Een zwerftocht door de Achterhoek, Twenthe en de Veluwe, door Utrecht, Brabant, Limburg en de Betuwe.
0-0-0-0-0-0-0
Zaterdag, 9 Augustus 1941. Het was bijna weer half zes voordat al de bagage op de tandem was vastgesjord en we eindelijk konden vertrekken. Maar Wageningen wilden we die avond toch nog in ieder geval bereiken. Het was midden in de zomer en prachtig weer, we hadden dus tijd genoeg voordat de duisternis vallen zou. Na een langdurige regenperiode scheen plotseling het weer veranderd te zijn, want juist die dag was de zon weer beginnen te schijnen en leek het eindelijk opnieuw zomer te zullen worden.
Het werd een ware uittocht op deze stralende zomerdag. Voorzichtig moesten we met de zware tandem door een geweldige drukte heen laveeren. Een onafgebroken stroom fietsers snelde voort over het betonnen rijwielpad naar de Bilt en Zeist, allemaal door de zon de stad uitgelokt om de week-end buiten, in Utrechts mooie omgeving te gaan doorbrengen.
Eindelijk was het zoover. We waren samen weer aan het zwerven, Brunet en ik. Lang te voren waren de plannen voor deze tocht al gemaakt, eigenlijk direct al na de geslaagde tandemtoer door Zuid Limburg, het jaar tevoren. En nu gingen we die plannen ten uitvoer brengen. De zon scheen, drie weken vacantie voor de boeg en een mooi reisprogramma voor een tocht van ruim duizend kilometer om af te werken, wie doet ons wat! en uitgelaten trapten we nog een beetje harder aan.
Voorbij Driebergen en Doorn verminderde de fietsersstroom vrij snel en nog wat verder reden we bijna weer alleen. Zoo was het goed, nu konden we beter genieten van de natuur. In de buurt van Leersum hielden we de eerste korte rustpoos, de tandem werd de wegberm opgesjouwd en onder de boomen aten we onze boterhammen op.
Na Amerongen werd de streek nieuw voor mij. Het landschap begint hier eenigszins geaccidenteerd te worden. Aan de linkerkant zijn de Utrechtsche heuvelrijen en rechts stroomt de Rijn, diep in zijn dal. Tegen de glooiende heuvels liggen de Amerongsche tabaksvelden. Dan passeeren we Elst, een dorpje met een huizenbouw die al begint af te wijken van het gewone Hollandsche type.
Op een hoog punt zien we de merkwaardige watertoren van de Koerheuvel, die tevens ingericht is als hotel. Even verder ligt Rhenen. Zwaar heeft het stadje geleden tijdens de oorlogsdagen het vorige jaar. Hier en daar is zelfs de weg nog gedeeltelijk opengebroken, maar overal is men weer begonnen met de opbouw van de platgeschoten huizen. De fundamenten waren gelegd en reeds staken de muren een meter hoog boven de grond uit.
Door een merkwaardig toeval gespaard gebleven door het Duitsche vuur, stond daar de hooge, slanke Cuneratoren vrijwel onbeschadigd temidden van de chaos der puinhoopen. Vanaf de Panoramamolen, de naam zegt het al, op een hoog punt boven de stad, keken we neer op het geteisterde Rhenen, de Rijn en verder over het water, op de Neder Betuwe.
Op de molenomgang dronken we een verfrissching en hier kon ik tevens een van de mij nog ontbrekende stempels van de “Op z’n elf en dertigsttocht” in mijn controleboekje krijgen.
Even na Rhenen begonnen de eerste zware hellingen. Moeizaam rukten we de zwaarbeladen tandem de steile heuvel op, maar het lukte, de Grebbeberg hadden we gehaald. Op het hoogste punt ligt het soldatenkerkhof. Daar zijn zij begraven die gevallen zijn bij de bestorming van deze “Teufelsberg”, aanvallers en verdedigers, die er nu samen rusten onder het hoog geboomte. In lange rijen staan er de oorlogskruizen naast elkaar, meest de gele Duitsche kruizen met in zwarte letters de naam en rang van de gesneuvelde.
Merkwaardig dat ik er geen enkele soldaat bij vond. Of zouden die soms allemaal verzameld zijn in één groot massagraf? De Nederlandsche kruizen lagen zonder uitzondering bedolven onder een schat van bloemen. Overal in de omtrek zien we nog de sporen van den strijd, afgebrande villa’s en boerderijen in puin. Haast geen hoeve is gespaard gebleven en maar bij hooge uitzondering staat er nog een gaaf huis langs de kant van de weg.
Maar overal is flink aangepakt om de geleden schade te herstellen en menig boerderij is er alweer herrezen in nieuwe helroode baksteen. Ook Ouwehand’s Dierenpark schijnt weer geheel gerestaureerd te zijn. In razende vaart snelden we nu de Grebbeberg weer af, die er steil afdaalt in de Geldersche vallei. Even later zijn we al in Wageningen. Langs een mooie breede laan rijden we de stad binnen.
Het is Zaterdagavond en in het centrum van de stad heerscht een gezellige drukte. Maar met moeite kunnen we de tandem door de dichte menigte heen laveeren. Maar nog meer moeite kost het ons om onderdakmte vinden, alle hotels zijn vol. Dank zij de hulp van het plaatselijke V.V.V. bureau krijgen we echter nog een kamer. Het is er eenvoudig in “De Kroon”, maar het eten is goed en overvloedig en dat is iets zeer belangrijks op een lange fietstocht.
Na het eten gaan we de stad weer in. Ook Wageningen blijkt flink geleden te hebben van den oorlog. Het midden van de stad is één ruine. Ook de groote kerk ligt volkomen in puin, was trouwens speciaal door de Duitsche artillerie onder schot genomen, omdat daar boven in de toren een observatiepost had gezeten die het Nederlandsche vuur op de Grebbeberg zoo nauwkeurig kon regelen. In een wij de kring rondom de kerk lagen ook de huizen in puin, alleen het typische oude stadhuis, vlak achter de kerk, was als door een wonder gespaard gebleven. Geen scherf zelfs scheen het pittoreske gebouw geraakt te hebben. Waar het puin was opgeruimd, staan nu wat tijdelijke houten noodwinkeltjes.
Ons hotel lag precies aan de rand van deze steenchaos, als een van de eerste, gespaard gebleven huizen. Hoe groot de ravage is geweest, blijkt uit de hooge puinwal, die gestort is op een open stuk grond even buiten de stad. Behalve het platgeschoten stuk binnenstad bleek Wageningen gelukkig niet nog meer beschadigd te zijn. Tot het donker werd dwaalden we er wat rond, langs smalle straatjes met oude gevels en door het meer moderne deel van de stad.
De volgende dag begon slecht. Toen we wakker werden, regende het dat het goot. Onafgebroken stroomde het water neer, een troosteloos gezicht. En voorloopig scheen het ook niet te zullen opklaren. Op ons gemak ontbeten we, lazen we de Haagsche Post uit, maar buiten bleef het gieten. Hopeloos! Tegen half twaalf leek het eindelijk wat minder te worden. We begonnen vast de bagage op te laden en een half uur later waagden we het er maar op, hoewel het nog fijntjes regende. Maar onder de hooge boomen van de prachtige breede laan waarlangs wij reden, hadden we er zoo goed als geen last van.
Over Renkum en Heelsum kwamen we in Doorwerth. De regen was nu opgehouden, zelfs kwam heel bescheiden de zon weer door de wolken schemeren. Maar het Golfbad lag natuurlijk totaal verlaten op deze verregende Zondag.
We doorkruisten de heuvelachtige omstreken van het landgoed Doorwerth en daalden toen af naar het kasteel dat beneden in een vallei lag, in een boschrijke omgeving. Langs de Italiaansche weg, een steil afdalend, door de modder globberig geworden boschpad, vol met diepe karre sporen, reden we zoo voorzichtelijk mogelijk omlaag, de beide remmen maximaal gebruikend. Maar veel gaf het niet, want steeds sneller schoot de zware tandem voort. Nog onaangenamer werd de situatie toen plotseling de weg beneden, bij het landelijke cafétje de Zalmen, een scherpe bocht maakte. Vóór dat punt bereikt was, moesten we beslist stilstaan, anders zouden we er zeker slippen en met de zwaarbeladen fiets een leelijke smak maken.
“Ik kan hem niet meer houden”, riep Brunet die aan het stuur zat, “spring er af” en op hetzelfde oogenblik waagde hij de sprong. Gelukkig kwam ook ik er zonder kleerscheuren af en samen konden we de tandem toen nog in bedwang houden. Beneden aan de helling, even voorbij het pittoresk gelegen café Zalmen, een aardige boerderij in het dichtbegroeide woud, vonden we het mooie kasteel Doorwerth. Oude kanonnen staan er op de open buitenwallen. Eenigszins op een hoogte gelegen, moet dit oude slot in vroegere tijden heel de omtrek beheerscht hebben.
Een tweede ophaalbrug geeft toegang tot het binnenplein, waar eveneens oude vuurmonden zijn opgesteld, o.a. een paar groen uitgeslagen kanonnen en een groot ijzeren anker, uit de wateren bij Sicilië opgevischt en waarschijnlijk afkomstig van een van Admiraal de Ruyters oorlogsschepen.
In het kasteel bevindt zich het Nederlandsche Wapenmuseum. Over een landelijk binnenpad reden we in een wij de boog om het kasteel heen, langs het Jagershuis en de Westerbouwing en verder over een geaccidenteerde weg via Oosterbeek naar Arnhem.nRechts vanmons stroomde de Rijn. Vanaf een hoog punt keken we neer op de druk bevaren rivier en op de stad met z’n vele torens.
In Hotel Sluis, vlak bij het station, vonden we logies. De bagage werd afgeladen en aanmerkelijk verlicht trokken we daarna de stad in om eten te zoeken. In Heck’s Cafetaria stilden we de opkomende honger. Over een houten noodbrug, de groote verkeersbrug over de Rijn was nog steeds niet hersteld, verlieten we daarna de stad weer in de richting van Doornenburg.
Het weer bleef goed, maar er stond nu een stevige wind, wat we vooral goed konden merken op de hooge dijk waarover de weg liep, door dit open gebied tusschen de twee groote rivieren in. Onder aan de dijk, dicht er tegenaan gedrukt, lagen boerderijen en uitgestrekte boomgaarden en aan de andere kant, op de uiterwaarden van den Rijn, strekten zich de groene graslanden.
We passeerden Huissen, een dorpje dat heelemaal lag weggedoken achter de hooge, beschermende dijk. Als we de dijk weer zijn afgedaald, slingert de weg zich nverder door het vlakke land. Hooge boomen groeien langs de bermrand en om de boerenhofsteden die we passeeren, maar vervallen. Geen raam was meer heel in de vier gevels. Op de stompen der torens stonden struiken te wuiven, de wortels hadden zich vastgezet in de mortel en in den zomer bloeidevlier twintig meter boven den beganen grond. Geen kanteelnstond nog ongebroken en in de goten groeide het gras zoo welig als in de vetste Betuwsche uiterwaard. Van binnen was het slot hol en donker, het was een verschrikking van honderd jaren vallend puin, afbrokkelende plafonds, vergaan goudleeren behang, dat bol stond in den wind of verrot was door den binnenstroomenden regen. Wie er binnen ging waagde zijn lijf en daarom ging er niemand meer binnen.
Ongeveer honderd jaar geleden werd er de laatste slotvrouw Clara van Delwige over de slotgracht uitgedragen. En al toen was een diepgaand verval ingetreden. Nu echter is Doornenburg weer uit zijn puin herrezen. We naderen het dorpje langs een kronkelweg tusschen de boomgaarden door, rijden om de groote neo-gothische kerk been, langs het café Gijsbrecht van Amstel en dan duikt opeens links van den weg, getorend en spitsbedaakt, met kanteelen en hooge schoorsteenen, met blinkende leien en vergulde windvanen de Doornenburg op, ros van steen en blauw van bekapping, hernieuwd en herleefd. Men loopt om den weg door een boomgaard en achter de kruinen rijzen de muren van den voorburcht met het poortgebouw. De gracht rond de muur is weer hergraven en de houten slotbrug ligt wederom zooals vroeger op de eiken jukken.
Door de toegangspoort, geflankeerd door twee zware ronde torens, komt men op de voorburcht. Een klein poortje en een steenen trap voert naar de weergang. Men komt in de kleine ronde wachtvertrekken der poorttorens en door de smalle vensters ziet men telkens een stukje Betuwe-landschap. Een zijde van den voorburcht wordt geheel ingenomen door de kasteelboerderij. In de zuid-westhoek bevond zich vroeger de kapel, die de laatste jaren werd benut als een bergplaats bij de boerderij. Nu echter worden de smalle lancetvensters, die dichtgemetseld waren, weer opengebroken.
De vensters herwinnen hun oude profileeringen, onder het pannendak komt een eiken tonggewelf en de zuid-west hoektoren wordt wederom opgetrokken en bekapt. In de gevel komt een luiklok te hangen. Uit deze kapel werd in den barren winter van 1799 de laatste Mansoir van Doornenburg, Boudewijn van Bemmel, uitgedragen, toen het water van de Waal de Betuwe was binnengedrongen en het slotplein en de kapel overstroomde. Toen de kist werd uitgedragen om in een boot naar de kerk te worden overgebracht–zoo verhaalt de volksmond–stortte het gewelf van de kapel in.
Een gemetselde steenen trap voert naar de slanke houten slotbrug. Daarachter verrijst het kasteel, eens door de geslachten Doornick, Bijlant, Homoet, Voorst, Amstel van Mijnden, Heemskerk van Bekesteyn en Bemmel bewoond. De legende wil dat Gijsbrecht van Amstel na de verovering van Amsterdam, hier zijn toevlucht zocht. Het zuidelijk deel van het slot is het oudste en dateert uit de 13e eeuw. De bovenbouw van het noordelijk deel dateert deels uit de 14e, deels uit de 15e eeuw. Het is een rijzig gothisch gebouw, hoog en slank opklimmend uit het water, bijna vierkant en op de hoeken geflankeerd door drie hangtorens. Het zuidelijk deel van den westgevel eindigt in een trapgevel, waarlangs hoog de spietoren oprijst. Van de wijde hal, die haar ouden vorm en oorspronkelijke hoogte herkreeg, komt men in de ridderzaal, die haar oude glorie weer heeft herwonnen.
Vanuit de hooge torenspits ziet men tot wijd in de omtrek. In de verte ligt de groene kop van Fort Pannerden en we zien de splitsing van de Rijn in Waal en Nederrijn en rondom het vlakke land van de DriepXolder. We zwierven langs oude smalle trappen, door zalen en vertrekken van rooden steen, met eiken vloeren en donkere moerbalken, waar door de diepe smalle nis der ramen het zonlicht binnendrong. In de ondergrondsche gewelven vinden we een groote keuken met twee schouwen en de oude welput, die weer werd opgemetseld. Verrukt over deze onverwachte ontdekking in het vlakke Betuwsche land verlaten we weer Doornenburg. Nog eenmaal kijken we om naar het machtige kasteel met z’n torens en kanteelen, hoog oprijzend boven het geboomte. Dan keeren we, weer over Angeren en Huissen, terug naar Arnhem.
