor ieder kwartier dat men onderweg is, een ingewikkelde berekening dus en een dure rit als je veel voor een verkeersagent moet stoppen. Dit gevalletje is echter het eenige gebleken waarop ik critiek kon uitoefenen. Verder niet dan lof voor de Cechen waarmee ik in aanraking ben geweest.
Wie dan ook, iedereen was even vriendelijk en hulpvaardig voor me en ik bewaar dan ook de meest aangename herinneringen aan mijn verblijf in Praag. Toen de trein, over de brug over de Moldau, Praag binnenreed, regende het, maar toen ik het station uit kwam, was het weer droog en verder heb ik het wonderwel steeds getroffen met het weer.
Na me in het hotel geinstalleerd te hebben, ben ik eerst in het groote restaurant beneden gaan eten, alvorens de stad in te gaan. Op aanraden van mijn reisgenoote ben ik begonnen met de bekende nationale schotel, varkensvleesch met “knedliky”. Het heeft me inderdaad uitstekend gesmaakt. De Boheemsche keuken staat trouwens bekend om zijn voortreffelijkheid, maar bovendien heeft het restaurant van Hotel Beranek ook een reputatie van goed te zijn. Ik kon het dus niet beter treffen. Wat het eten betreft heb ik echter nergens reden tot klagen gehad, integendeel, overal waar ik geweest ben, was het even smakelijk en in overvloed opgediend. Bovendien kostte het maar heel weinig. Praag lijkt wel luilekkerland, vooral wanneer je in de
vele groote, luxieusch ingerichte automatieken een kijkje komt nemen en je de meest verleidelijke
etenswarenoveral om je heen uitgestald ziet voor een schijntje. Ik kan me echter best voorstellen dat het Cechische eten voor vele buitenlanders wat zwaar op de maag ligt, want wat je krijgt is behalve overvloedig, ook nog vrij machtig. Daarbij komt nog dat iedere maaltijd eindigt met gebak, dat ook verre van luchtig is.
Na mijn eerste maaltijd ben ik direct de stad ingegaan om voor het zakelijke gedeelte te zorgen. Bij het Reisbureau Cedok moest ik mijn cheque van 1000 Kr. inwisselen, waarvoor ik 1050 Kr. kreeg uitbetaald. Op mijn wandeling van het hotel naar Na Příkopě, waar het reisbureau gelegen is, kreeg ik mijn eerste indruk van het nieuwe Praag. Ik passeerde Václavské náměsti, het Wenzelplein, eigenlijk een breede, lange boulevard, waar het zeer druk was. Later merkte ik dat het hier altijd een buitengewoon levendig gedoe is, van ‘s-morgens vroeg tot ’s avonds laat. Dit is dan ook het centrum van de stad en hier vindt men de groote hotels, restaurants, bankgebouwen, theaters en luxe winkels. Aan de breede trottoirs rijen de gezellige terrassen zich aaneen en ’s avonds vormen de talrijke lichtreclames een kleurig schouwspel.
Praag is vrij geaccidenteerd en zoo loopt ook dit plein eenigszins af. Staat men op de terrassen van het Rijksmuseum, dat het plein aan de “bovenkant” afsluit, dan heeft men een mooi uitzicht op de boulevard en het gekrioel van de menschen menigte en het verkeer op straat. Midden tusschen dit drukke stadsgewoel staat het standbeeld van de Heilige Wenzel.
Het nieuwe gedeelte van Praag is zeer modern, de strakke lijn overheerscht, verder veel beton en glas. Een goed voorbeeld vooral van het laatste is het Bata-huis. Opvallend is het groote aantal Passages dat men in Praag vindt. En overal maar weer winkels, de een al keuriger dan de andere, overal ziet men in die Passages weer een ingang van een restaurant, een bar, een bioscoop of een dancing. Men moet er wel goed de weg weten.
In dit stadsgedeelte voelt men het moderne Cecho-Slowakije, merkt men de nog jonge staat die bezig is krachtig uit te groeien. Overal wordt het oude neergehaald en komt het nieuwe ervoor in de plaats. In korten tijd ontstond zoo een moderne wereldstad naast het oude, historische Praag, dat gelukkig behouden is gebleven. Hier zijn de menschen opvallend goed gekleed, dit in tegenstelling met mijn eerste indruk die ik kreeg toen ik het station uitkwam. Het geldt niet alleen voor de dames, die er over het algemeen zeer charmant uitzien, ook de heeren zijn meestal correct gekleed.
Bij Cedok was het zeer druk, de meest verschillende talen hoorde ik er spreken. Toen ik mijn geld geincasseerd had, ben nik al flaneerende door het gezellige drukke gedoe op de boulevards, naar huis teruggekeerd. Opvallend was het aantal bedelaars, meest blinden, die met een of ander mekaniekje met muziek erin, aan de kost zien te komen. Zooals in elke groote wereldstad, zijn ook hier de krantenverkoopers een vaste verschijning op de straten, van s’morgens vroeg tot ’s avonds laat. Met de gespannen politieke toestand die er op dat oogenblik heerschte, vonden hun kranten gretig aftrek.
Ik moest me echter bepalen tot de enkele Duitsche of Engelsche kranten die ik ’s morgens bij het ontbijt te pakken kon krijgen. Dan kon ik me weer even op de hoogte stellen van de gang van zaken in Oost Europa. Evenals in Weenen, krijg je ook in Praag, zoodra je ergens in een restaurant of op een terras gaat zitten, een heel stel kranten tot je beschikking. Ook hier heb je naast de bedienober een speciale betaalober en zoo zijn er meerdere overeenkomsten. Het was dus geen wonder dat ik, die het in Weenen zoo naar mijn zin heb gehad, ook hier in Praag me al gauw thuis gevoelde. De menschen waren er opgewekt en vriendelijk en je merkte, uiterlijk althans, niets van bezorgdheid over de gespannen politieke toestand. Wel kwam het gesprek iedere keer op dit onderwerp terug. Toen was men nog voortdurend opgevallen steeds vol vertrouwen op een gunstige afloop en men rekende bij een eventueel conflict met Duitschland vast en zeker op de hulp van de bondgenooten, Frankrijk, Engeland en Rusland. Hoe bedrogen moeten de Cechen zich gevoeld hebben toen ze zoo jammerlijk in de steek gelaten werden toen het eenmaal zoover was.