Maar nu, om zooveel mogelijk beschut te zijn tegen de wind, namen we de weg onder langs de dijk, kronkelend tusschen de boomgaarden door. Bij Huissen moesten we echter toch de dijk weer op en opnieuw de wind trotseeren, die ijverig zijn best deed om ons met verraderlijke rukwinden het rijwielpad af te drukken. Maar met moeite kon ik soms het stuur in bedwang houden. En toch, vóór we aan dit laatste lastige stuk waren begonnen, hadden we in Huissen nog een biertje gedronken om weer bij te komen van ons voorgaande, afmattende gevecht tegen de wind.
Een veerpont bracht ons naar de overkant van de Rijn. Door de oude Sabelpoort reden we de stad weer in, langs de Groote Kerk met zijn hooge, slanke toren. Arnhem is een mooie stad, ruim van aanleg met keurig aangelegde singels en gezellige winkelstraten. En dan, om vooral niet te vergeten, de schitterende omgeving. Het was bijzonder druk in de binnenstad op die Zondagavond.
Een onafgebroken pantoffelparade trok door de nauwe winkelstraten en over het ruime Keizer Karelplein. En wij, verwende Hagenaars, keken onze oogen uit naar de charmante Arnhemsche meiskes. Zelden zagen we zooveel leuke types tegelijk bij elkaar. De avond besloten we met een ijsbachanaal in een Italiaansch ijsrestaurant.
De volgende morgen……regende het! Enfin, zoo erg was het ook weer niet, want die dag trokken we toch niet verder. Met de trein van 12 uur zou ik naar Deventer gaan, om daar Tante Lot’s verjaardag door te brengen. Brunet zou dan zoolang zijn heil zoeken bij Catrientje Zomer, een kennisje van hem uit Den Haag. Buitengewoon hartelijk werden we door de familie Zomer ontvangen en royaal onthaald op koffie en allerlei lekkers. Zoo gezellig was het er, dat de tijd omvloog en ik me op het laatst nog haasten moest om de trein te kunnen halen.
Voor je plezier hoefde je gedurende deze zomermaanden niet met de spoor te reizen. De perrons stonden steeds zwart van de reizigers en in de trein mocht je dikwijls al blij zijn, als je met moeite een behoorlijk staanplaatsje had weten te veroveren. Dan is een fiets toch verre te verkiezen boven zoo’n overvolle treincoupee.
De dag in Deventer heb ik gezellig doorgebracht. Jaque had weer voor een feestelijk verjaarsdiner gezorgd, dat ik me goed heb laten smaken. De volgende dag begon eindelijk met zonneschijn.
Tegen half twaalf was ik weer in Arnhem terug, waar Brunet al kant en klaar in Hotel Sluis op mij zat te wachten. Bij de familie Zomer vonden we opnieuw een gastvrij onthaal en tevens gelegenheid om ons om te kleeden in shorts en shirt, want nu zou onze zwerftocht eigenlijk pas goed beginnen.
Het definitieve vertrek moesten we echter voortdurend uitstellen. De zon was weer begonnen verstoppertje te spelen, school telkens even weg achter een donkere wolk en dan kletterde een oogenblik later opnieuw de regen neer, telkens van die korte, harde buitjes. Tegen twee uur waagden we het er maar op. En gelukkig, het bleef droog.
Langs een prachtige allee reden we Arnhem uit, voorbij Bronbeek, waar we in het groote park een paar oudgedienden zagen zitten, nog gekleed in hun ouderwetsche Indische uniform. De weg bleef ook verderop de moeite waard. We passeerden Velp en kwamen toen door de bekende Middachter Allee, de prachtige, twee kilometer lange laan met honderden kaarsrechte, gladde beukenstammen wier bladerenkronen eerst een veertig meter hooger zich aaneensluiten tot een dicht booggewelf.
Even voor Dieren sloegen we rechtsaf, in de richting van Doesburg. De zon was intusschen weer lekker gaan schijnen en in de vaste overtuiging dat nu het weer definitief omgeslagen zou zijn, reden we welgemoed door het nu weer open landschap. De regenjassen waren allang weer achter bij de bagage opgebonden.
Na Doesburg, een onbeduidend provinciestadje aan de Oude IJssel, kwamen we opnieuw langs een prachtige schaduwrijke allee, die via Drumpt, Hoog- en Laag Keppel door liep tot aan Doetichem toe. Ergens langs de oevers van de Oude IJssel lag, verscholen tusschen het geboomte, het oude kasteel Keppel. Juist toen we Doetichem binnenreden, begon helaas opnieuw de regen neer te gutsen.
Haastig moesten we schuilen in een portiek, gelukkig niet voor langen tijd. De regen hield gauw op, maar de zon bleef voorloopig spoorloos verdwenen. In diverse winkels sloegen we wat mondvoorraad in, gevulde koeken, chocola, fruit en pepermunt en toen de bui was overgedreven, zetten we de tocht weer voort, langs de hooge, oude verweerde kerktoren de stad uit.
Tot twee naal toe maakten we nog een vervaarlijke schuiver over de spiegelgladde tramrails, maar beide keeren liep het goed af, zonder valpartij. Voorbij Doetichem begon de streek heuvelachtig te worden. We naderden het Montferland.
Over de boomlooze, golvende vlakte heen zagen we in de verte al de lange heuvelreeks. Geleidelijk steeg de weg tot aan het vriendelijke dorpje Zeddam. Vanaf een hoog punt keken we neer op de huisjes tegen de heuvel en de oude schilderachtige molen. Rondom golfden de velden en de bosschen. Een mooie weg slingert er omhoog naar het eigenlijke Montferland, een ronde heuveltop als een reusachtige molshoop, dicht begroeid met weelderige varens en hoog geboomte.
Rondom de heuvel loopt een breede droge greppel, als een slotgracht om een oud kasteel. En inderdaad schijnen we hier te maken te hebben met de overblijfselen van een zeer oude Saksisch-Carolingische burcht. Opgravingen, op de heuveltop verricht, hebben veel belangwekkend materiaal tevoorschijn gebracht. Zoo vond men o.a. een brokstuk van een rooden tegel, welke volgens Dr.Janssen, conservator van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, van Romeinschen oorsprong is en misschien voorzien was met het merk van het zesde Romeinsche legioen.
Daarom zoekt Dr.Janssen verband met het Romeinsche garnizoen dat wellicht in de tijden van Claudius Civilis op den Elterberg en Montferland had verbleven. Volgens Dr.Holwerda echter, is daarmee nog geen bewijs geleverd dat de heuvel van Romeinschen oorsprong is. Hij acht het veel waarschijnlijker dat men hier te maken heeft met de overblijfselen van een Saksische walburcht, welke in het jaar 1016 verwoest zou zijn. Bij de opgravingen is gebleken, dat de heuvel in oor-sprong een natuurlijke hoogte is, waarvan de top tot een plateau is afgegraven, waarbij men vlak aan den rand een gedeelte van den vasten grond van den heuvel in den vorm van een walletje heeft laten staan. Deze wal werd op de kruin versterkt met een palissadeering, waarvan de greppels bij de opgraving gevonden zijn. De oude ingang lag aan de zuidoostzijde. Aan de noordoostzijde is het fundament van een steenen,muur ontdekt.
Buiten om den heuvel liep–en loopt nog–een droge gracht, omringd door een wal, ook door een palisadeering versterkt en ook aan de zuidoostzij de onderbroken voor den ouden ingang. Aan de noordwestzijde van den heuvel, daar waar nu de garage staat, schijnt zich een soort voorburcht of lage burcht te hebben bevonden. Bij de opgravingen is vrij veel schervenmateriaal gevonden, dat niet verder doorloopt dan tot omstreeks het jaar 1000, hetgeen er op schijnt te wijzen, dat na het einde der 10e eeuw de bewoning van den burcht niet zal zijn voortgezet. Al deze scherven zijn van Saksisch maaksel. De burcht is, zegt Dr.Holwerda, aangelegd in den Karolingischen tijd (circa 800), met den voor de Saksers karakteristieken aanleg van hoogen en lagen burcht. Hij kan de woonplaats geweest zijn van een Saksisch gravengeslacht, nauw verwant aan gravin Lutgarda, de eerste abdis van Elten. Dit geslacht ging in bloed en misdaad ten onder in het begin der 11e eeuw en zijn burcht werd op last van den Keizer in 1016 geheel verwoest.
Een rustieke aarden trap voert omhoog naar de top van den heuvel en daar vonden we het Hotel Monferland. Prachtig is het er gelegen met naar alle zijden een wijd uitzicht over het omringende land, tot ver in Duitschland toe. We zagen Emmerich liggen en de torens van Cleve. Op dit mooie plekje besloten we te blijven. De tandem bleef beneden in de stallen staan, de bagage zeulden we omhoog, de lange trap op. We kwamen er juist tegen etenstijd, hadden nog net gelegenheid ons te verkleeden om weer als heer aan tafel te kunnen verschijnen. Het was een tocht vol variatie.
Na een rit door regen en zonneschijn op een zwaarbepakte tandem, als zwervers gekleed in een gekleurd shirt en met sportieve shorts aan, zaten we nu weer hier in ons net grijs zomercostuum heel comfortabel te genieten van een uitstekend diner, het mooie uitzicht en van de heerlijke, rustige en landelijke omgeving. Na het eten, tot de duisternis was gevallen, maakten we nog een lange wandeling door het prachtige land, over heidevelden en door dichte bosschen de Hettenheuvel op. Het was er eenzaam, een groote stilte heerschte overal. Plotseling kraakte er wat in het kreupelhout voor ons. Een hert sprong tevoorschijn uit het bosch, rende met een paar snelle sprongen het smalle pad over en verdween meteen weer spoorloos tusschen het dichte geboomte.
Het was een mooie zomeravond, de regenwolken waren verdwenen en de ondergaande zon kleurde de hemel met een rooden gloed. We beklommen de hoogste top over een smal pad door de akkers en daar, op dat mooie uitzichtspunt, zagen we neer op het wijde land van golvende velden en heuvelruggen, bedekt met dichte bosschen. In een glooing tusschen de hellingen lag het dorpje Zeddam. Een heerlijke rust ging er uit van dit stille land. Je zou er het wereldrumoer volkomen kunnen vergeten, maar toch werden we ook hier er weer even aan herinnerd. Door de avondstilte klonk motorengebrom en tegen de donker wordende hemel zagen we het silhouet van een groote bommenwerper, die terugvloog naar zijn basis ergens in Duitschland.
De rest van de avond brachten we door in de gezellige huiskamer van het hotel. De volgende morgen bracht opnieuw zonneschijn, maar hoe goed de dag ook begon, achteraf zou blijken dat het een ongeluksdag voor ons zou zijn, met pech en voortdurend regen. Maar daarvoor was het dan ook de 13e, dikwijls een fatale datum! Het begon al direct vlak na het vertrek. Van de hoogte waarop Montferland ligt daalden we af naar Zeddam, maar juist toen we onder aan de helling waren aangekomen, brak de rem. We mochten van geluk spreken dat het niet even eerder was gebeurd, toen we nog in volle vaart de vrij steile heuvel kwamen afrijden.
In een kalm tempo probeerden we Zeddam nog te bereiken waar wellicht een fietsenmaker zou zijn die het euvel kon herstellen. Maar hoe onschuldig de langzaam afglooiende weg bok leek, steeds sneller ging de zwaarbeladen tandem, totdat bij een scherpe bocht, weer resoluut moest worden ingegrepen om ongelukken te voorkomen. Met z’n voet tegen de voorband aangedrukt probeerde Jien die stuurde, de vaart te verminderen en werkelijk, het lukte. We konden er weer zonder kleerscheuren afspringen. Maar juist op het moment dat we stilstonden, liep de voorband sissend leeg. Het ventiel bleek losgedraaid te zijn en ver weggeblazen. Nergens was het ding meer te bekennen. Gelukkig kregen we hulp van een paar voorbijkomende wandelaars en een van hen vond inderdaad het verloren schaap weer terug, meters verderop.
Moeizaam zeulden we daarna de helling verder af, de zware tandem half torsend om de lege band zooveel mogelijk te sparen. En zoo kwamen we in Zeddam aan, als een paar gestrande schipbreukelingen. Maar een uur later reden we weer, een lange helling op naar ’s Heerenberg, in de richting van de Duitsche grens. Op dat moment scheen de zon nog en met de wind in de rug snelden we voort over een mooie weg, die zich, eigenlijk zonder eenige noodzaak, voortdurend slingerde door het vlakke land. De heuvels van het Montferland lagen nu ver achter ons, maar de streek bleef de moeite waard.
In Gendringen sloegen we wat mondvoorraad in, een versch gebakken brood, zoo uit de oven. Even verder, in het volgende dorpje Ulft, vonden we op een groentenkar peren en tomaten. Ook hiervan kochten we een flinke hoeveelheid, zooveel we bergen konden in onze zakken en in het resteerende plaatsje in de bagagetasch. Waar we het maar te pakken konden krijgen, kochten we fruit. Dat was gezond en bovendien kostte het ons geen bonnen. Want dát was het groote probleem op deze zwerftocht, hoe de hongerige magen voortdurend te vullen zonder onze bonnenvoorraad al te ondoelmatig aan te spreken. We moesten met overleg te werk gaan want dikwijls was de verleiding bij zonder groot. Honger hadden we altijd en dan lacht zoo’n heerlijk versch gebakken brood of een lekkere koek in een bakkerswinkel je extra vriendelijk toe. Toch hebben we niet te klagen gehad. Vooral in de kleine plaatsjes kregen we nog volop en dikwijls namen ze het er zoo nauw niet met de bonnen. Soms hadden we een extra buitenkansje als men er niet aan dacht ons de bonnen te vragen. Dan “vergaten” we het natuurlijk ook.
In de grootr steden hadden de Italiaansche ijssalons onze speciale aandacht. Heel wat porties ijs hebben we op deze tocht verorberd. Hoe die kerels het hem leveren om met de steeds minder wordende grondstoffen altijd nog zoo iets lekkers te fabriceeren, was ons een raadsel, maar geprofiteerd hebben wij er van!
Op een bankje langs de weg, even buiten het dorpje Silvolde, aten we wat van ons fruit. Tot nu toe hadden we steeds de groote weg gevolgd, maar bij Terborg lieten we die links liggen, om verder voort te dwalen over smalle paadjes, die dikwijls nauwelijks te berijden waren. De omgeving werd nu weer boschrijker. Bijna niemand ontmoetten we op dit eenzame gedeelte, alleen van tijd tot tijd een enkele boer, die ons dan weer verder kon wijzen in de goede richting. Want door dit zwerven langs de ongebaande wegen durfden we niet meer blindelings te vertrouwen op ons orienteeringsvermogen en ook de kaart maakte ons niet veel wijzer meer.
In de buurt van kasteel “Slangenburgt” bereikten we weer de groote weg, die daar loopt door mooie bosschen. Op een aardige plek onder de boomen gebruikten we het middagmaal. Een verweerd houten bankje diende als tafel, waarop we netjes op een papieren servet, al onze schatten uit de proviandtasch uitstalden, het brood uit Gendringen, een groot stuk koek, kaas, jam, een pot boter en fruit, een volledige koffietafel dus, waarvan we smulden in deze heerlijke vrije natuur.
Net toen de bagage weer was op geladen, begon het opnieuw te regenen, niet hard, maar wel aanhoudend, een fijne stofregen die ons vanaf dat moment voortdurend zou achtervolgen, heel de middag lang tot aan de avond. Het werd de slechtste dag van heel onze lange tocht, met recht een pechdag. Wel regende het vaak ook op andere dagen, de heele maand Augustus was dit jaar trouwens toch bijzonder nat, maar dan hadden we er vrijwel geen last van, omdat we dan toevallig ergens binnen zaten of al of nog in bed lagen. Dat we ook genoeg zonneschijn hebben gehad bleek duidelijk uit onze verbrande gezichten en gebruinde knieen.
Maar op die 13e Augustus was het mis. Jammer, met een stralende zomerzon zou het landschap veel meer tot zijn recht gekomen zijn. Nu was de hemel grauw en troosteloos, de wegen glommen van de regen en in de bosschen druppelde het water van de boomen. Het was anders een mooie streek. Eenigszins geaccidenteerd slingerde de weg zich door het rijk gevarieerde landschap. Het is een land vol kasteelen, sommige nog uit de vermetele riddertijd, gewoonlijk omgeven door zware boomgroepen, met mooie beuken- en eikenlanen.
Rondom Warnsveld, Vorden, Ruurlo, Keppel en Lochem liggen ze verspreid in een streek die afwisseling vertoont van zandgronden met dennenbosschen en akkers, die door eikenhakhout worden omzoomd. Het is een land waar alles in kleine brokjes is verdeeld, zoodat de eentonigheid, die zoo menige streek van heide en bosch wat triestig maakt, hier vervangen is door afwisseling en intieme genoegelijkheid. De dorpen liggen er zelden ver uiteen.
In Ruurlo dronken we een kop koffie in Hotel Avezarius. Verveeld zaten de hotelgasten er opgesloten in de serre, te wachten op wat beter weer. In plaats van rond te kunnen dwalen in de mooie omgeving, moesten ze daar hun vacantie slijten, binnenshuis, met een of ander boek voor tijdspasseering. Maar wij trokken ons van de regen niets aan, stapten weer op de tandem en trokken verder.
Telkens viel er opnieuw een buitje maar we zetten door. De weg liep geleidelijk weer omhoog, de Lochemer berg op, waar op de top het stille Lochem ligt. Op de aardige stadsbrink met de groote oude kerk en het mooie Gemeentehuis uit 1639, keken we wat rond. Om verder te neuzen in deze toch zoo mooie omgeving ontbrak ons op dat moment echter de lust en we besloten om maar gauw weer verder te trekken, tot we ergens een geschikte plaats zouden vinden om te overnachten.
Onder de hooge boomen die de regen tegenhielden, reden we nu vrij droog langs een mooie rechte laan in de richting van Diepenheim. Langzamerhand veranderde het aspect van de streek. De omgeving werd heuvelachtig, soms zagen we wij de heidevelden, dan weer mooie bosschen. Hier en daar een groot landgoed.
We naderden het Twentsche land. Hier zouden we de eerstvolgende dagen in alle richtingen de streek doorkruizen, veertien verschillende stadjes en dorpen langs gaan, om er in het gemeentehuis een stempel te laten zetten op mijn controlekaart voor de z.n. Kettingtocht door Twenthe, die was uitgeschreven door de Alme-losche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer.
Langs Twenthe’s mooiste plekjes voerde de route, door aardige plaatsjes en oude dorpen, typisch door hun bijzondere Oud-Saksische bouwstijl in kerken, gemeentehuizen en boerderijen. In meest verschillende stadhuizen ben ik binnengestapt, om er een stempel met het stadswapen te laten zetten op mijn kaart, in Diepenhein, Goor, Markelo, Holten, Rijssen, Wierden, Almelo, Tubbergen, Ootmarsum, Weerselo, Hellendoorn, Ommen, Den Ham en Vriezenveen.
Soms was het een hypermodern gebouw van marmer en glas zooals in Almelo, een enkele keer in iets minder strakke lijn opgetrokken, maar toch modern, zooals b.v. het keurige stadhuis van Tubbergen. Maar vaak was het nog een oud, dikwijls heel oud gebouw waarin de burgemeester en het dorpsbestuur de scepter zwaaide en dan denk ik speciaal aan het vrij primitieve gemeentehuisje in Ootmarsum, vlak bij de eeuwenoude kerk en aan het stadhuis in Goor met z’n verweerde maar nog statige bordestrap.
Over Diepenheim waren we in Goor gekomen, steeds nog langs een mooie schaduwrijke weg. Trouwens heel de streek is hier aantrekkelijk, met veel bosch eenigszins geaccidenteerd en vol afwisseling. In de dorpjes zelf viel echter niet veel te zien. Goor is een onaanzienlijk fabrieksstadje en alleen het heel oude Gemeentehuis was nog eenigszins de moeite waard.
Maar we vonden in Hotel Kobes een goed onderdak en wat nog voornamer was, een uitstekende keuken. Na een heele middag rijden door de nattigheid hadden we iets extra’s wel verdiend. Een warm kop koffie en een glas cognac deden direct al wonderen en het uitstekende en stevige maal deed de rest. Al de doorgestane misère was meteen vergeten.
Zelfs waren we toen weer in staat om nog een kijkje te gaan nemen in het stadje, maar veel bijzonders konden we er niet ontdekken. Alleen een ijscoman trok onze belangstelling niettegenstaande het miezerige weer.
De volgende dag scheen gelukkig weer de zon. Na een overvloedig ontbijt werd de bagage opnieuw opgeladen en trokken we verder, “ins blaue hin ein”. Waar we de komende nacht slapen zouden, daar maakten we ons voorloopig nog geen zorgen over. Als we ergens een geschikt plekje zouden vinden, konden we daar wel blijven.
Een zelfde mooie weg bracht ons naar Markelo, een aardig Twentsch dorpje, gelegen in een krans van heuvels. We reden verder door een mooie streek. En toen kwamen we in Holten. In het miniatuur stadhuisje met vriendelijke, frisch beschilderde luiken voor de ramen, keerde ik even aan voor het stempel op mijn controlekaart. Daarna gingen we op zoek naar een hotel, want hier, in deze prachtige omgeving, wilden we voorloopig onze tenten opslaan.
In het dorp zelf een onderdak te vinden was echter uitgesloten, daarvoor was het er veel te druk met vacantiegangers. Maar buiten, op de Holterberg, slaagden we uitstekend. Voor twee dagen konden we een kamer krijgen in hotel “Hoog Holten”, daarna was alles al weer van te voren besproken. Het was een keurig luxe hotel, gelegen op het hoogste punt in de omgeving, met naar alle kanten een wijd uitzicht op het ruige heuvelland rondom. Een kronkelend zandpad liep van het dorp naar boven toe, langs Hoog Holten en dan verder over de heuvelruggen door de uitgestrekte heidevelden en de bosschen. We hadden een goede keus gedaan, het was hier een prachtig mooie omgeving tot wijd in de omtrek.
Direct nadat de bagage was afgeladen trokken we er weer op uit, over ongebaande binnenwegen nu, dwars door het land heen, langs hobbelende karresporen over de hei. Zoo konden we het best het land leeren kennen, met erdoor te zwerven langs de smalle, weinig betreden paden, dwars over de heidevelden, de hooge esschen, de weiden en golvende korenvelden, over de heuvels en door de bosschen, langs typisch Twentsche, Saksische boerenhoeven, die zwaar en massief liggen verscholen in een krans van dicht geboomte en akkermaalshout, en door de oude dorpjes met een verweerde grijze toren aan de brink.
Zoo kwamen we tenslotte in Rijssen. Direct wordt men getroffen door haar eigenaardige bekoring, vooral als men het stadje uit het westen benadert. Mannetje aan mannetje staan er de merkwaardige, groote boerderijen aaneengerijd, als woonhuizen naast elkaar, niet met de voorkamer aan de straatzijde, maar met de groote dubbele niendeur aan de voorgevel. Deze opvallende en vreemde bouw is karakteristiek voor het stadje en onderscheidt Rijssen sterk van alle andere oude steden in Twenthe. Onder invloed der voorschriften van het oude markebestuur liggen de groote boerderijen zoo dicht opeen in een vroeger omwalde kom. Noch voor een erf, noch voor een pad om paard of kar door te laten, bleef bezijden het huis ruimte open. Dat noodzaakte de deel met haar stallen aan de straatzijde te bouwen, dus de woon- en keukenruimte aan de achterkant. Slechts een smal gangetje, de “weegte”, soms net breed genoeg om één man te laten passeeren, soms slechts een goot breed, is er tusschen de boerderijen overgebleven.
Als oude Saksische veste ligt, in het hart van de marke, de Schild, het dorpsplein, vanwaar, als windstreken op de kompasroos, de vier hoofdstraten uitstralen. Een uniek gebruik in Rijssen kan men Dinsdags beleven, als de vrouwen komen spoelen en bleeken op de Wijerd, de stadsbleek tusschen Molenstraat en Wijerdstraat en aan de Haarstraat. Gebrek aan grasland rond het huis deed deze gemeenschappelijke bleek rondom de wel ontstaan.
In Hotel de Kroon hebben we heerlijk gegeten, veel en zonder bon. Mede daardoor is Rijssen een van de plaatsjes geworden waar we met genoegen aan zullen terugdenken, als we herinneringen gaan ophalen aan deze mooie zwerftocht.
Van Rijssen reden we naar Wierden en van daar naar Almelo, steeds over een mooie breede laan. Daarna zochten we onze weg weer over de smalle rijwielpaden, eerst voorbij Huis Almelo lange de Gravenallee, een prachtige laan met hoog geboomte, waarover we echter, als op een landelijk weggetje, tusschen de karresporen door ons pad moesten zien te vinden.
Als we het Overijsselsch kanaal zijn overgestoken, ligt rondom weer de open vlakte. We rijden nu langs een smal rijwielpad in de richting van Albergen. Langzamerhand wordt de streak heuvelachtiger, heidevelden wisselen zich af met golvende graanvelden en dicht begroeide bosschen tegen de glooiende hellingen. Hier en daar zien we een boerenhoeve, het typisch Twentsche los-hoes, forsch van bouw, als een oase in een kring van boomen en struikgewas. Het hout is ruw en ongeschilderd en de breede, laag uithangende rieten daken zijn vaak bemost. Onder het hooge dak bevindt zich de deel, de stal en de woonen slaapruimte in één groot vertrek, waar in het midden op vloer het open houtvuur wordt gebrand, zonder schoorsteen.
Overal door het golvende land loopen de karresporen, zandweggetjes en rijwielpaden en daarover zoeken wij onze weg, in de richting van Tubbergen. Soms valt het niet mee om met de tandem het dikwijls uiterst smalle kronkelpaadje te blijven houden of wanneer groote modderplassen de weg blijken te versperren. Dan slipten en gleden we uit over de glibberige vette klei en konden we vaak met moeite maar verder komen door de kleverige moddermassa. Dat was vooral het geval toen even voor Tubbergen de groote weg afgesloten bleek te zijn en we een omweg moesten maken over de hooge esch.
Ergens in de buurt lag een niet geexplodeerde bom, een “blindgänger”, die nog gedemonteerd moest worden en zoolang was het levensgevaarlijk er te dicht in de nabijheid te komen. Op een hoog punt staat het geweldige Schaepmanmonument, een groot standbeeld opgericht ter eere van de bekende Katholieke staatsman, die in Tubbergen geboren werd. In de diepte zien we het vriendelijke dorpje liggen, met het keurige gemeentehuis, in Twentsche stijl opgetrokken.
Over de hooge eschgronden trekken we dan naar Vasse. Om ons heen liggen de wijde heuvels, waar het graan in schoven op de velden staat. De streek is hier vrij geaccidenteerd, voortdurend gaat het slingerende zandpad op en af, dikwijls zelfs vrij steil. Prachtig zijn telkens weer de vergezichten over de velden, met hier en daar tusschen de dalen de torenspits van een dorpje, dat verder verscholen ligt in het groen. En daarboven koepelde zich de hooge blauwe hemel.
We zijn hier in het land van de bronnen en de beken en de karakteristieke oude watermolens, de Hazelbekke en de Mast. Boerenkarren, hoog opgetast met hooi hobbelen over de zanderigge weggetjes. Suizend dalen we weer een dal in, langs een kronkelende weg die zich in wij de slingers naar beneden windt.
Even later zijn we in Ootmarsum. Op een ruim plein, omgeven door oude geveltjes, staat de grijze, verweerde kerk met hoog uitstekend z’n massieve toren. Oud en versleten is ook het gemeentehuisje, waar ik tot mijn groote verwondering post voor me vond liggen, toen ik er even binnen stapte om mijn controlekaart te laten afstempelen.
Als we Ootmarsum verlaten hebben, ligt het heuvelland gauw weer achter ons. De wegen zijn weer vlak waarover we rijden naar Weerselo. Toch blijft de streek uitermate rijk aan variatie. Zelfs zien we een vos, als een waakhond vastgelegd aan de ketting voor de boerderij.
Verscholen in het dichte groen ligt Weerselo. Het is maar een heel klein dorpje, maar het heeft een mooie oude Stiftkerk met vele oudheidkundige schatten. Hier in de omgeving kan men het “los-hoes” vinden in z’n zuiverste vorm en dan zijn er nog, als een ander karakteristiek Twentsch natuurverschijnsel, de rijk begroeide moerasgebieden van het Molenveen.
Op een bank onder een hooge schaduwboom, voor een genoegelijk landelijk cafétje, dronken we even een fleschje bier. Daarna ging het weer verder, langs het kaarsrechte Almelo-Nordhorn kanaal, over een smal pad dat nauwelijks nog was vrijgebleven van het rondom woekerende dichte riet. De wind deed de hooge pluimen golven als op een rijpend graanveld.
Tot Almelo hadden we dit weggetje kunnen blijven volgen maar we besloten om eerder links af te buigen om over Rijssen naar Holten terug te keeren. Het was intusschen al vrij laat geworden en ergens moesten we nog aan eten zien te komen. In Almelo hadden we natuurlijk wel wat kunnen krijgen, maar Rijssen trok ons toch meer. We wisten bij ondervinding dat het daar goed zou zijn en daarom was het dat we besloten om toch maar de kleine omweg over Rijssen te maken.
Voorloopig bleef het land nog vlak. De weg slingerde zich door de groene weiden, waar we hier en daar in het open veld gecamoufleerde militaire versterkingen zagen liggen met luchtafweergeschut en radioinstallaties. De brug over de Regge lag nog in puin, opgeblazen tijdens de oorlogsdagen, zoodat we met een pontje moesten oversteken. Even verder lag Enter, het bekende klompenmakersdorpje en weldra reden we weer door het mooie heuvelland rondom Rijssen.
In Hotel “De Kroon” werd ons inderdaad een maal voorgezet waar we al een tijd lang in stilte op gehoopt hadden, overvloedig en heerlijk klaargemaakt, zelfs met gebakken aardappelen. Uitvoerig hebben wij er zitten smullen tot geen kruimpje meer te vinden was op de eens zoo volle schotels en schalen. Toen nog een kopje koffie na en daarna zoo gauw mogelijk verder, wilden we nog voor het donker thuis zijn. Snel begon de duisternis nu te vallen.