De eerste avond in Praag ben ik geweest naar een nationaal Cechisch theater, waar de operette “Za nasi salasi” werd gegeven, een populair stuk, dat al geruimen tijd op het programma stond. Het was maar een klein, eenvoudig houten gebouwtje dat theater, dat ik na eenig zoeken tenslotte vond. Het aardige ervan was echter dat het typisch Cechisch was. Dit bracht echter weer moeilijkheden met zich, want niet alleen bleek dat het personeel uitsluitend Cechisch sprak, maar ook de opschriften waren in die taal gesteld, dus eveneens niet te begrijpen voor mij. Toch kwam ik tenslotte op de plaats die me toekwam. En dat was een pracht van een plaats, op een van de eerste rijen. Het interieur was bont gekleurd en deed eenigszins Russisch aan. Naast me kwam een Cech zitten die gelukkig een paar woorden Duitsch kon spreken en zoo vriendelijk was me in het kort de inhoud van het stuk te vertellen. Om te beginnen de titel, “Her huisje in het bosch”.
Ook zonder een woord ervan te begrijpen, kon ik de voorstelling behoorlijk volgen, omdat die in principe precies eender was als iedere andere operette. Wel jammer was het dat ik de geestige gezegden van de komieken niet kon verstaan, maar daartegenover stond dat ik des te meer de kleurige, fleurige nationale kleederdrachten op het tooneel kon bewonderen. Wel begreep ik op een gegeven moment aan de gebaren van de beide komieken en het enthousiasme van het publiek, dat ze een lied voordroegen dat hier op neer kwam, dat Cecho-Slowakije voor de Cechen moest blijven en dat ieder ander er met zijn handen vanaf moest blijven. Telkens weer dat groote nationale onafhankelijkheidsgevoel en de groote liefde voor het vaderland dat tot uiting kwam, dat is me voortdurend opgevallen. Hoe fataal is het echter voor die arme Cechen verloopen!
De volgende morgen ben ik begonnen met een groote orienteeringstocht te maken door Praag, om eenigszins een idee te krijgen van de vele bezienswaardigheden die de stad biedt. Vooral in het oude stadsgedeelte was veel moois te zien. Talrijk zijn daar nog de architectonische schoonheden die Praag eenig in zijn soort doen zijn. Een enkele maal komt het oude door het steeds groeiende nieuwe deel in verdrukking en valt dan eenigszins uit den toon. Zoo past b.v. de Pulverturm, op zichzelf een sierlijke Gothische toren uit de 15e eeuw, allerminst in zijn moderne omgeving. Veel beter tot zijn recht komt het Altstädter Rathaus, gelegen aan de Staroměstiké náměsti, de vroegere markt, die thans nog het centrum is van de oude stad.
(Foto A.Savin, Wikipedia)
In de onmiddellijke omgeving van dit plein vindt men tallooze bezienswaardigheden. In de eerste plaats is daar het Stadhuis dat al van 1338 dateert. In 1399 werd het door brand vernield, werd later weer vernieuwd en in de loop der eeuwen voortdurend verbouwd. Zoo komt het, dat men telkens, wanneer hier of daar wat afgebroken wordt, tot nu toe verborgen gebleven vondsten doet.
Naast het Stadhuis staat de toren met de beroemde astronomische klok, welke in 1490 vervaardigd schijnt te zijn door een Meester Hanns. Het is een wonderlijk en ingenieus bedacht mechanisme, dat zeer de moeite waard is. Ieder vol uur b.v. trekken de 12 Apostelen voorbij. Rechts boven staat de Dood, die met klokgelui de optocht inluidt. Met zijn andere hand draait hij een zandlooper om. Heeft hij dat gedaan, dan verdwijnen de poppen weer en komt er een haan te voorschijn die zijn vleugels uitslaat en kraait. Dit is nog maar één voorbeeld van de vele bijzonderheden die in deze astronomische klok zijn ingebouwd. De naam zegt het trouwens al, dat ook diverse astronomische verschijnselen door het ingewikkelde instrument worden geregistreerd.
Onder de toren bevindt zich een Gotische kapel, waarin het Graf van de Onbekende Cechische Soldaat. Achter het Stadhuis staat de Sint Nicolaas kerk en aan de overkant in Barokstijl, het Kinskypaleis. Daarnaast ziet men de twee spitse torens van de Teynkerk omhoog wijzen. Op het plein, waar in de loop der eeuwen vele historische gebeurtenissen zich hebben afgespeeld, staat een monument voor Johannes Hus. Op het gedenkteeken staan citaten van Hus en Comenius gegrift, die de huidige overheerschers van Cecho-Slowakije zeker niet welgevallig zullen zijn. Er staat o.a. “Ik geloof vast dat de regeering eenmaal weer in Uw handen terug komt, mijn Cechische Volk”, en “De waarheid zegeviert”.
Praag wordt wel eens genoemd de stad met de honderd torens. Bijzonder tot zijn recht komt deze bewering, wanneer men de Karlsbrücke over gaat in de richting van de Hradsin. Vanaf dit punt heeft men een wonderlijk mooi uitzicht op het oude Praag. Overal in de omgeving rijzen de sierlijke en typisch gevormde torens en torentjes omhoog en steken scherp af tegen een helderen hemel. Karlovo Most die uit de 14e eeuw dateert, verbindt de Altstadt met de Kleinseite, het stadsgedeelte dat gelegen is aan de voet van de Hradsin. De brug is versierd met een dertigtal standbeelden en groepen en wordt aan beide kanten afgesloten door een hooge, rijk gebeeldhouwde toren. De Kleinseite was het gedeelte waar de hooge adel woonde, vandaar dat men er een menigte paleizen vindt, waarin nu de verschillende ministeries zijn gehuisvest.