Langs de groote weg reden we naar Holten terug, zoo snel we konden. Als uitgestorven leek het verduisterde dorpje al toen we door de stille straatjes reden. Nu nog gauw de spoorbaan over en het zandpad op dat omhoog voerde naar Hoog Holten. Nadat de zon was ondergegaan was de temperatuur danig afgekoeld. Huiverig en door en door koud kropen we direct onder de wol. Maar gelukkig wist Jien uit zijn proviandtasch nog een flesch met cognac op te duikelen. De dubbele borrel deed wonderen. Die nacht sliepen wij beiden als rozen.
De volgende morgen, het begint eentonig te worden, regende het. Loodgrijs was de lucht zwarte donderwolken joegen langs de donkere hemel, waar nergens een lichter plekje viel te bespeuren. Hopeloos. Toen het op een gegeven oogenblik wat scheen op te klaren, trokken we er toch maar op uit. Een fijne motregen drensde nog neer maar dat kon ons toch niet meer weerhouden en ziet, ons doorzettingsvermogen werd beloond. Het weer klaarde hoe langer hoe meer op, het werd zelfs een stralende dag vol zonneschijn.
Langs een prachtig rijwielpad over de Holterberg en de Haarlerberg reden we naar Nijverdal. Eenig mooi slingert zich het grillige zandpad door de bosschen en over de ruige, golvende heide. Grauw en grijs lag de uitgestrekte vlakte rondom. Donkere wolkenslierten joegen langs het zwerk. Het was een machtig gezicht, deze verlaten, grootsche uitgestrektheid. We hadden ons op de Schotsche Hooglanden kunnen wanen met hun grauwe verlatenheid. Hier en daar zien we een leege schaapskooi.
Maar dan komen we aan een typisch Twentsch dorpje, met boerderijen in een kring van groen. Zanderige karresporen liepen naar verschillende richtingen. Zoo komen we in Nijverdal, het Twentsche textielstadje. Hooge schoorsteenen overal en groote fabriekscomplexen. We blijven de kleine slingerpaadjes volgen die hier kris kras het land doorkruisen, waardoorheen de Regge stroomt in haar groene dal. We rijden door een korenveld, slippend en hobbelend over het glibberige pad. Vóór ons rijst een flinke toren op uit het groen, de eeuwenoude dorpstoren van Hellendoorn. Achter dicht geboomte verscholen staat er het oude, verweerde kerkje.
Net als we ergens in een café ons brood zitten op te eten, barst een geweldige regenbui los. Al het water dat nog in de wolken zit, schijnt ineens omlaag te plensen. De bui is hevig, maar duurt gelukkig maar even. `Als we klaar zijn met eten, is het weer droog. En dan begint zelfs de zon zich een weg te banen door de wolken, eerst schoorvoetend, later hoe langer hoe brutaler. Maar intusschen zijn de weggetjes herschapen in ware modderpoelen. “De tocht door Rusland” noemen we dit baggeren door de breiachtige massa, waarin soms de wielen zoo ver wegzakken, dat we onmogelijk meer verder kunnen. Maar we zetten door, al slaan de takken ons soms in het gezicht en al slippen we telkens weg van het smalle, glibberige paadje.
Langzamerhand begint het land te stijgen, de modder wordt zand, los zand, waarin we ook weer telkens komen vast te zitten. En zoo ploeteren we voort de Lemelerberg over, steeds langs ongebaande paden, totdat we even voor Ommen weer de groote weg bereiken.
Stralend staat nu de zon boven de bosschen. We suizen in snelle vaart over een prachtige asphaltweg, de hellingen op en af. In de verte glooit een vrij hooge heuvelrug, rondom ons ligt het bosch, golvend en uitgestrekt en in de diepte stroomt de Regge door z’n dal. Zoo komen we in Ommen, het vriendelijke dorp aan de Vecht, midden tusschen de groene heuvels: Langs een mooie weg door de bosschen rijden we vervolgens naar Den Ham, nu weer over een prachtig rijwielpad.
Langzamerhand begint de streek opnieuw van aspect te veranderen. Het weelderige groen verdwijnt steeds meer en het land wordt weer vlak en open. Alleen langs de wegen groeien nog boomen en niet eens overal. Het lijkt hier wat op het Noord Hollandsche polderland met z’n wijde verten en rechte wegen en kanalen. Alleen de boerderijen hier en daar hebben een andere bouwtrant.
Onbarmhartig schijnt nu de zon op ons neer en de wind helpt een handje mee. Die hebben we pal tegen, zoodat het een moeizaam zwoegen wordt over een hobbelige straatweg langs de eentonige uitgestrektheid van het veengebied dat we nu hebben bereikt. Overal staan de hooge stapels turf opgetast, als eenige onderbreking op het grauwe, vlakke land, waar alleen hier en daar een waterpoel schittert in het zonlicht. De heide was nog niet in bloei, anders was wellicht dit gebied beter te apprecieeren. Nu waren we blij toen eindelijk aan de horizon een watertoren kwam oprijzen en weer het groen van boomen.
We waren in Vriezenveen, het typische veenkoloniedorp dat vermoedelijk al dateert uit de 14e eeuw. In de 18e eeuw onderhield dit merkwaardige dorp, dat als vergeten daar ligt in dat uitgestrekte veengebied, zelfs nog handelsbetrekkingen met het verre Rusland, waaraan het linnen leverde. Het is om respect te krijgen voor die oude Hollanders die, waarschijnlijk omdat de grond thuis te weunig opbracht, zoo ver weg trokken om in hun levensonderhoud te voorzien. Typisch is ook de bouw van het dorp. Het bestaat uit één enkele straat, maar het is dan ook een eindeloos lange weg van vier kilometer, met aan weerskanten allemaal van die nieuw-Saksische huisjes met vóór een aardig erf.
Langzamerhand is ook de streek weer wat fleuriger geworden. We hebben nu lang genoeg over gebaande wegen gereden en zoeken daarom maar weer de landelijke paden op. Het gaat opnieuw door dik en dun, door de bosschen en de heide en over de heuvels. De streek is weer vol variatie. Bosch en heide worden afgewisseld door hoogveen en zandgrond. Tallooze beekjes kronkelen zich door het mooie land. Over het “Hooge Heksel” rijden we van Vriezenveen naar Nijverdal. Nu was de heide prachtig, nu de zon scheen over het uitgestrekte heuvelige land, waarboven zich de hooge blauwe hemel welfde.
Langs het zelfde pad dat we die morgen al hadden genomen, probeerden we terug te komen naar Holten. Maar zoo makkelijk was het weggetje niet meer terug te vinden. Ontelbare zanderige paadjes en mulle karresporen loopen er in alle richtingen over de uitgestrekte heidevelden en door de dennebosschen. Zoo nu en dan ontmoetten we gelukkig nog iemand die ons dan weer een eindje verder helpen kon in de goede richting. En zoo kwamen we ten slotte toch weer op bekend terrein.
Heuvel op en af ging het toen weer over de Holterberg naar huis toe. Met een behoorlijke honger verschenen we aan tafel en in een oogwenk waren de toch goed gevulde schalen leeg. Maar blijkbaar had men erop gerekend, want een tweede portie stond al voor ons klaar in de keuken. Na het eten zijn we nog een flinke wandeling gaan maken in de prachtige omgeving tot de duisternis begon te vallen. Staande op een hooge top zagen we de zon langzaam wegzakken achter de beboschte heuvelruggen. Het was een heerlijke avond.
Op het terras van ons hotel hebben we nog geruimen tijd buiten zitten genieten, onder de knoestige dennenstammen, waar een bijna volle maan door de grillige takken scheen. Van tijd tot tijd ratelde beneden langs de voet van de Holterberg een trein voorbij. Alleen het roode lichtje konden we dan nog even maar onderscheiden. De verduistering had overigens heel het land weer onzichtbaar gemaakt.
De volgende morgen bracht weer een teleurstelling. De dreigende lucht voorspelde niet veel goeds toen we Zaterdagmorgen Holten verlieten. En al gauw plenste de regen neer, als een echte tropische stortbui. Met bakken vol stroomde het water uit de donkere hemel. Het zag er weinig bemoedigend uit. Gelukkig waren we nog juist in het dorp bezig met inkoopen te doen, zoodat we het ergste konden ontgaan, maar onderweg, tot Markelo, haalden we toch nog een nat pak.
Strenge heeren regeeren echter niet lang. De bui dreef over en de rest van de dag scheen opnieuw de zon. De weg naar Boekelo zochten we over Goor. Daar immers was Hotel Kobes dat ons toelonkte met z’n goede keuken. Eerst eens lekker eten en dan verder zien. En weer stelde Kobes ons niet teleur. Belangrijk opgekikkerd zetten we onze tocht voort, nog steeds door het mooie Twentsche land naar Delden, het vriendelijke villadorp met zijn oude kerk en verweerde torenspits.
Voorbij Delden volgden we een boschpad. Kilometrs lang reden we er over het smalle landelijke weggetje, vol met karresporen. Jien die voorop reed, moest al zijn stuurtalenten te pas brengen om de tandem in bedwang te houden op het hobbelige pad. Vlak naast ons liep, als een voortdurende bedreiging, een vrij diepe sloot, die een enkele maal spannende momenten veroorzaakte, maar zonder ongelukken wist de stuurman tenslotte zijn vehikel in veilige haven te brengen.
Ergens in het bosch gebruikten we ons tweede middagmaal. Een servet op het mos diende als tafel, waarop we weer al onze schatten uit de proviandtesch uitspreidden.
Toen we in Boekelo aankwamen, was het volop zonneschijn, zoodat we besloten direct een duik te gaan nemen in het bruischende golvenbad, de “zee op de heide”. Onderweg zagen we het zout in groote hoopen, wit glinsterend in de zon, uitgestort op de fabrieksterreinen. Verderop, op de open heide, ligt het groote strandhotel. Vanaf een hoog terras kijkt men neer op het golvenbad, het zonnestrand en de groote vijver, waarin ook gezwommen wordt. Het is er een gezellig zitje onder kieurige zonneschermen, midden tusschen fleurige bloemperken. Op geregende tijden zet een machtige machine het water in beweging. Dan bruischen en spatten de golven tot over de rand van het basin en is het geraden je stevig vast te houden aan de over het water gespannen touwen of om rechtuit, tegen de branding in te zwemmen.
Hoe aanlokkelijk het zonnetje ook scheen, de temperatuur van de lucht bleek toch nog te frisch te zijn en na een half uurtje zagen we zelfs blauw van de kou. En dat op een zomersche dag, midden in Augustus! Neen, echt zomerweer hebben we zoo goed als niet gehad in 1941. Hoe kort we echter maar in het water zijn geweest, de honger die het zilte nat ons bezorgde, was geweldig. Wachten tot we in Enschedé zouden zijn, was uitgesloten. Bovendien lokte het allergezelligste restaurant ons bijzonder. Achter de hooge breede ramen, met een wijd uitzicht op het terras, het strand en het golvenbad en over de uitgestrekte heide, was het lekker in de zon. Daar hebben we gesmuld van een flinke portie nasi-goreng.
Toen waren we weer in staat om verder te rijden naar Enschedé. Op het gezellige marktplein probeerden we onderdak te krijgen. Alle hotels waren er echter in beslag genomen door de Duitsche Weermacht, zoodat we genoegen moesten nemen met een kamertje in Hotel Mulder, een vrij sober logement in de buurt. Na de luxe van Hoog Holten was de neerslag wel erg groot. Maar wat zou dat, het was toch maar voor één nacht.
Zoo gauw we ons verkleed hadden trokken we trouwens ook de stad weer in. Enschedé bezit een mooi stadhuis dat me, wat de bouwstijl betreft, eenigszins deed denken aan dat van Stockholm. Eenzelfde eigenaardig gevormde toren bekroont het forsche baksteenen gebouw. Vlak in de buurt zien we ook een typische kerk die opvalt door haar vreemdsoortige bouwtrant. Op het eerste gezicht zou men niet vermoeden met een kerk te maken te hebben.
De avond brachten we verder door in een bioscoop.
Met mooi weer trokken we de volgende morgen verder. Over goede waegen die zich gezellig door het bekoorlijke, soms beboschte landschap slingeren an door vriendelijke, nette dorpen, reden we over Usselo naar Haaksbergen. Rondom Bookelo staken overal tusschen het groen de hoogs stellages der boortorens uit, daar waar het zout uit de boden wordt gewonnen.
Voortdurend zagen wij langs de wegen waarlangs een telefoonleiding liep van de Duitsche Wehrmacht, groepjes mannen patrouilleron, gewone burgers, die wacht moesten loopen, dag en nacht door, als straf voor de sabotagehandelingen die strijk en zet voorkomen in dat gedeelte van het land. Bepaald “deutschfreundlich schijnt de bevolking er niet te zijn, want juist in die tijd werd er weer overal in de dorpen een proclamatie aangeplakt, waarin met de doodstraf word bedreigd aan diegenen, die hulp zouden verlenen aan de Engelsche vliegers die daar in de omgeving een noodlanding hadden moeten maken.
Tot Neede volgden we de groote straatweg, daarna zochten we onze route naar Lochem waar over smalle rijwielpaden, dwars over de heide en graanvelden en door de mooie bosschen. Dikwijls was het pad nauwelijks berijdbaar door de diepe karresporen of sloegen de takken ons tegen de beenen en in het gezicht, zoo msal was soms maar de opening in het groene struikgewas waardoorheen wij de tandem moesten zien te laveren.
Op een open stukje grasgrond, ergens op een mooie plek, spreidden we weer ons tafeltje uit en in het gras aten we wat nog uit de proviandtasch te voorschijn kwam. Grillige zandpaden, doorgroefd met diepe karresporen en omzoomd met groen gewas kruisten elkaar op dit plekje. Een aardig boerderijtje ging schuil achter een haag van vruchtboomen. En boven ons koepelde zich nu een blauwe hemel, waarin witte wolken langzaam voortseilden. Lekker in de zon lagen we er tevreden en verzadigd in het gras. Wat kan het leven soms tech wonderschoon zijn!
Kilometers lang volgden we deze kronkelende paadjes, totdat we in de buurt van Lochem de groote weg weer bereikten. Veel vriendelijker leek nu het dorpsplein met de oude gevels in het zonlicht, dan een paar dagen tevoren, toen de lucht troosteloos grijs was en de regen voortdurend neerdroop.
In een lunchroom vlak bij de oude kerk aten we ons middagmaal, een stevige pot met aardappelen en roode kool. Het was heel verschillend waar men at, de schaarste van bepaalde artikelen bleek sterk plaatselijk te zijn. Zoo was in Lochem blijkbaar nog een overvloed van aardappelen. De portie die ons voorgezet werd was zóó groot, dat we de schaal niet leeg hebben kunnen krijgen en dat wou wat zeggen!
In Arnhem daarentegen moesten we met rijst genoegen nemen bij het diner omdat er in de stad al in geen dagen geen aardappel meer te krijgen was. Over het algemeen was het in Brabant nog het beste gesteld met de voedselvoorziening. Zelfs kregen we daar nog volop eieren, zonder bon, en vaak bij het ontbijt een vol gevuld botervlootje in plaats van de gebruikelijke paar onnoozele knoedeltjes.
Over Laren reden we van Lochem near Deventer, nu weer voornamelijk langs de groote weg. Met het sterk verminderde snelverkeer, eigenlijk kon men wel spreken van een geheel ontbreken van motortractie op een enkele Duitsche wagen na, hadden we vrijwel steeds de heele rijweg voor ons alleen, zoodat ook op die trajecten gelegenheid te over was om rustig te genieten van de mooie omgeving.