Op de Hradsin zelf zetelde de President van de Republiek. Daarvoor hebben eeuwenlang diverse vorsten, koningen en keizers hun residentie op deze burcht gehad. Vanaf deze hoogte heeft men dan ook een “koninklijk” uitzicht op de stad en haar omgeving. Het oudste gedeelte van de burcht is voor het publiek toegankelijk, zoo b.v. de Wladislawische Huldigungssaal, welke gebruikt werd voor feestelijkheden, opvoeringen riddertornooien, de Spaansche Zaal waarin bals werden gegeven en de Landdag zaal, waar zich een groot en belangrijk deel van de Boheemsche geschiedenis heeft afgespeeld.
In de onmiddellijke nabijheid van de Hradsin staat de Sint Veits Dom, het mooiste voorbeeld van middeleeuwsche bouwkunst in Praag. Na de rondgang door de Hradsin en omgeving, kwamen we juist op tijd terug bij de hoofdingang met zijn prachtige monumentale ijzeren toegangspoort, om getuige te zijn van de aflossing van de wacht. Als herinnering aan het ontstaan van de Republiek Cecho-Slowakije is een eereregiment opgericht, dat werd gevormd uit de volksgroepen die hiertoe meegewerkt hebben. Om beurten werd sindsdien op de Hradsin de wacht betrokken door Fransche, Russische of Italiaansche soldaten.
Wij zagen de aflossing van de Italianen door de Russen, wat met de gebruikelijke ceremonien gepaard ging. Na het bezoek aan de Hradsin begon de afdaling door de Kleinseite naar een ander oud gedeelte van Praag, dat echter een heel ander beeld toonde. Maar eerst waren we nog midden in de luxe van de vele paleizen. Om eenige van de bekendste te noemen, het Waldstein paleis, vroeger woning van von Wallenstein, de veldheer uit de 30-jarige oorlog. Dit paleis hebben we bezocht omdat er juist een tentoonstelling werd gehouden van Praagsche Barok-kunst. Verder het Paleis Fürstenberg, het Schwartenberger Palast en het Palais Cernin. En dan zijn er nóg zooveel andere bezienswaardigheden, zooals het huis waar Casanova gewoond heeft, het Klementinum, diverse kerken, enz., enz. te veel om op te noemen.
Tenslotte kwamen we in het stadsdeel Josefov, de vroegere Jodenstad. Hier hadden ze hun eerste nederzetting en sedert 1123 een synagoge. Dit stadsdeel werd door negen poorten, die ’s nachts gesloten werden, van de rest van de stad afgescheiden. De Altneusynagoge van Praag is tevens een van de alleroudste in Europa. Hier heeft zich de bekende Golemsage afgespeeld. Het is een romaansch-gothiek bouwwerk, waarin veel bijzonders te zien was. Met gedekt hoofd moeten de bezoekers er binnentreden. In het duister zagen we o.a. de groote vlag, door de Joden gebruikt tijdens de belegering van de stad door de Zweden, een geschenk van Keizer Ferdinand de Derde voor betoonde dapperheid. Voor een synagoge iets bijzonders is het Gothische kruisgewelf. Evenwel is er, ter onderscheiding van een Christenkerk, een 5e boog aan toegevoegd. Oude koperen luchters zorgen voor de verlichting, Thora kleeden hingen aan de wanden. In de meterdikke muur waren hier en daar, op oogshoogte spleten aangebracht. Hierdoor konden de vrouwen, wien het verboden was de kerk te betreden, toch de dienst bijwonen. Door de duisternis die er heerschte was het niet mogelijk alles goed te bekijken, bovendien kwam niet alles goed tot zijn recht. Veel interessants was hier anders te zien. Naast de synagoge staat het Israelitische Stadhuis, kenbaar aan zijn klok met hebreeuwsche cijfers en wijzers die zich van rechts naar links bewegen. Hier vlakbij ligt het Joodsche kerkhof dat, te oordeelen naar de inscripties op de steenen, dateert uit het jaar 4366. (Joodsche telling, is 606 Christ. jaartelling)ijk
De jongste grafsteen is van het jaar 5547. (1787) Een van de belangwekkendste gedenkteekenen is die van Rabbi Löw, een beroemd Joodsch geleerde. Ook op dit kerkhof, dat toch in de openlucht gelegen is, was het duister, doordat alles verscholem ging onder een dicht bladerendak. Zoo lijkt het of de Joden, die nu overal getrapt worden, alles nog maar in het geheim kunnen doen, of ze zich nu overal terug moeten trekken in het duister, tot zelfs op hun kerkhoven toe.
Een van de kenmerken van mijn reis naar Praag is geweest, dat ik niet te klagen heb gehad over gebrek aan charmant gezelschap. Het begon al op de reis er heen, toen ik in mijn coupee zoo’n aardige reisgenoote trof. In Praag zelf ontmoette ik Charlotte Loth, een aardig Duitsch meisje uit Berlijn. Tijdens de rondrit door de stad had ik kennis met haar gemaakt en na afloop van de tour besloten we om samen ergens te gaan lunchen. Op Charlotte’s verzoek zijn we gegaan naar het “Deutsches Haus”, de groote verzamelplaats van de in Praag wonende Duitschers. Het was heerlijk weer en we besloten in de tuin te gaan eten, waar het gezellig vol was, maar toch weer niet te druk, omdat alles er zoo groot en ruim was. Daar hebben we, gezeten onder de boomen, ons te goed gedaan aan een kostelijke Gansenbraten, een van de Boheems che specialiteiten, en een groot glas bier. Charlotte bleek een alleraardigste praatster te zijn, waardoor de tijd omvloog. Ze was modeteekenares, had een goede baan waaraan ze flink verdiende en zoodoende in staat was om ieder jaar een paar weken op reis te gaan, voorzoover het een Duitscher mogelijk is om naar het buitenland te gaan met al die beperkende deviezenmaatregelen.