Even voor Deventer maakten we een onweg door de bosschen, langs een landelijke weg waaraan aardige villa’s verscholen lagen in het groen. Een oogenblik later doemde Deventers “Peperbus” op aan de horizon, de typische, afgestompte toren van de Lebuinuskerk. Langs de IJssel kwamen we de stad binnengereden. Er heerschte een Zondagsche drukte op de straten met het mooie zomerweer.
Op de Brink vonden we een uitstekende kamer in Hotel “Het Witte Huis”. Vanuit ons balconvenster keken we neer op het gezellige gedoe op het ruime plein. Na ons verkleed te hebben trokken we ook de stad in. Deventer bezit nog veel architectonisch schoons. Vanuit ons raam keken we uit op het Penningshoekje, waar achter een mooie 16e eeuwsche gevel de Doopsgezinden een nieuwe kerk bouwden.
Ook op de Brink staat een zeldzaam mooi voorbeeld van laat-middeleeusche architectuur in het waaggebouw, dat een schilderachtige afsluiting vormt van het ruime plein. De eerste steen werd in 1528 gelegd. Het gebouw is herhaaldelijk gewijzigd. De voorpui dateert van 1643. Gevelsteenen aan den zijgevel herinneren aan de gebeurtenissen van 1528.
In den ketel, die eveneens aan een der zijgevels te zien is, werd in 1434 een valsche munter levend gezoden. In 1914 is het Waaggebouw ingericht tot plaatselijk en gewestelijk museum van oudheden. Ook het in de nabijheid staande huis, “In di drie vergulden herinck”, gebouwd in 1575 als woon- en pakhuis van een welvarend koopman, is als museum ingericht.
En zulke oude gevels zijn er nog zooveel te vinden in Deventer. Om nog een paar van de voornaamste te noemen, de voorgevel van het stadhuis met het jaartal 1694 en de prachtige gevel van het “Landshuis” (1632), waar nu het politiebureau is gehuisvest. De dag besloten we met een zitje op het volle terras van Hotel Royal.
De volgende morgen wachtte ons een lange tocht. In één ruk wilden we de Veluwe oversteken, Bunschoten en Spakenburg nog aandoen om de dag te beeindigen in Utrecht. Ergens op de Veluwe te overnachten zou niet goed mogelijk zijn. Elke logeergelegenheid immers was al lang te voren besproken, zelfs sliep men er in schuurtjes en in leege kippenhokken! Hoe vol het er was merkten we in Apeldoorn. Op het plein voor het gemeentehuis waar toevallig markt werd gehouden, was geen doorkomen aan en ook in het overige gedeelte van de stad was het een groot gedrang door de straten.
Over de bekende Deventer schipbrug waren we de IJssel overgestoken. Langs de oever van de breede rivier lag daar het silhouet van de stad, overgoten door een nu weer stralende ochtendzon. Boven de kleurige gevelreeks staken de markante punten omhoog van Deventers “Peperbus” en de spitsen van de Bergkerk. Over Twello, langs een mooie schaduwrijke weg bereikten we het drukke Apeldoorn.
Even hebben we er wat rondgereden door de stad, maar deze opeenhooping van menschen kon ons niet bekoren, zoodąt we gauw maar weer verder trokken, door Apeldoorns mooie omgeving naar het Uddeler meer. Door de prachtige Hoog-Soerensche bosschen ging ma de weg, stijgend en dalend en slingerend door het dichte woud. Dan komt weer de open vlakte, de wijde, uitgestrakte heide. Als op een enorme rutschbaan snellen we nuover het mooie rijwielpad de flinke hellingen op en af. Het gaat hard, meest bargafwaarts. Dit is de belooning voor het moeizaam omhoogzwoegen eerst.
Dan slaan we rechtsaf en volgen nu weer een smalle weg door de heide, die als een grauwe, eindelooze massa rondom ligt. En daar ergens in die uitgestrektheid vinden we het Uddeler maar, een kleine plas maar, aan de voet van een rijtje met boomen beplante heuvels, die een klein dal omsluiten. Hier staab we op de historische Hunneschans, vanwaar we een wijd uitzicht hebben op heel de omgeving. Als een witte streep loopt beneden ons de weg waarlangs wij zoojuist gekomen waren.
Vlakbij, in de schaduw van hoog geboomte, ligt een alleraardigst hotel, buitengewoon gezellig ingericht met een mooi uitzicht vanuit de ruime veranda’s op het meer en de Hunneschans. En in dit chique, maar toch zoo knusse restaurant dat ons als een verrassende oase leek in de wijde, eenzame golvende vlakte, hebben we gesmuld van een uitstekend diner. Hier beleefden we weer een van de culinaire hoogtepunten van heel de lange tocht. Wel heeft het ons een kapitaal gekost, want nergens hebben we zóó duur gegeten, maar de biefstuk was groot en heerlijk malsch, en niet op de bon!
Na dit rijkelijke maal vervolgden we onze tocht, dwars de Veluwe over, in de richting van de Zuiderzee. De weg begon geleidelijk weer te stijgen, tot we opnieuw vanaf het hoogste punt een uitgestrekt panorama beneden ons zagen uitgestrekt. In de verte staken, hoog boven de heuvels uit, de enorme radiomasten van Kootwijk. Daarna kronkelde de weg in ruime bochten weer helling afwaarts. We passeerden Garderen, een aardig, frisch dorp met een oude kerktoren.
Over mooie wegen reden we verder, door een aardige streek. Voorloopig blijft het landschap open, met weinig boomgroei, maar langzamerhand, als we Putten naderen, beginnen de bosschen weer te komen. Putten is terecht een bekend touristen-plaatsje. De omgeving is er schitterend en noodt tot het maken van verre wandelingen of fietstochten door de uitgestrekte bosschen en over de golvende heidevelden. En Putten zelf is een gezellig dorp, met knusse, nauwe straatjes.
Als we het dorp weer uit zijn, ligt ook de Veluwe weer achter ons. Het landschap is dan geheel veranderd. De droge, onvruchtbare gronden met zandverstuivingen, kromgegroeide dennen en golvende heide velden zijn verdwenen en we zien weer groene weiden. De wegen zijn niet meer kaal, maar worden weer omzoomd door hooge, schaduwrijke boomen. Heel de streek ziet er opeens veel sappiger uit, het is weer het typische groene Utrechtsche landschap.
Na Nijkerk, een vrij groot plaatsje met verscheidene mooie oude torens, volgen we de kustlijn van de Zuiderzee. Open en vlak liggen nu weer de lage weilanden rondom, waaroverheen de stevige wind vrij spel heeft. We moeten flink aantrappen om vooruit te komen. Dan passeeren we Bunschoten, een onbeduidend dorp dat maar bestaat uit één enkele lange straatweg met aan weerskanten kleine, lage huisjes. Halverwege staat de heel oude kerk met een sterk verweerde toren.
Op straat spelen hier en daar wat kinderen, gekleed in het costuum van de streek, de meisjes met kleine ronde hoedjes op met breede opstaande zwarte rand en voor de huisjes zijn de vrouwen bezig, eveneens gestoken in de typische, maar weinig flatteerende Spakenburgsche dracht. Het over het voorhoofd gekamde haar geeft het gezicht iets stompzinnigs en de opgehoogde schouders doen veronderstellen dat iedereen er behept is met een hooge rug.
Ongemerkt is Bunschoten overgegaan in Spakenburg en opeens staan we in het oude visschersdorpje aan de Zuiderzee. Het is een alleraardigst gezicht overal de menschen rond te zien loopen in hun nationaal costuum, waarbij vooral de schorten der vrouwen en meisjes, rood en wit geblokt, het oude dorpje een fleurige indruk geven. Maar méér nog trof ons de wasch die overal te drogen hing en fladderde in de bolle wind, op de weilanden achter de dijk, tusschen de huisjes in en op de schepen in de haven. Het is waschdag geweest en al het vuile goed schijnt nu schoongeboend te zijn. In volle manden wordt hier en daar de bleek alweer naar binnen gehaald.
In het haventje met rondom de kleurige houten huisjes langs bochtige weggetjes die steil oploopen tegen de dijk, liggen de verweerde visschersschuiten. De bruine netten zijn opgesjord tegen de masten en hangen in de wind te drogen. Een zeeman klots op zijn klompen over het wankele planken dekje van zijn schommelende schuit. Niet zoo lang zal het meer duren of ook deze visschers worden werkeloos, wanneer de inpoldering van de Zuiderzee zijn voltooing nadert en ook Spakenburg als haven zal verdwijnen.
De weg van Spakenburg over Amersfoort naar Utrecht wordt een lijdensweg. De sterke wind hebben we nu pal tegen. Het wordt een hijgend zwoegen, iedere pedaaltrap kost ons moeite en soms moeten we even blijven stilstaan om bij te komen. Overal om ons heen is de open vlakte, nergens een boomenrij, wat huizen of zelfs maar een heg die de straffe wind eenigszins zou kunnen temperen. Ongestoord en onafgebroken blaast hij ons in het gezicht, met al zijn kracht. Een keer raakten we van het rijwielpad af in een greppel, toen een fietser vóór ons werd opzij gewaaid en wij hem nog maar net konden ontwijken, een manoeuvre die ons echter de macht over het stuur van de zware tandem deed verliezen.
In Amersfoort kwamen we weer wat op verhaal in een Italiaansch ijsrestaurant. Het was wel noodig, want direct al na de voortzetting van de tocht moesten we opnieuw een krachttoer ondernemen. De weg liep omhoog langs een lange helling, op zich zelf al een moeilijk stuk en nu, met de wind tegen, een nog onaangenamer karwei. Maar het lukte, net op het nippertje konden we de top bereiken. Daarna ging het beter. We reden nu door de bosschen langs Soesterberg en Huis ter Heide, over een prachtige weg die uitkomt op de groote verkeersweg van Utrecht naar Zeist.
Maar daar begon de misère opnieuw en zoo mogelijk nog erger. Tergend langzaam kwam de Utrechtsche Domtoren naderbij. Telkens moesten we uitrusten voordat we weer een eindje verder konden komen. Heel wat fietsers konden het heelemaal niet bolwerken en gingen maar loopen. Tenslotte kwamen we toch in Utrecht aan, doodmoe door deze krachtsinspanning op het laatste gedeelte van de toch al lange dagetappe. Maar toen we eenmaal in de stad in Martins Cafeteria een dubbel menu hadden opgeschranst, waren we weer fit genoeg om tot sluitingsuur de avond in Utrechts nachtgelegenheden door te brengen.
De volgende dag zouden we aan het tweede deel van onze toer beginnen, zouden we gaan zwerven door weer een geheel andere streek, door het land van de groote rivieren en ten Zuiden daarvan, door Brabant en Limburg. In alle richtingen hebben we die zuidelijke provincies toen doorkruist, van de oevers van de Schelde tot vlak aan de grenzen van België en Duitschland.
Geertruidenberg werd de eerste pleisterplaats, waar we net op tijd nog aankwamen voor het avondeten. Eigenlijk al te laat, want de keuken in het hotel was al gesloten. Maar blijkbaar kon de vriendelijke gastvrouw het toch niet over haar hart verkrijgen die twee hongerige touristen met een boterham af te scheepen, want na eenigen tijd verscheen er toch nog een uiterst smakelijk diner op tafel. We hadden het wel noodig.
Sedert ons vertrek uit Utrecht hadden we niets behoorlijks meer gegeten, behalve wat fruit onderweg. Het was al vrij laat in de middag toen we uit Utrecht vertrokken. Het weer hield zich goed. Over Jutfaas reden we eerst naar IJsselstein, het oude, historische vestingstadje aan de IJssel. Hier en daar langs de slootkanten zagen we de hooge stapels opgebonden wilgetenen liggen, netjes gesneden en op lengte gesorteerd om later verwerkt te worden tot materiaal om manden te vlechten, hoepels te maken en voor de kribben langs de rivieren.
Hier is het uitgestrekte gebied waar het teenbedrijf wordt uitgeoefend. Al van verre zagen we de hooge toren oprijzen van het eeuwenoude stadje, de slanke spits van de 14e eeuwsche Klaaskerk. Door de oude stadspoort reden we IJsselstein binnen en zwierven er wat rond door de smalle bochtige straatjes, langs de grachten met typische geveltjes uit de grijze oudheid, toen IJsselstein als vesting meerdere malen0 in het hoekje lag waar de slagen vielen.
Juist toen we voor de Klaaskerk stonden, barstte plotseling weer een regenbui los. Het was hevig, maar het duurde gelukkig maar even. In die tusschentijd brachten we een bezoek aan de kerk. Een vrouw leidde ons rond en toonde ons de praalgraven die achterin de mooi gerestaureerde kerk lagen. Naast elkaar liggen daar levensgroot in marmer uitgehouwen, de dappere “Vrouw Baerte”, die tijdens de gevangenschap van haar gemaal Gijsbrecht van Amstel, het slot IJsselstein langer dan een jaar verdedigde tegen den overmachtigen vijand Hendrik van Vianen, Maria van Henegouwen en hun echtgenoten Gijsbrecht en Arnold van Amstel.
Het is een zeldzaam grafmonument omdat er niet minder dan vier personen naast elkaar liggen afgebeeld. Devoot liggen ze daar uitgehouwen, vier leeuwen aan hun voeten en de tombe van Aleida van Culemborg aan het hoofdeinde. Is de laat-Gothische kerk al een prachtig gerestaureerd bouwwerk, bepaald verrassend is de restauratie van de merkwaardige 16e eeuwsche toren, een der vroegste renaissance bouwwerken in ons land.
Van IJsselstein reden we verder naar Benschop, waar ik aan het gemeentehuis nog even wilde aankeeren om er het laatste stempel te halen voor mijn stempeltocht door Utrecht en het Gooi. Benschop is een merkwaardig dorp. Kilometers ver strekken de huisjes zich uit langs een lange rechte vaart, allemaal eender gebouwd met tegen de voorgevel een rij boomen, het bladerdak recht afgeschoren, als een groene muur, waarschijnlijk om het woonvertrek wat te beschutten tegen de wind, die over de vlakke polders anders vrij zou kunnen rondspoken. En over de vaart en de sloten welven zich houten bruggetjes, ontelbaar in getal, witte bruggetjes, voor elk huisje, voor iedere boerderij.
Langs de lange vaart reden we door dit typisch stukje Utrechts polderland, totdat eindelijk we de weg bereikten die naar Lopik voerde. Nu ging het weer door de open wijde graslanden naar de Enge IJssel, die we verder volgden tot aan het dorpje Lopik. Kronkelend loopt de nu weer beschaduwde weg langs het heldere stroompje, waarin zich de boerderijen spielden, die zich weer als een lange keten aaneensluiten langs het water.
Toen ging het de Lekdijk op, bij de oversteekplaats van Jaarsveld naar Tienhoven. Vanaf de hooge dijkkruin keken we neer op het omringende polderland. Aan de andere kant de breede stroom, omzoomd door wuivend riet en daarboven de imposante, jagende wolkenluchten. Aken met groote bolle zeilen dreven langzaam de rivier af. In een roeibootje werden we overgezet. Met vereende krachten wisten we de zware tandem met al de bagage erop de dijk af te zeulen en veilig in het bootje te laden en aan de overkant heelhuids weer op de andere oever te komen.
Daar reden we een stuk de hooge dijk over tot Ameide. Voor ons lag de breede stroom, in wij de slingers tusschen haar hooge, stevige dijken. Bij het Lekhaventje Ameide sloegen we rechtsaf, in zuidelijke richting aan, naar Gorinchem. De streek is nu weer vlak en waterrijk, maar in plaats van weilanden, liggen rondom de uitgestrekte griengronden. Af en toe zien we een armoedig huisje staan, half vervallen en verwaarloosd, hier en daar een hechter boerenwoninkje onder aan de dijk.
We passeeren Meerkerk en rijden dan verder langs het Merwedekanaal tot aan Gorinchem. Over een hooge dijk rijden we het plaatsje binnen. Links van de weg liggen uitgestrekte fabrieks complexen van de Vries-Robbé, rechts, heel in de diepte, onder aan de hooge dijk, ligt de stad.
Door de oude stadswallen komen we Gorinchem binnen. In het café van Frank Wels, de bekende linksbuiten van het roemruchte Nederlandsche Elftal, rustten we een oogenblik uit. Aan de wanden hangen de voetbaltropheëen en vele foto’s uit de glorietijd van Nederlands “Wunderteam”.
Op zoek naar de veerpont rijden we even door het aardige, historische plaatsje, waar we nog verscheidene oude gevels zien, sommige mooi gerestaureerd. Een groote veerboot bracht ons over de Waal naar Sleeuwijk. Breed, als een uitgestrekte watervlakte lag de groote, woelige stroom voor ons, toen we er op de ponton stonden te wachten op de boot. Vrachtauto’s, karren en tallooze fietsers en voetgangers dromden samen op het ruime dek en in de salons. Het was als een vertrek van een echte mailboot.
Van Sleeuwijk volgden we de groote nieuwe betonweg naar het Zuiden. Hoog ligt de weg boven de lage omgeving uit. Links is het land van Altena, rechts ligt de Biesbosch. Het is een wijde, onbewoonde groene vlakte, geen huisje zien we in de omtrek, heel sporadisch een enkel dorpstorentje in de verte. Eindeloos lijkt het witte betonlint door het groene land. Eindelijk bereiken we het Keizersveer over de Bergsche Maas, waar we met een pont worden overgezet.
Aan de overkant van het water is opeens de streek heel anders, typisch Brabants. We passeeren voortdurend aardige dorpjes nu en hier en daar een zuivelfabriek. Vol afwisseling is weer het landschap dat we wijd kunnen overzien vanaf de hooge dijken waarover de weg loopt. Dan komen we in Geertruidenberg, het oude historische plaatsje dat vroeger van zoo’n groote strategische beteekenis was. Op het wij de langwerpige plein zoeken we tevergeefsch naar een behoorlijk hotel, maar tegenover het station slagen we beter. In Hotel Janssen krijgen we een keurige kamer en een uitstekend maal waarvan we weer op krachten komen.
Dan gaan we wat ronddwalen door het oude stadje, over het ruime plein met z’n monumentale pompen en oude gevels. Eigenlijk bestaat Geertruidenberg alleen maar uit dit wijde marktplein dat omzoomd wordt door een dubbele rij van lindenboomen. Aan de eene kant wordt het plein afgesloten door de massieven stompen toren van de Ned. Hervormde kerk, aan de andere zijde verheft zich de hooge slanke torenspits van van een andere kerk. Vroeger was Geertruidenberg een belangrijke vestingstad die de sleutel van Holland werd genoemd.
Geen wonder dat de Heeren van Brabant dit uitstekende punt voortdurend aan de Heeren van Holland hebben betwist….en omgekeerd. Na 1421 echter, na de St.Elisabethvloed, de geweldige overstroomingsramp die de Biesbosch deed ontstaan en de verbinding met Holland verbrak, moest Geertruidenberg als belangrijke handelsstad verkwijnen. Maar als vestingstad zou zij nog eeuwen dienst doen en haar groote beteekenis blijven behouden. Nu echter is het een doodsch, verlaten stadje, waar alleen de oude, vaak schilderachtige gevels nog herinneren aan het grootsch verleden.
De volgende morgen, met goed weer, zetten we tijdig de tocht voort. De zon scheen flink, maar het bleef vrij frisch. Over het algemeen troffen we het op dit tweede gedeelte van de tocht beter met het weer dan gedurende de eerste week. Voortdurend scheen de zon en maar een enkele maal kregen we een buitje, dat ons echter geen ongemak bezorgde.
Over Raamsdonk reden we in de richting van Oosterhout. In het haventje van Geertruidenberg heerschte een groote drukte van schuttende schepen. Op de werven zagen we Rijnaken die voor de Duitsche weermacht werden omgebouwd en nu van propellers op het dek waren voorzien. In Oosterhout was kermis. Op het dorpsplein en verder op alle plaatsen waar voldoende ruimte was, stonden de tenten en kramen, de draaimolens en schiettenten. Met schetterende radiomuziek werden we verwelkomd, met de toepasselijke schlager van dat oogenblik, het liedje van de man met z’n khakibroekje aan.
In de groote kerk namen we even een kijkje en bewonderden er de hooge, gebrandschilderde ramen met voorstellingen uit de geschiedenis van de stad en zijn kathedraal. Ook in het politiebureau keerde ik nog even aan voor de eerste van weer een nieuwe reeks controlestempels die ik noodig had voor de stempeltocht door Noord-Brabant, die ik meteen in onze toer door die provincie had opgenomen. Negentien steden en dorpen moesten we ervoor afrijden om in aanmerking te komen voor de belooning en zoo hebben we dan achtereenvolgens een bezoek gebracht aan al die plaatsen die gelegen zijn in de meest verschillende hoeken, soms zelfs uithoeken, van het uitgestrekte Brabant, Oosterhout, Breda, Ginneken, Zundert, Rucphen, Bergen op Zoom, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Tilburg, Boxtel, Veghel, Son, Eindhoven, Geldrop, Helmond, Asten, Grave, Oss en ‘s-Hertogenbosch.
Van Oosterhout reden we naar Breda, over een mooie breede, schaduwrijke weg door een streek vol afwisseling. We passeerden het groote openluchtbad de warande en iets verder de uitgestrekte fabriekscomplexen van het Hero concern. Daarna was Breda gauw bereikt. Al van verre zagen we de hooge torenspits van de O.L. Vrouwe Kerk. Op het Kasteelplein, vlak bij de Kon.Militaire Academie, in Hotel Kools, vonden we een behoorlijk onderdak.
De bagage lieten we in het hotel achter, waarna we de stad introkken. Breda leek ons een gezellige plaats met mooie lanen en plantsoenen en met tal van historische gebouwen. Boven alles uit domineert de Groote Toren van de O.L.Vrouwe Kerk, het mausoleum der Oranje-vorsten, een juweel van dertiende eeuwsche archttectuur. Verder zien we langs de slotgracht van Breda’s Kasteel het Waterpoortje waardoor in 1590, heimelijk verborgen in een turfschip, de soldaten van Prins Maurits binnendrongen en bij verrassing het Kasteel op de Spanjaarden veroverden.
Het ruime marktplein met de talrijke restaurants, hotels en vele winkelzaken geeft aan het stadsbeeld iets levendigs, zelfs iets buitenlands. We hadden ons in een stad in België kunnen wanen. In “Het Zuid” hebben we geluncht. Het was een groot, vrij deftig restaurant, waar keurig gerokte kellners bedienden en eerlijk gezegd, erg op mijn gemak voelde ik me er niet in m’n gekreukte korte broekje. Maar het eten heb ik me daardoor niet minder goed laten smaken en de rijstschotel met niet minder dan drie gekookte eieren per persoon verdween dan ook als sneeuw voor de zon in onze altijd hongerige magen.
Juist toen we opnieuw op weg zouden gaan, kletterde weer een flinke plasbui neer. Zoolang het regende hebben we toen wat in Breda’s winkelstraten rondgescharreld, hier en daar wat proviand ingeslagen voor onderweg en verder ontzettend veel plezier gehad. Waarover eigenlijk wisten we zelf niet. Misschien door het lekkere eten! Ons goede humeur lieten we ons in ieder geval niet meer bederven door zoo’n onnoozel regenbuitje en zie, na een poosje scheen de zon weer en konden we op stap gaan. Langs Breda’s mooie breede straten reden we eerst naar Ginneken en van daar verder door het prachtige Mastbosch in de richting van Rijsbergen.
In het uitgestrekte bosch raakten we echter de koers kwijt en niemand was er die ons de weg kon wijzen. Later, op de heide, werd het nog wat erger. Daar konden we heelemaal geen richting meer bepalen uit het warnet van kronkelende paadjes. Maar de natuur was er prachtig, vol afwisseling van bosch en golvende heidevelden. Door de bui waren de weggetjes wel glad en modderig geworden, maar boven ons scheen weer de zon. Het was toch weer een stralende dag geworden.
Op een eenzame boerderij probeerde ik naar de weg te vragen, maar alleen de kettinghond begroette me met een woedend geblaf toen ik het erf op liep. Varkens en kippen scharrelden er rond op de deel, maar geen mensch was er te zien en onverrichter zake moest ik terugkeeren. Gelukkig echter dook er plotseling een man op uit de eenzaamheid die ons kon helpen. Achter hem aan reden we langs het warnet van paadjes tot de groote weg weer was bereikt. Toen konden we het alleen weer vinden.
De hoofdverkeerswegen in Brabant zijn schitterend. Het zijn breede, goed bestrate wegen met flinke schaduwboomen aan weerszijde. Dikwijls loopt er nog een behoorlijk rijwielpad naast. Over het algemeen zijn ook de secundaire wegen uitstekend, waar wij ze ook gebruikt hebben in heel de provincie. Over zoo’n mooie groote weg reden we eerst naar Zundert, een klein plaatsje dat typisch Bel-gisch aandoet.
In normale tijden raast over zoo’n autostrada het snelverkeer in een vrijwel onafgebroken stroom voort, nu echter hadden we de weg voor ons alleen. Slechts een enkele Duitsche auto snorde van tijd tot tijd voorbij.
Na Zundert sloegen we rechts af in de richting van Rucphen. Kronkelend liep de weg door het mooie landschap dat hier en daar zelfs geaccidenteerd was. De streek is hier vrij dun bevolkt, heel sporadisch zien we maar wat huisjes staan. Rucphen zelf is een eenvoudig dorpje van weinig beteekenis, maar de weg er heen loonde de moeite, de omgeving is er mooi.
Na eenigen tijd bereiken we dan opnieuw een groote verkeersweg, nu die welke van Breda over Roozendaal naar Bergen op Zoom loopt. Deze weg volgen we tot Bergen op Zoom. Aan weerskanten liggen uitgestrekte boom- en bloemenkweekerijen. We passeeren Roozendaal, weer zoo’n “Belgische” stad en even verder Wouw. Tegen etenstijd bereikten we Bergen op Zoom.
Aan het ruime Marktplein, in Hotel “De Draak” hebben we gedineerd, heel behoorlijk zelfs, met een royaal stuk biefstuk. Vleesch scheen er nog in overvloed te krijgen te zijn in die streken. De slagerswinkels waren er tenminste over het algemeen nog ruim voorzien.
Na het eten reden we wat rond door de stad met z’n oude torens en poorten en aardige plantsoenen, naar de oevers van de Schelde. Het was eb. Uitgestrekte, drooggevallen zandbanken lagen te glinsteren in het licht van de ondergaande zon. Prachtige wolkenbanken kleurden de hemel. We reden totaan het uiterste puntje van de lange dijk. Rondom ons lag het breede watervlak waarvan de overkant nauwelijks te onderscheiden was. Het was een mooi gezicht, al dat water, en in de verte het donkere silhouet van de stad, scherp afgeteekend tegen de kleurige avondhemel, vol met grillige wolkenbanken.
Langzamerhand werd het echter tijd om weer naar huis terug te keeren. Het zou nog een heel eind zijn tot Breda. De wind hadden we gelukkig mee nu, zoodat we vrij snel konden opschieten. Weer over Wouw, buiten om Roozendaal heen en via Rijsbergen reden we dezelfde mooie weg terug, grootendeels over een prachtig rijwielpad.
Daarna kwamen we weer op onbekend gebied. We passeerden de tweeling gemeente Etten-Leur en Princenhage, weer zoo’n typisch Brabants dorp met een aardige dorpsbrink waaraan het gemeentehuis ligt en de kerk en waar midden op de markt zoo’n gemoedelijke pomp staat. Net op tijd bereikten we Breda voordat de duisternis geheel was ingevallen. In het bosch echter was het al volkomen donker.
Door de nu verlaten straten reden we terug naar ons hotel, waar we vóór het slapen gaan nog een paar borrels dronken om bij te komen van de koude avondlucht. Maar ook zonder dat zouden we die nacht goed geslapen hebben. De volgende morgen, na een uitstekend ontbijt met vleesch en kaas en een spiegelei, zelfs met een vol gevuld botervlootje op tafel, trokken we verder naar onze volgende pleisterplaats, Tilburg.
Zoodra we de stad verlaten hadden, volgden we weer zoo veel mogelijk de rustige rijwielpaden die overal het Brabantsche land doorkruisen. Over het algemeen zijn het behoorlijk berijdbare weggetjes, die zich genoegelijk slingeren door het bekoorlijke landschap. Een enkele keer is het niet meer dan een met gras begroeid voetpad, maar dan volgden we weer een stuk de wat breedere binnenwegen.
In Rijen, zoo’n allergenoegelijkst Brabantsch dorpje, in een eenvoudige herberg, dronken we een glas van het heerlijke donkere bier dat daar gebrouwen wordt. Gemoedelijk als ze zijn kwamen de waard en zijn vrouw bij ons zitten praten in hun gezellige, sappige taaltje uit de streek.
In Riel kochten we een brood, dat we verderop, ergens in het gras langs een zandpad, hebben opgegeten. Eén moment dreigden we vast te loopen in de kleffige modder van een doodloopend voetpad, toen we het weggetje verlaten hadden en rechttoe koers zetten op de torenspits van Goirle. Via het erf van een eenzame boerderij, waar we tot groote verbazing van de bewoners plotseling kwamen opgedoken uit de modder, bereikten we echter spoedig weer de groote weg die naar Goirle voerde.
Van daar reden we, nu weer langs een behoorlijk fietspad, naar Hilvarenbeek, een eenvoudig dorp, dat echter een groote, eeuwenoude kerk bezit die al dateert uit de 15e eeuw. Een paar maal is de hooge toren door brand geteisterd, doch telkens weer in zijn oude omvang opgebouwd. Steeds nog over landelijke binnenwegen bereikten we toen, via Moergestel, het bekende Oisterwijk, een vriendelijk plaatsje met tal van knusse straten en een gezellige, beschaduwde brink, waarop in het midden het aardige gemeentehuisje prijkt. Het is een uitgezocht toeristencentrum dat er bijzonder gunstig ligt in een prachtige omgeving van heide, bosch en vennen.
Een tijdlang zwierven we er rond door de bosschen, waar telkens tusschen de rechte stammen een stil meertje spiegelde, een roerlooze plas, omkranst door riet en bestrooid met waterlelies. Toen reden we door naar Tilburg.