Charlotte deed haar beroep alle eer aan, want zelf zag ze er hoewel eenvoudig, toch keurig en smaakvol gekleed uit. Na het eten keerden we samen naar huis terug, daar gebleken was dat Charlotte ook in Hotel Beranek logeerde. Om half vier zouden we elkaar weer in de hall ont-moeten. Dan zou ze me voorstellen aan twee Cechische bekenden van haar die ook zouden komen. Op het afgesproken uur precies was ze weer present. Nu ze uitgerust was en zich weer heelemaal had opgeknapt, zag ze er werkelijk verduiveld aardig uit met het goudblonde haar op een eenvoudig, donker japonnetje.
Ik maakte kennis met Ducan Knop en Franz Kada en samen zijn we daarna op stap gegaan. De beide jongelui moesten ons echter wegens hun drukke werkzaamheden al gauw in de steek laten, na een nieuwe afspraak gemaakt te hebben voor de avond. Nadat Charlotte een nieuwe hoed gekocht had, ben ik met haar in een restaurant op een gezellig punt in de stad gaan thee drinken. Heel gezellig heb ik daar de rest van de middag doorgebracht. Door de drukke stad zijn we daarna samen naar huis terug gewandeld.
Op het Wenzelplein gekomen, moest Charlotte nog even bij Bata een paar schoenen koopenen zoo ben ik in de gelegenheid geweest om dat prachtige gebouw ook van binnen te bekijken. Snelle liften brengen de bezoekers direct van de passage beneden naar de gewenschte étage. De verschillende zalen zijn keurig ingericht en overal in het rond zijn smaakvol ingerichte vitrines. Gezeten in makkelijke fauteuils kan men dan zijn keus bepalen. Een internationaal gezelschap trof ik hier aan, zelfs zag ik eenige Britsch-Indische dames in nationaal costuum. Charlotte had al gauw wat ze hebben wilde. Nog even moest ik helpen om een definitieve keuze te doen en daarna konden we weer verder gaan.
Op het afgesproken uur kwamen Knop en Kada ons afhalen aan het hotel. In een taxi reden we naar een Slowaaksch restaurant, de “Heilige Havel”, waar we de verdere avond buitengewoon genoegelijk hebben doorgebracht. Het interieur was in Slowaaksche boerenstijl, dus bont en kleurig, evenzoo de kleeding van het bedienend personeel en van het orkest. We gingen zitten in een afzonderlijk hoekje op houten banken, aan een lange houten tafel. Het was er bijzonder knus en gezellig en al gauw kreeg de gemoedelijke sfeer ook ons te pakken. De vele karaffen wijn die wij geledigd hebben, zullen ook wel het hunne er toe bijgedragen hebben. Maar voordat het zoover was, hebben we ons eerst te goed gedaan aan een Hongaarsche goulach, want Charlotte en ik hadden toen nog niet gegeten. Ook hier bleek de keuken uitstekend te zijn. Ik heb gesmuld.
Franz Kada zorge dat de glazen steeds gevuld bleven met de voortreffelijke Slowaaksche wijn en zoo kwam het dat, wanneer de muziek Slowaaksche volkswijsjes of Sokolliederen speelde, die werden meegezongen, door het publiek, ik dapper meedeed. Met buitengewoon enthousiasme zong iedereen vooral die liedjes mee die hierop neerkwamen dat Cecho-Slowakije onafhankelijk moest blijven en dat zoowel Adolf als zijn vriend Benito er met hun handen af moesten blijven. Het was een zeer geslaagde avond, die pas na het middernachtelijke uur eindigde.
We werden per taxi netjes thuis gebracht en moesten toen van Charlotte afscheid nemen, die de volgende morgen al heel vroeg de reis naar huis terug moest aanvaarden.
In het restaurant van het hotel begon ik de nieuwe dag met een ontbijt, bestaande uit een heerlijk kop koffie met slagroom, precies zooals die in Weenen wordt geserveerd, met de noodige croquante broodjes. Uit de stapel kranten koos ik de voor mij leesbare uit, om me op de hoogte te stellen van het laatste nieuws. Hoewel het nog steeds rommelde aan de politieke hemel, dreigde er nog geen onmiddellijk onweer te zul-len losbarsten. In Hotel Alcron was Lord Runciman nog steeds bezig met onderhandelen, teneinde een bevredigende oplossing te kunnen vinden.
Intusschen ging het leven zijn gewone gangetje. De restaurants zaten vol met menschen, die rustig gezeten achter een kopje koffie, hun krantje lazen. In de stad was nooit iets bijzonders te bemerken, behalve de vele étalages met gasmaskers. Nu was ook iedere inwoner van Praag verplicht zich zoo’n ding aan te schaffen, bij niet nakoming waarvan men een boete van 1000 Kr. kon oploopen. Wanneer dan ’s morgens bij het ontbijt, na lezing van de kranten bleek dat er nog geen direct gevaar dreigde, ging ik die dag maar weer welgemoed op stap, om te genieten van het vele schoonsen bijzonders dat Praag biedt.
De morgen na het feest in de “Heilige Havel”, heb ik Knop op zijn kantoor opgezocht. Hij had me verzocht tegen 10 uur even aan te komen loopen, aan welk verzoek ik heb voldaan. Als rechterhand van de directie van een groote uitgeversfirma, zetelde hij daar in een schitterend gemeubileerd vertrek, waar ik, in een diepe fauteul weggedoken, even kon uitrusten van mijn ochtendwandeling. “Mijnheer had een conferentie” zei me de telefoonjuffrouw bij wie ik me moest aanmelden. Ik behoefde echter niet te wachten, want Knop liet me direct binnen. De “conferentie” bestond uit een beeldschoone jongedame die naast hem op de bank zat. Ik heb hem toen maar niet al te lang opgehouden.