In de stad heerschte een gezellige drukte en aanvankelijk leek het er zelfs op dat we geen plaats meer konden krijgen in de hotels. Verscheidene bleken al geheel bezet te zijn, maar tenslotte kwamen we nog uitstekend terecht in Hotel De Lindeboom op de Heuvel, een druk plein in het centrum van de stad. Het was er gezellig zitten en terwijl we ons te goed deden aan het uitstekende diner, keken we naar het bedrijvige gedoe op het ruime plein en langs de trottoirs, waar vele café’s en restaurants hun zitjes buiten hadden. Het is duidelijk te merken dat Tilburg een levendige fabrieksstad is met veel vertier.
Na een wandeling door de drukke winkelstraten streken we neer in Old Dutch, het café van de bekende wielrenner Jan Pijnenburg, ook aan de Heuvel gelegen. “De Pijn” zelf kregen we echter niet te zien. Later op de avond hebben we ons tegoed gedaan aan het heerlijke Italiaansche ijs bij de Lorenzo om tenslotte de avond te besluiten in het restaurant van ons eigen hotel, waar we nog een poos hebben geluisterd naar de muziek.
De volgende morgen reden we van Tilburg, over Enschot en Oisterwijk naar Boxtel, het eerste gedeelte over de mooie groote verkeersweg, later langs een smal rijwielpad dat naast de spoorbaan liep. Vele malen was ik in de trein al door diezelfde streek gesneld, maar nooit heb ik toen aan de mogelijkheid gedacht dat ik eens ook op een tandem er langs zou komen. En toch, hoe dikwijls ik die omgeving al gezien had door een coupeeraampje, op de fiets leek alles weer nieuw.
Op het marktplein van Boxtel zagen we wat aardige gevels, toen reden we door naar Schijndel, langs een mooie, lommerrijke weg met rustieke boerderijen en overal boomen rondom, in de weiden en op de bouwlanden. We merkten dat we Limburg naderden. En toen opeens kwam het plan in ons op om inderdaad door te rijden naar Limburg, een omweg te maken over Roermond, om daar even aan te keeren bij de familie Heynen, die ons op onze vorige tocht zoo gastvrij had onthaald. Zoo gedacht, zoo gedaan. We keken nu niet meer op een paar tientallen kilometers! Maar in Schijndel streken we toch eerst even neer in een café om wat te rusten. Ik ging het dorp in om te probeeren ergens een brood te pakken te krijgen, wat me inderdaad gelukte.
Toen we gegeten hadden trokken we welgemoed weer verder. We waren in de beste stemming. Het weer was goed en een mooie weg kronkelde gemoedelijk door het liefelijke landschap. We passeerden een aardig dorpje, Berde, en landelijke boerderijtjes, soms een mooi oud kasteeltje. Het was een genoegen daar zoo rond te rijden door die prachtige streek vol variatie.
Dan komen we in Veghel. We volgen nu weer een groote verkeersweg die over St.Oedenrode, via Son loopt naar Eindhoven. Langzamerhand wordt de omgeving kaler, de heidevelden beginnen weer het bosch te verdringen. Maar het vriendelijke dorpje Son ligt nog verscholen in een kring van hooge loofboomen.
Langs een lange, hobbelige straatweg, door Woensel, een van Eindhovens voorsteden, komen we de stad binnen. Aan weerszijden eindelooze rijen karakterlooze arbeiderswoningen, zonder eenige versiering, zonder één blaadje groen ter opvroolijking van de saaie, lange straat. Echt een toonbeeld van een groote fabrieksstad. We komen langs de enorme Philips fabriekscomplexen en doen wat inkoopen in de drukke binnenstad. Dan gaan we gauw weer verder. Eindhoven is geen prettige stad en er valt ook weinig moois te zien.
Nog steeds over een prachtig rijwielpad rijden we naar Geldrop, waar ik even aan het gemeentehuis binnenloop voor een stempel. Vele stempels had ik op deze tocht al verzameld en overal was ik vriendelijk ontvangen, informeerde men belangstellend naar het verloop van de rit en wenschte men ons voor het resteerende gedeelte een voorspoedige reis. Geldrop echter was de uitzondering. Niet alleen op het gemeentehuis werd ik weinig vriendelijk ontvangen, ook de politieagent aan wie we de weg vroegen, antwoordde ons stug en kortaf. Dat viel ons tegen.
Gelukkig hadden we de Brabanders ook al van hun goede zijde leeren kennen, als hartelijke, behulpzame menschen. Alleen later, in Oss, zouden we nog een keer onaangenaamheden van hun ondervinden, maar daarvoor waren we dan ook in Oss, een van de gemeenten met wellicht de meest beruchte naam in Nederland.
Over Mierlo met de bekende molen die thans geheel weer gerestaureerd is, reden we naar Helmond, waar we in Hotel van Tilburg op het Beugelsplein een uitstekend onderdak vonden. Ook het eten was voortreffelijk. Even zijn we de stad nog ingeweest, maar veel was er niet meer te zien in het schemerdonker, zoodat we besloten maar naar de bioscoop te gaan. In afwachting van de opening der loketten dronken we in restaurant De Beurs eerst nog een kop koffie.
De volgende morgen zouden we doorgaan naar Roermond. De zon scheen weer en het bleef ook de rest van de dag behoorlijk weer. Alvorens weg te rijden, keerden we nog even bij de banketbakker aan, waar we de avond te voren al kennis gemaakt hadden met zijn lekkere vlaaitjes, om voor onderweg een paar reuze rijstvlaai en in te slaan. We konden toen met een gerust hart starten. Omkomen van de honger zouden we ook die dag niet.
In het hartje van Helmond vinden we opeens het meest merkwaardige en meest romantische gemeentehuis dat een fabrieksstad bezitten kan.
Omringd door grasvelden en eeuwenoude boomen, glans de in de volle zonneschijn een majestueusch kasteel met fiere hoektorens. Over de breede slotgracht voert een steenen brug naar het mooie binnenplein. De oude kronieken gewagen van een roemrucht bolwerk met een stormachtige geschiedenis, die haar uitgangspunt vindt in de 15e eeuw, toen de Brabantsche landheeren onder de Bourgondiërs hun sterke kasteelen deden bouwen. Nu is het de zetel geworden van de moderne vroedschap en tevens een schatkamer van historie en folklore.
Die dag werd juist markt gehouden. We moesten dwars door de drukte heen toen we de stad verlieten. Overal uit de omtrek schenen de boeren gekomen te zijn met hun waren van velerlei aard. Het was vaak een alleraardigst gezicht groote groepen roze biggetjes bijeen te zien, dicht opeen gedrongen in een kleine omheining, knorrend en wroetend. De geur die ze verspreidden was dikwijls echter minder idyllisch.
Als we eenmaal buiten de stad zijn, zoeken we weer de smalle paden op die ons voeren zullen in de richting van Deurne. We naderen de Peel. Eerst gaan we langs uitgestrekte dennebosschen tot we het dorp bereikt hebben, dan gaat de route afwisselend door de golvende heidevelden en langs bouwland. Dit is hier het uitgestekte gebied van vriendelijke Meierijsche dorpen, zandgronden meest, heel veel hei, kleine beekkleistrooken, met ruischende wilgen langs de oude wegen, het boerenerf dat omhaagd is door de doornen- en beukenheg, het boerenhuis met zijn golvende noklijn en kleine ruitjes in de ramen, de linden voor de deur en de put met de melkkruiken en vanouds de omwalde akkers, waar het hakhout welig groeit.
Dit is het land waarover we zooveel hebben kunnen lezen in de boeken van Antoon Coolen, die zelf daar bok woont, in de buurt van Deurne. In het dorp Asten rusten we wat in een cafétje en drinken er een glas bier.
Even verder ligt het oude kasteeltje van Asten, sterk vervallen, maar waar ze nu weer druk bezig zijn met de restauratie. Buiten de verweerde kasteelmuren, onder hooge boomen langs de gracht, op een hoop hooi midden tusschen het struikgewas, aten we onze rijstenvlaai.
Toen ging het dwars de Peel over naar Roermond, over Meyel, Roggel, Heythuyzen en Horn, vriendelijke Limburgsche dorpen met nette kleine huisjes en groote kerken en kloosters. Uitstekende wegen leiden er door het wijde, golvende land. Het is hier ook het land van de heiligenbeeldjes. Overal zien we ze weer staan op de kruispunten der wegen en langs de smalle zandpaden door de velden, monumentale Christusfiguren vóór de kerk in het dorp of kleine, soms zeer primitieve kruisbeeldjes langs de kant van de weg, dikwijls kinderlijk versierd met helkleurige papieren bloemen.
In de buurt van Meyel vinden we de weg opengebroken. Men was er bezig de schade te herstellen die neergevallen bommen er veroorzaakt hadden. In de weilanden langs de weg zien we ook nog eenige groote bomtrechters. Door het licht golvende heuvelland slingert de straatweg zich langs de groene velden. Een stralende zon stond aan de blauwe hemel.
Meest is het een open vlakte met weinig boomgroei, maar naarmate we Roermond naderen, komen weer de bosschen. Als we langs de oude Napoleonsweg rijden, zien we tusschen de denne stammen door het water glinsteren van de Heelder Peel, een aardig openlucht zwembad. Als we Horn gepasseerd zijn, zien we recht voor ons Roermonds kathedraal oprijzen. Hoog op een heuvel gebouwd is de groote toren reeds ver in de omtrek duidelijk te onderscheiden.
We rijden de Maasbrug over die een jaar geleden nogin brokken in de rivier lag, daar waar Maas en Roer samenvloeien, gaan langs de oude resten van de stadsmuren, waar nog een grauwe verweerde toren oprijst aan de voet van de kathedraal, en rijden dan het marktplein op, waar we naast Roermonds mooie stadhuis in Huize Heynen ons welbekende gastvrije pension terugvinden.
Toevallig staan mevrouw Heynen en Kuipers aan de voordeur als we aan komen rijden. Het huis is vol, maar toch wordt ook voor ons nog een plaatsje ingeruimd. We zijn echter te laat voor de koffiemaaltijd, daarom gaan we eerst eten in De Kroon. Later op de middag strijken we neer in Delicia en doen er ons te goed aan ijs en taartjes zonder bon. Na het avondeten gaan Brunet en ik naar de bioscoop. De rest van de pensiongasten treffen we na afloop van de voorstelling weer in Delicia. Toen we naar huis liepen, flikkerde in de verte weer het afweergeschut.
De volgende morgen zetten we onze tocht voort in de richting van Nijmegen. Gedeeltelijk volgden we dezelfde weg als de dag te voren. We passeeren achtereenvolgens weer Horn, Heythuizen, Roggel en Meyel, maar telkens langs een andere route. Meyel is een typisch dorp met dicht bijeen staande boerderijen, in een lange reeks langs de weg, onder hooge boomen. We dronken er een lekker glas bier in een landelijk herbergje en spraken er met de gemoedelijke Limburgers. Het was Zondag en overal werd druk gebeugeld. Onophoudelijk klotsten de zware ballen tegen het houten schot en de gesprekken in het cafétje gingen uitsluitend over het beugelen. In een glazen kastje hingen de veroverde tropheten van de plaatselijke beugelclub.
Over Liesel reden we toen weer naar Deurne en vandaar begonnen we de oversteek dwars door het eigenlijke Peelgebied. De streek wordt eenzaam, heel sporadisch zien we nog een boerenhuisje staan en geen mensch haast ontmoeten we op de verlaten weg. De streek is echter heelemaal niet zoo troosteloos als ik me de Peel had voorgesteld. Het zijn frissche groene landen met hier en daar zelfs flinke dennebosschen, die langzamerhand de heide beginnen te verdringen.
Maar wel troosteloos begon de lucht te worden. Zwarte wolken pakken zich dreigend samen en plotseling gudste weer de regen neer, onverwachts en hevig, als een tropische bui. Onder een boom voor een boerenhuisje vonden we een eenigszins beschut plekje, waar we de onweersbui konden afwachten.
Even later kregen we gezelschap van een meisje dat er ook kwam schuilen op dit eenige droge plekje in heel de omtrek. Ze kwam uit Eindhoven en was op weg naar Beugen. Heel het lange rechte stuk langs de Rips zou ze anders alleen moeten rijden, zoodat ze er direct voor te vinden was toen we voorstelden om zoover samen te gaan. Inderdaad was het een lange, eindeloos rechte weg, maar heelemaal niet zoo saai en troosteloos als wij ons hadden voorgesteld na Guurtjes beschrijving. Voor een eerste kennismaking bood de streek ons zelfs voldoende variatie van bosch en heide en vooral toen de zon weer stralend begon te schijnen, zagen we rondom ons een frisch en bekoorlijk land.
Langzamerhand werd de streek weer meer bewoond en we passeerden weer wat dorpjes. In een café in Oploo, waar achter de gelagkamer in een hok de varkens knorden, dronken we een glas bier.
In een snellere opeenvolging rijen zich nu de plaatsjes aaneen, St. Anthonis, Boxmeer en Beugen, allemaal aardige dorpen met een zware Gothische kerktoren, hoog oprijzend boven de roode daken. Het nu weer golvende land is welbebouwd en we zien veel kweekerijen van rozen, heesters en boompjes. In de weiden graast het rood bonte vee. Oude boerinnen dragen hier nog veel de groote Brabantsche mutsen, versierd met kant en vroolijke bloemmetjes.
In Beugen nemen we afscheid van Guurtje, die daar een bezoek gaat brengen aan de nonnetjes van het klooster waar ze vroeger op school is geweest. Wij rijden alleen dan verder langs Oeffelt naar Cuyk. Vóór ons opent zich nu een prachtig vergezicht. Rondom het golvende land dat naar rechts afdaalt tot de Maasvallei en aan de overzijde van de rivier weer een lange heuvelreeks, dicht met groen begroeid, met hier en daar er tusschendoor wat witte torens.
We naderen de Maas, rijden onder langs de hooge dijk naar Cuyk en bereiken dan gauw Katwijk, waar de overzetplaats is naar Mook. De motorpont “God met ons” brengt ons naar de overkant. Prachtig is het gezicht op de breede rivier, die rusteloos zijn golven voortstuwt langs de machtige dijken.
Het is als een mooi schilderij, een glanzend, zonovergoten landschap met frissche, heldere tinten. Over een schaduwrijke groote verkeersweg naderen we dan Nijmegen. Rechts van ons rijst nu vlakbij de heuvelreeks omhoog, dicht begroeid met hoog geboomte. Ik herken menig plekje in deze mooie omgeving waar ik langs gekomen ben tijdens de “Vierdaagsche” afstandmarschen, die ik jaren geleden meegeloopen heb.
Bij St.Anna bereiken we de stad, rijden langs breede lanen en over het ruime Keizer Karelplein naar het station, waar we in Hotel Victoria het rustpunt van deze dagetappe vinden. We hebben een keurige kamer met uitzicht op het plantsoen. Na het voortreffelijke diner gaan we de stad in. Nijmegen is een royaal gebouwde stad met veel pleinen en parken en breede boulevards die stervormig naar alle kanten uitstralen vanaf het ruime, gezellige Keizer Karelplein. Standbeelden en monumenten en kleurige bloemengazons verfraaien verder het stadsbeeld.