Ik moest bovendien zorgen op tijd aan het Wilsonstation te zijn, om de trein te halen die me naar Karlsteyn zou brengen. Nu ik de provincie in ging, had ik veel meer last met de taal dan in Praag, waar ik altijd wel iemand vond die Duitsch verstond. In een “nekuřáci” coupee van een landelijk boemeltreintje reed ik, groetendeels langs de Moldau, naar Karlsteyn toe. Het was een echte boemel, want voortdurend stonden we stil. Dat maakte de zaak voor mij nog moeilijker, want hoe kon ik nu precies weten wanneer ik uit moest stappen. Ik wist om hoe laat ik ongeveer aan moest komen, maar wanneer je om de paar minuten stil staat, heb je er nog niets aan.
Mijn reisgenooten konden me niet waarschuwen, want die spraken alleen maar Cechisch. Toch scheen één me begrepen te hebben, want toen het zoover was, zei hij wat tegen me, waaruit ik kon opmaken dat we Karlsteyn naderden. Ik stapte uit op een landelijk stationnetje. Alles zag er eenzaam en verlaten uit. Ik liep een hotelletje binnen dat tegenover het station gelegen was, om eerst wat te gaan eten, alvorens de wandeling naar de burcht te beginnen. Ook hier viel het me niet mee om me verstaanbaar te maken, maar tenslotte, met een enkel woord en veel gebaren, kreeg ik toch mijn gebraden kippetje, dat me goed heeft gesmaakt. Na het eten ging ik op stap. Eerst een brug over en daarna de heuvels op, tot ik aan een dorpje kwam met alleraardigste huisjes.
In het midden van het dorpsstraatje kwam ik op een driesprong. Misloopen ging nu niet meer, want hoog boven me zag ik al de burcht in het donkere groen verscholen. Ik koos de linker weg en wandelde hierlangs omhoog. Het was een aardige landelijke omgeving waar ik langs trok. Aan de kant van de weg ruischte een helder beekje, waarin groote troepen ganzen rondzwommen. Boerenkarren, volgeladen met hooi passeerden me. Onder aan de burcht gekomen, ben ik van de groote weg afgeweken en een boschpad ingeslagen. Snel kwam ik toen omhoog en al spoedig stond ik voor de poort van het kasteel Karlsteyn. Van deze hoogte had ik een schitterend uitzicht op de omgeving beneden me.
In afwachting van de komst van de gids die de bezoekers door de burcht zou leiden, ging ik in de tuin op een bankje briefkaarten schrijven, toen een man naast me kwam zitten en probeerde een praatje met me te maken. Ongelukkig genoeg konden we elkaar niet verstaan, daar hij alleen maar Cechisch sprak. Inmiddels groeide het groepje aan tot een man of tien. De wachteres bij de poort raadde ons aan vast naar beneden te gaan, om daar te kijken naar een groot waterrad dat er was opgesteld. We daalden de trappen af en bekeken het geval. Een oude tuinman die er bezig was, vertelde ons eenige bijzonderheden over de 92 meter diepe, in de rotsen uitgehouwen put en het looprad, maar….. in het Cechisch, zoodat ik er geen woord van verstond, hoewel ik toch wel eenigszins kon begrijpen wat hij allemaal bedoelde.
Maar opeens komt daar de man naar voren die zoojuist tevergeefsch had geprobeerd een praatje met mij te maken en vertelde het gezelschap dat ik geen Cechisch verstond en dus niets van het verhaal begrepen zou hebben. Daar hij zelf geen vreemde talen kon spreken, vroeg hij of misschien een van de anderen mij kon oververtellen wat de tuinman zoojuist gezegd had. Dit was weer een treffend staaltje van hulpvaardigheid, iets wat me voortdurend is opgevallen. Ik heb de Cechen wèl leeren kennen als buitengewoon vriendelijke en hulpvaardige menschen en dit is dan ook één van de redenen dat ik altijd met veel genoegen terug zal denken aan de tijd in Praag doorgebracht. Uit het groepje kwam toen een heer naar me toe, die me het een en ander, met veel excuses, in heel slecht Fransch, oververtelde.
Daar er geen andere vreemdelingen meer kwamen opdagen, was de gids die ons rondleidde verplicht, om het heele verhaal voor mij speciaal ook in het Duitsch te doen. Hij heeft zich er niet op een makkelijke manier vanaf gemaakt en zoo kreeg ik ook alles te hooren over de vele bezienswaardigheden, die daar waren tentoongesteld. De burcht, door Karel IV gebouwd, (1348-1357) bergt vele bijzonderheden. Zoo b.v. een museum betreffende het kasteel zelf. De heele geschiedenis van dit bouwwerk is er na te gaan aan de hand van tallooze gegevens.
Interessant zijn ook de verschillende zalen met de meubelen uit die oude tijden. Zeer bezienswaardig zijn de Mariakerk met de Katharinakapel, beide versierd met waardevolle wandschilderingen en muurbekleedingen bestaande uit halfedelgesteenten. In de hoofdtoren met de ruim 4 meter dikke muren, is de beroemde kapel van het Heilige Kruis. (1365) De wanden bestaan uit in goud ingelegde halfedelsteenen (2994 stuks) en 131 schilderingen uit de 15e eeuw, waaronder copien naar Theodorick (1362), triptiek van Thomas uit Modena, e.a. Het kruisgewelf is rijk verguld. Ook de diepe vensternissen zijn versierd met schilderingen, terwijl de vensters bestaan uit halfedelsteenen in lood gevat. Het was een zeer interessante rondgang die ik gemaakt had en tevreden over dit bezoek ben ik naar het station teruggewandeld, in gezelschap van een jong echtpaar, waarvan het mevrouwtje vrij goed Duitsch sprak.
Het was nu heel wat drukker op het perron en ook onderweg kwamen er veel meer passagiers de trein in en uit. Het was al avond toen ik in Praag terug was. Ik heb gegeten in het restaurant van Hotel Beranek. De groote zaal was goed gevuld. Hotel Beranek staat trouwens bekend om zijn uitstekende keuken. Bovendien is het er gezellig zitten met muziek van een goed orkest. Toen ik na het eten de stad weer in wilde gaan, goot het pijpestelen. Daar was voorloopig geen doorkomen aan.
Toen het eindelijk toch wat op begon te klaren, ben ik naar het Wenzelplein geloopen, waar ik de rest van de avond en een gedeelte van de nacht heb doorgebracht in de Rotunde Dancing, eerst met Lily, die jammer genoeg veel te weinig de Duitsche taal machtig was, en later met Lydia Kirchner.
Toen ik de volgende morgen na een wandeling door de stad zat uit te rusten op een terras aan het Wenzelplein, zag ik opeens Vera Simončič voorbij loopen met een vriendin. Voordat ik echter de ober te pakken had, was zij al lang in de groote menschenmenigte verdwenen. Ik heb nog een tijdje rondgekeken in de Passage die ze ingeslagen was, maar daar was het heelemaal hopeloos zoeken.
Zeer teleurgesteld probeerde ik die middag mijn troost te zoeken in Manès. Op een mooi punt, gedeeltelijk op een paar eilandjes in de Moldau, ligt daar het clubhuis van de Manès kunstenaars vereeniging. Het is een van de staaltjes van moderne architectuur in Praag. Groote ramen, die met mooi weer weggeschoven kunnen worden, bieden een pracht uitzicht op de rivier met de daarachter gelegen hoogten, waar de silhouetten van de Hradsin en andere torens zich afsteken tegen den hemel. In de tuin op de verschillende eilandjes zijn overal terrassen aangebracht om een openlucht dansvloer heen. Heerlijk zitten is het daar, met het ruischen van het water om je heen. De groote zalen zijn smaakvol ingericht, het is werkelijk een genoegen er eenige oogenblikken door te brengen. Een uitstekende band zorgde voor dansmuziek.
Het was vol toen ik er kwam. Ik ging zitten aan een tafeltje dat nog maar door een persoon was bezet. Toen de muziek ophield en de menschen van de dansvloer terugkeerden, bleek mijn tafelgenoot een aardig Weensch meisje te zijn, alweer zoo’n alleenreizende jonge dame, waar ik een prettig gezelschap aan heb gehad. Veel heb ik haar over Weenen gevraagd, of er nog al wat veranderd was sedert het nieuwe regiem. Ik kreeg de indruk, dat ze tegen beter weten in probeerde, om nog zooveel mogelijk goeds ervan te vertellen, maar van harte ging het niet. Wel gaf ze grif toe dat de Jodenvervolgingen heel erg waren. Weenen schijnt wel enorm veranderd te zijn. Later sprak ik met een Finsche dame die er geregeld ieder jaar komt en zij bevestigde het, dat in plaats van het oude “lustige Wien”, men nu kan spreken van het “tote Wien”.
Mijn tafelgenoote was echter nog een toonbeeld van de Wienerins zooals ik ze heb leeren kennen in Weenens goede tijd, charmant, goed gekleed en vlot en aardig in haar optreden. We hebben gezellig zitten praten en ik was net van plan haar te vragen ook de avond samen ergens door te gaan brengen, toe ik opeens Anuzka zag. Toen waren meteen al mijn plannen als sneeuw weggevaagd. Tegen zooveel schoonheid en charme was ik nietbestand. Toen later bleek dat ze bovendien nog alleraardigst was in haar doen en laten en leuk kon praten, was de zaak gauw voor elkaar. Maar voordat ik met Anuzka Manจจs zou verlaten, had ik er nog een toevallige ontmoeting, want wie zag ik opeens op de dansvloer…..Vera Simoncic. Deze keer kon ze me niet meer ontloopen. Groot was haar verwondering toen ik zoo plotseling voor haar stond. Direct hebben we een afspraak gemaakt voor de volgende dag. Dan zou ze me het een en ander van Praag laten zien. Voor deze dag had Anuzka die taak al op zich genomen.
Trotsch liep ik met mijn blonde danseresje, die ook in de Cechische filmwereld geen onbekende was, langs de Praagsche boulevards naar het Wenzelplein, waar we ergens zouden gaan dineeren. Anuzka had vele kennissen, want voortdurend was ik genoodzaakt mijn hoed af te nemen wanneer eran weer een bekende langs kwam die haar groette.
Het Wenzelplein vertoonde zich in zijn volle glorie met de vele honderden lichtjes en zijn gekleurde reclameverlichting. Een groote menschenmenigte schuifelde voort langs de beide breede trottoirs, heen en weer langs de druk bezette terrassen van de restaurants. Dit was het moderne, mondaine Praag op zijn best. We gingen dineeren bij Sroubek. Eerst een trapje af, dat leidde naar een alleraardigst restaurant in oude Engelsche stijl, waar we een knus hoekje uitzochten.
Met behulp van Anuzka, die de Cechische spijskaart beter kon ontcijferen dan ik, werd het menu opgesteld. Een karaf wijn voltooide het feestmaal. Buitengewoon gezellig heb ik daar gezeten, een verduiveld aardig meisje als tafelgenoote, lekker eten en goed drinken en dat allemaal in een knusse omgeving. Zoo kon ik Praag nog beter apprecieeren. Na het eten hebben we in een van de vele enorme automatieken een kopje koffie gedronken, alvorens naar een bioscoop te gaan, naar een van de paar honderd die Praag rijk is. Nu was het Luzerna Theater wel een van de bekendste, een groote, luxieusch ingerichte zaal, met stoelen waarin je makkelijk en ruim kon zitten.
Toen de voorstelling afgeloopen was, was het meteen de geschikte tijd om eens een kijkje te gaan nemen in de divernachtgelegenheden. Met Anuzka samen heb ik een paar genoeglijke uren doorgebracht. In een van de dancings waar we geweest zijn, werden we hartelijk verwelkomd door de directeur, die met uitgestoken handen op Anuzka afkwam en ook mij vriendelijk begroette. Maar nog meer verwonderd was ik, toen we de danszaal binnenliepem en de band als één man opstond om een buiging te maken voor mijn charmante partnerin. Later speelden ze speciaal voor Anuzka een song uit een van haar films. Het was al ver na middernacht toen ik bij Anuzka’s flat afscheid van haar nam.
Intusschen had ik weer behoorlijk honger gekregen en alvorens naar huis terug te keeren, ben ik eerst een automatiek binnengeloopen om nog even wat te eten. De automatieken van Praag zijn een bezienswaardigheid op zich zelf. Het zijn groote ruime zalen met veel glas en nikkel. Van alles is er te krijgen, overal staat lekkers van de meest uiteenloopende aard opgestapeld en vele juffrouwen zijn je behulpzaam, omvoor een kleinigheid je aan het gevraagde te helpen. Wat hebben me daar b.v. de bekende “parky”, lekkere worstjes, goed gesmaakt. Voor een paar centen kan je er je dordt lesschen uit een ruime keus van verfrisschende dranken. Het is een waar luilekkerland, waar bijna letterlijk de gebraden ganzen, een van de Praagsche specialiteiten, je zoo maar in de mond komen vliegen.
De volgende dag ben ik met Vera op stap gegaan. Ik had me geen enthousiaster gids kunnen wenschen. Het was wonderlijk met wat voor een begeestering ze voortdurend sprak over haar geliefde geboortestad. Dat heb ik trouwens meer opgemerkt, dat de Cechen bijzonder op hun mooie Praag gesteld zijn, wat eigenlijk ook weer geen wonder is, want Praag is werkelijk iets bijzonders.
Onze eerste gang was naar de Petrin. Over een van de vele mooie bruggen over de Moldau, vanwaar je een pracht uitzicht hebt op de stad, liepen we naar het stationnetje van de kabelbaan, die ons de ruim 300 meter hooge heuvel op zou brengen. Boven is een uitgestrekt park aangelegd dat doorloopt tot beneden toe. Op het hoogste punt staat een ijzeren toren, vanwaar men een wijd uitzicht heeft over de heele stad tot aan het Reuzengebergte en het Boheemerwoud toe. Dwars over de heuvel loopt een oude muur, de z.g. Brood- of Hongermuur, die Karel IV in 1360 heeft laten bouwen, om tijdens een hongersnood de menschen aan werk en voedsel te helpen. Ergens in het onmetelijke park staat een aardig houten kerkje, een origineel gebouwtje dat overgebracht is uit Karpatho Rusland. Langs de prachtige wandelpaden liepen we naar beneden, tot we weer in de stad kwamen, waar een tram ons naar Hotel Beranek terugbracht. Het was intusschen etenstijd geworden en mede door de lange wandeling, had ik weer flinke trek gekregen. In het restaurant van het hotel hebben we gegeten en een nieuwe afspraak gemaakt voor de middag.
Een tram bracht ons tot heelemaal buiten de stad. Vanaf het eindpunt moesten we nog een stuk loopen, een heuvel op, tot het doel van de tocht bereikt was, Barrandov, een van de meest geliefde uitgaansgelegenheden van de Pragers. Hoog boven de rotsen ligt het restaurant, dat een van de moderne architectonische bezienswaardigheden is. Overal tusschen de rotsen door zijn grootsche terrassen aangelegd, vanwaar men uitzicht heeft op de Moldau, die heel in de diepte langsstroomt.
Aan de voet van de heuvels ligt het stadion, met in de nabijheid een strandbad met zonnebad-terrassen en sportvelden. In de verschillende zalen van het restaurant lijkt het een toonkamer van moderne interieurs. Fantastisch goed waren ze ingericht. Men ziet er schitterde staaltjes van moderne architectuur, maar ook knus ingerichte vertrekken in oud Engelsche stijl, met een gezellig open haardvuur. Heerlijk hebben we daar op een terras buiten thee gedronken en van tijd tot tijd gedanst. Toen de muziek afgeloopen was, zijn we de heuvel verder opgewandeld, naar de nieuwe woonwijk, waar de rijke Pragers hun villa hebben. Ook hier treft men weer prachtige voorbeelden van moderne architectuur. Het is er prettig wandelen, beneden in de diepte stroomt de Moldau, overal om je heen zie je, tegen de rotsen op, de mooiste villa’s met schitterend aangelegde tuinen en in de verte ligt Praag, met zijn tallooze torens, aan de horizon. Heelemaal aan het eind van de bewoonde wereld liggen de enorme studio complexen van de Cechische filmondernemingen.
Voor de hoofdingang stonden vele auto’s geparkeerd van filmsterren, regisseurs, e.d. Ook Anuzka’s grijze two seater zal daar dikwijls gestaan hebben. Het was al avond toen we weer in Praag terug waren. Nadat ik van Vera afscheid had genomen, ben ik door de drukke stad naar het hotel teruggewandeld, waar ik weer in het restaurant heb gedineerd. In de Luzernabar, waar ik nog even een whisky ben gaan drinken, heb ik de avond besloten.
De volgende morgen maakte ik voor het laatst een groote wandeling door de stad. Langs de oevers van de Moldau kwam ik in Kleinseite terecht en ben vandaar over de Karlsbrücke weer in de oude stad teruggekeerd. Op het Wenzelplein rustte ik een oogenblik uit van de vermoeienissen van de lange speurtocht. Het was Zaterdag en zoo mogelijk was het nu nog drukker dan anders op deze toch al levendige boulevard. Maar niettegenstaande de enorme menschenmenigte zag ik toch eens een bekende loopen, Anuzka. Ze had groote haast, kwam juist van een repetitie en moest nu naar de kapper.
Ik ben zoover met haar meegeloopen en heb meteen een afspraak gemaakt om die avond weer samen te gaan dineeren.
’s Middags ben ik naar Manès geweest, waar ik een paar uur heerlijk buiten heb gezeten op een terras. Het was verrukkelijk weer. Als de muziek niet speelde, hoorde je het ruischen van de rivier, vóór me had ik een pracht uitzicht op de Moldau met de heuvels aan de overkant, waar achter langzamerhand de zon wegzonk en de Hradsin deed stralen in een roode gloed.
Toen werd het tijd om naar de stad terug te keeren, om op het afgesproken uur bij Anuzka te kunnen zijn. Het was een betooverende schoonheid die me die avond tegemoet kwam. Bij de blonde krullen paste het donkere japonnetje, waarop een enkel sieraad, wondergoed. Wat een figuurtje, wat een charme. Met haar bontcape om was het een waren schoonheidskoningin. Daar moest een passende omgeving bij gezocht worden voor het diner, dat mijn afscheidsmaal zou zijn in Praag. Die koninklijke omgeving vonden we in Savarin. Voor de ingang stonden vele auto’s geparkeerd, blijkbaar dus een chique zaak. We kwamen in een groote zaal, waarvan de wanden behangen waren met gobelins. Kristallen kroonluchters hingen aan het plafond en in een hoekje speelde bescheiden een orkestje. Het zag er rijk en voornaam uit en met zoo’n allercharmantste tafeldame als Anuzka, is dit diner voor mij geworden tot een waardig sluitstuk van mijn verblijf in Praag.
Na het eten zijn we nog even ergens anders een kopje koffie gaan drinken en toen werd het voor Anuzka tijd om naar Alham-bra te gaan, waar zij die avond voor het eerst zou optreden. Toen ik afscheid van haar had genomen, kon ik nog voor het laatst haar aardige gezichtje bewonderen op de groote reclamefoto’s die er van haar hingen bij de ingang van het theater, maar toen was het toch heusch gedaan. Op een terras aan het Wenzelplein kon ik nog even een uurtje zitten en mijn gedachten laten gaan over alles wat er in de afgeloopen week opgebeurd was. Intusschen schuifelde de menigte langs me heenen boven me flonkerde en schitterde het kleurige lichtenspel van de reclames.
Voor het laatst kon ik nog intensief Praag beleven. Toen was het werkelijk gedaan en moest ik naar het hotel terugkeeren om mijn koffer te halen. Om 12 uur precieszou die nacht mijn trein naar Holland vertrekken. Het was enorm druk in de stad, ook vele vreemdelingen zag en hoorde je tusschen de menigte in op de opgepropte boulevards. En voortdurend kwamen er nog maar meer menschen, die in deal lang volgeboekte hotels nog een plaatsje probeerden te krijgen, maar die alle afgewezen moesten worden. De oorzaak van de groote stroom van vreemdelingen was de Messe, die juist die dag geopend was en het spelen van de voetbalfinale om de Mitropa Cup, die de volgende dag plaats zou vinden.
Een taxi reed me naar het Masarijkstation, waar de trein uit Weenen met eenige vertraging aankwam. Toen we over de brug over de Moldau reden, kon ik voor het laatst nog een blik werpen op de verlichte stad, waar ik zulke prettige dagen. had doorgebracht. Daarna heb ik me in een hoekje geinstal-leerd om te probeeren een tukje te doen, wat wonderwel lukte.
In Bodenbach waar we tegen 3 uur ’s nachts aankwamen, werd mijn nachtrust echter verstoord, doordat ik de trein uitmoest om mijn geld bij de Duitsche douane te laten bescheinigen. Een kop warme koffie en een stuk cake brachten me echter weer spoedig op verhaal. Na Bodenbach had ik, nog maar éénmedepassagier in de coupee, zoodat ik toen zelfs languit kon gaan liggen slapen tot aan Dresden. Tegen 8 uur kwamen we in Leipzig aan, waar ik moest overstappen. Van het uurtje oponthoud dat ik er had, heb ik gebruik gemaakt om in de stationsrestauratie te gaan ontbijten.
Terwijl ik op mijn treinstond te wachten, kwamen langs het perron groote troepen S.S.mannen voorbij gemarcheerd die uit volle borst hun liederen zongen. Ik kan het niet helpen, maar zooiets doet me altijd onaangenaam aan. In Leipzig kreeg ik een vriendelijke oude dame bij me in de coupee. Op verzoek van de zoon die haar wegbracht, zou ik een oogje in het zeil houden en zorgen dat zijn Moeder Hildesheim niet voorbij zou rijden.
De reis door Duitschland bracht weinig bijzonders, veel was er niet te zien. De Harz viel me tegen. Ook plaatsjes als Goslar en Hildesheim, toch bekende touristencentra, boden weinig interessants, tenminste, bekeken vanuit de trein. De lunch in de restauratiewagen was een aangename afwisseling. Tegen 5 uur ’s middags bereikten we de Nederlandsche grens. De reis door Holland werd een waar feest. Heel Neder-land was versierd, van elk dorpje, elke stad en van alle stations wapperden vroolijk de vlaggen, overal was de driekleur in top ter eere van het Jubileumsfeest van onze Koningin. Ook het mooiste stukje natuurschoon op deze reis zag ik hier, toen we over de Veluwe reden, dwars door de paarse, bloeiende heide, met een zon die in prachtige kleurennuances onderging. Zoo eindigde deze reis in een ware triompftocht door feestelijk versierde steden en een feestelijk stukje natuur.