In de binnenstad met z’n smalle, dikwijls vrij sterk geaccidenteerde straten is het heel druk. We flaneeren met de menigte mee en komen uit op de Groote Markt, het middelpunt van de oude stad, waar tal van merkwaardige gebouwen nog te vinden zijn. Recht voor ons zien we de mooie oud-Hollandsche gevel van de Waag, in 1612 gebouwd voor waag- en vleeschhal, een juweel van Nederlandsche bouwkunst. Dan gaan we een gebeeldhouwde kerkboog door (gebouwd in 1666), die niet heelemaal tot zijn recht komt door de omringende, aangebouwde huizen, en komen uit op een merkwaardig binnenhof, een stille plek, midden in het hartje van de bruischende binnenstad. In het midden verrijst de Groote of St.Stevenskerk, een eeuwenoude kerk die reeds in 1279 werd ingewijd. In het koor bevindt zich het graf van Catharina van Bourbon. Het oude, eerbiedwaardige gebouw ziet er echter vervallen en verwaarloosd uit, de machtige muren brokkelen af, de beelden in de nissen zijn beschadigd of geheel verdwenen en in de hooge boogramen zitten grauwe vensterschijven gevat in plaats van kleurig glas in lood. Het werd wel tijd dat met een grondige restauratie werd begonnen.
Rondom de oude kerk nauwe, pittoreske steegjes en wat mooie gevels. Trapsteegjes dalen neer van de hoogte waarop de kerk staat naar de omliggende straten. Door het oudste gedeelte van Nijmegen dalen we af naar de Waal. Stijl loopen de straatjes omlaag tusschen oude vervallen huizen door, langs menig schilderachtig plekje dat me van tijd tot tijd deed herinneren aan de sloppen van Napels. Dit gedeelte van Nijmegen zal echter weldra verdwenen zijn. Reeds is men met de afbraak begonnen. Beneden, langs de kade stroomt de machtige Waal. Een grootsche boogbrug overspant de breede rivier. De geweldige boog van het middenstuk hing echter, door groote stellages gesteund, halverwege boven het water uit. Ook deze nieuwe brug was in de Meidagen van 1940 het slachtoffer geworden van het onmeedogenlooze oorlogsgeweld. Nauwelijks een paar maanden tevoren officieel geopend, scheen het voor de verdediging van het land noodzakelijk te zijn om ook deze prachtige brug in de lucht te laten springen.
We wandelden wat rond langs de Waalkade en keerden toen terug naar de drukte van de stad. In de Lange Burchtstraat zien we Nijmegens mmoie stadhuis, in 1554 gebouwd en van buiten rijk versierd met standbeelden van Romeinsche koningen en keizers die voor de stad van belang zijn geweest. Intusschen was de duisternis gevallen, we keerden dus maar naar ons hotel terug, want in een vreemde, verduisterde stad viel er toch niets meer te beleven. Maar niettegenstaande de donkerte wisten we eerst toch nog het Italiaansche ijsrestaurant te vinden, waar we ons nog tegoed deden aan een paar porties van het heerlijke ijs.
De volgende morgen zetten we onze speurtocht door het mooie Nijmegen voort. De tandem stalden we zoolang in de buurt van het historische Valkhof en gingen te voet verder. De grondlegger van het Valkhof was Nero Claudius Drusus, aan wien, na den dood van Caesar, door Keizer Augustus het opperbevel werd gegeven over de Romeinsche bezetting. Ongeveer in het jaar 768 stichtte Karel de Groote hier een Rijkspaleis. In 1704 echter is dit hofgebouw door het bombardement der Franschen zeer beschadigd en in 1796 werd het voor afbraak verkocht en gesloopt, behoudens de twee nog bestaande overblijfselen der Kapellen, de Ruine en de Karolingische of Heidensche Kapel. De Ruine is een deel van een grooter gebouw, dat tegen het hoofdgebouw heeft gestaan en het Koor vormde. Men vermoedt dat het begouwd is in 1155 door Frederik Barbarossa, die toen het Valkhof heeft hersteld. De Karolingische of Heidensche Kapel werd in 799 door Paus Leo III tot een christelijke kerk gewijd. Nu is het Valkhof een wandelpark geworden, vanwaar men genieten kan van het mooie uitzicht op de machtige Waal, die beneden langs de hoogte voortstroomt en op het Betuwelandschap vol natuurschoon verderop. Terecht staat er ergens op een hek geschilderd: “Quem dabis haec possit qui dare cunta locum”, Wie weet mij een plaats te noemen die op zooveel schoons kan roemen.
Achter de Karolingische Kapel staan we weer op een historische plek, want hier stond eeuwen geleden ook Claudius Civilis “knarsetandend bij het zien van de naderende adelaars van de wrekende legerscharen”. Langs het Valkhof loopt nog een gedeelte van de oude vestingwal, een brok verweerde muur, overwoekerd met klimplanten. Vanaf de Belvédère zien we uit tot ver in de omtrek, over een groot stuk van Gelderland en Noord Brabant en Limburg. Als zilveren linten kronkelen de groote rivieren, de Rijn, de Waal en de IJsel zich door de groene velden. De Belvédère dateert uit de Spaansche tijd. (1646) Op de breede Waal diep beneden ons heerscht een bedrijvige drukte. Onafgebroken voeren stoombootjes en zware sleepen diepgeladen aken de rivier op en af. We begonnen honger te krijgen van het loopen. In een banketbakkerij kochten we een dozijn taartjes, die we gegeten hebben op een bank in het park, vanwaar we een uitzicht hadden op het mooie panorama dat zich beneden ons ontrolde. In de stad dronken we een kop koffie in een lunchroom en aten er nog eens een dozijn taartjes om voorloopig de maag te vullen. We konden ons die luxe permiteeren, want naar de bonnen werd niet gevraagd. Nog eenmaal keken we rond op de Groote Markt met z’n mooie, historische gebouwen rondom en de hooge, verweerde toren van de St.Stevenskerk. Er was nu bloemenmarkt. Vroolijk stak de frissche kleurenpracht af tegen de roodsteenen oude gevels van het Waaggebouw.
Toen haalden we de tandem weer op en gingen op weg, weer verder naar onze volgende pleisterplaats. De omgeving van Nijmegen is heuvelachtig. Helling op en af ging het voortdurend tot we de stad een flink eind achter ons hadden. We reden weer in zuidelijke richting, de kant op van weer een ander historisch plaatsje, Grave. We passeeren de “Goffert”, een uitgestrekt, keurig aangelegd park met mooie grasgazons en bloemperken, met wandelpaden en rijwegen rondom een groot, modern stadion. Prachtige oude lanen strekken zich uit naar alle richtingen.
Toen we van de groote wegen weer waren afgedwaald, dreigden we een oogenblik opnieuw vast te raken in de kleverige moddermassa. Het pad dat we volgden liep dood in het drassige land. Stevig moesten we trappen om de zware tandem er door te halen en weer op de groote weg te krijgen, toevallig juist de weg die we noodig hadden om in de richting van Grave te komen. Even verder was echter weer een nieuwe hindernis, een opgeblazen brug. Met een pontje moesten we oversteken. Langs de hooge rechte oever van het kanaal lagen op regelmatige afstanden nog de gecamoufleerde betonnen kazematten, een enkele geheel in puin geschoten.
Aan de overkant gaan we weer verder langs een witte autostrada die hoog uitsteekt boven de lage landen. Aan weerskanten liggen de groene weiden, het open vlakke land tusschen de groote rivieren. Over de massieve Waalbrug met de enorme stuwen, waardoor het water met donderend geweld zijn weg zoekt komen we in het oude stadje Grave, weer zoo’n historisch plaatje met nauwe straatjes, dat door z’n strategische ligging, eenigszins op een hoogte vlak aan een groote rivier, telkens weer in zijn eeuwenlange historie getuige is geweest van belegeringen en veldslagen.
Om het marktplein zien we wat oude geveltjes, een verwaarloosd gemeentehuisje en een verweerde kerktoren. In een modern restaurant aan de rand van de stad, met uitzicht op de rivier, rusten we een poosje. Verderop verandert het landschap weer. Langs de weg staan weer hooge schaduwboomen, de landen zijn bebouwd en overal in het rond zien we tusschen het groen torenspitsen omhoog steken van de omringende dorpen. We slaan een binnenweggetje in dat aanvankelijk goed berijdbaar was, maar dat langzamerhand al minder werd, totdat er niet veel meer van overbleef dan een smal hobbelig pad, dat zich echter allergenoegelijkst slingerde door de velden en langs kleine gehuchten.
Heerlijk stond de zon te stralen over het vriendelijke, frissche landschap. Een boerenjongen loodste ons weer naar de groote weg. Toen waren we gauw in Oss. Oss, het plaatsje met een slechte reputatie waar een tijd lang opzienbare schandalen zich voordeden, een broeiplaats van misdadigers. We hebben maar te denken aan een “Teun de Soep” en zijn beruchte trawanten of aan een zekere fabrikant Swanenburg. Maar niet alleen de naam was slecht, ook het dorp zelf deed onaangenaam aan met z’n hobbelige, slecht geplaveide straten. Het meest heb ik me echter geergerd aan de jeugd, brutale, onbeschaamde rakkers, die voorbijgangers met steenen gooien en uitschelden. Kortom, een ellendig gat, dat we zoo gauw mogelijk de rug weer toekeerden.
Langs behoorlijke wegen reden we vervolgens naar ’s Hertogenbosch. In Hotel Noord-Brabant aan de Groote Markt sloegen we voor het laatst onze tenten op. Lest, best. Het was een groot hotel dat “buitenlandsch” aandeed. In het ruime restaurant met muziek aten we een smakelijk diner en gingen toen de stad wat in. Veel bezienswaardigheden biedt Den Bosch echter niet. Voor zoo ’n vrij groote plaats met een bijna 8 eeuwen oude historie viel het ons tegen. Behalve het ruime, gezellige marktplein met in het midden een standbeeld van Jeroen Bosch, was er niet veel te zien. Alleen nog het Stadhuis, met in de onderaardsche gewelven een knus ingerichte “Raadskelder”.
We gingen daarom maar naar het Casino, een wijdsche naam voor een betrekkelijk primitieve bioscoop. De avond besloten we in het Italiaansche ijssalon ter plaatse, waar we, om het einde van onze mooie tocht te vieren, een record aantal coupes achter elkaar naar binnen sloegen. Ik geloof dat we het respectabele getal van 7 glansrijk gehaald hebben. Maar het smaakte ook zoo buitengewoon goed.
De volgende morgen wandelden we eerst naar ’s Hertogenbosch’ grootste glorie, de Kathedraal van St.Jan, een prachtige gothische basiliek, geinspireerd op de Kathedraal van Amiens. Het is een indrukwekkend monument met een pracht aan rijk versierde bogen, gewelven en koepels, met een overvloed aan beelden en ornamenten, die echter toch niet overdadig aandoet, maar eerder eerbied doet krijgen voor het kunnen van de oude bouwmeesters die de St.Jan hebben gemaakt.
De eerste St.Jan werd omstreeks 1200 gebouwd in Romaansche stijl. De toren, tot aan het klokkenhuis, bleef nog bewaard, maar werd in 1872 met nieuwe baksteen ommetseld. In 1280 werd begonnen met een tweede St.Jan, waarvan men de sporen in de tegenwoordige kathedrale basiliek nog terug kan vinden, want voor een deel werden de oude grondslagen gebruikt en ook alle kapellen die op de kooromloop uitkomen en nog eenige andere kapellen bleven, echter gedeeltelijk verbouwd of gerestaureerd, bewaard.
Met den derden St.Jan, den “tegenwoordigen” begon men te bouwen na den brand van 1419 en omstreeks 1523 mocht men hem eindelijk voltooid noemen, op de spits van den koepeltoren in het midden na. Het machtige werk zou toen bekroond worden met een heel hoogen toren van 150 meter, bekroond met een koperen beeld van St.Jan van 1400 pond, dat als windwijzer dienst zou doen. De Bossche timmerman Jan van Poppel bracht het werk tot stand, maar in 1534 vernielde een brand tengevolge van blikseminslag de spits. In 1591 verving een platte zoldering het ingestorte koepelgewelf. En nog nu wordt er aan de St.Jan gebouwd. Voortdurend is men bezig aan de restauratie, al tientallen jaren lang. Stuk voor stuk wordt het beeldhouwwerk hersteld, worden de leege nissen weer gevuld, herrijat het kunstwerk in zijn volle glorie weer voor onze verbaasde oogen. Een jongetje vertelt ons het verhaal van de “Erwtenman”. In een onverstaanbaar taaltje ratelt hij z’n lesje af. Het eenige woord dat we van tijd tot tijd kunnen verstaan is de erwtenman. Later vinden we de “Erwtenman” in steen vereeuwigd terug in het beeldhouwwerk langs een van de gevels, geflankeerd door allerlei heiligen.
Na het bezoek aan de St.Jan gingen we op weg voor de laatste etappe, terug weer naar het uitgangspunt van onze rondrit, Utrecht. We volgden de groote verkeersweg naar Hedel, waar we over een pontonbrug de Maas konden oversteken. De vernielde verkeersbrug was er nog steeds niet hersteld. Verder ging het nu weer door de wijde lage polderlanden van de Bommelerwaard, het uitgestrekte vlakke land tusschen de groote rivieren, met witte slingerwegen door de groene weiden of over hooge dijkkruinen. Zoo kwamen we in Rossum, een dorpje veilig weggescholen achter de machtige Waaldijk, die hoog boven de huisjes uit zijn beschermend lichaam verhief. Prachtig was het uitzicht vanaf dit hooge punt over de breede rivier, waar sleepbootjes als nietige dingen op het wij de watervlak hun sleepen voorttrokken door de rustelooze golven. Tjalken met bolle bruine zeilen dreven langzaam voort.
Boven dit wijde waterland stapelden zich de wolkengevaarten, wit glinsterend in de zonneschijn. Maar plotseling verschool de zon zich achter een zwarte wolk en een stroomende regenbui kletterde onverwachts weer neer. Snel daalden we af van de hooge dijk om beneden onder een boom een droog plekje te zoeken. Even snel als de bui was opgekomen, dreef zij ook weer af en opnieuw onder een stralende zonneschijn zetten we de tocht weer voort naar Zaltbommel.
Langzamerhand kwamen we in de Betuwe streek. Aan weerskanten van de weg begonnen zich al de boomgaarden uit te strekken. Zaltbommel laten we links liggen en gaan direct de groote brug op die bijna weer geheel hersteld is. Eindeloos lang, als een tunnel van staal strekt de brug zich over het breede water van de Waal. Aan de overkant, verscholen achter de hooge dijk ligt Waardenburg. Het gaat nu snel, even later zijn we al in Geldermalsen, waar we even rusten in een hotel. Dan verlaten we weer de groote verkeersweg en gaan nu langs de smallere binnenwegen het hartje van de Betuwe in, in de richting van Buren, een curieuse oud stadje, eertijds zetel van een roemrucht gravengeslacht dat met dat der Oranjes is versmolten.
Het mooie 17e eeuwsche weeshuis is een stichting van dat geslacht. Overigens is het een dood stadje, dat echter rijk is aanschilderachtige hoekjes. Door een oude poort komt men op een stil pleintje, waar een verweerde toren omhoogrijst, verboven de huizen uit die vaak versierd zijn met de typische Geldersche trapgeveltjes. Vanaf de omwalling kijkt men uit op het vlakke land rondom, waar als een vesting het oude stadje schijnt op te rijzen.
In het voorjaar als de kersenboomen bloeien moet het er bijzonder mooi zijn. Door het vriendelijke land slingert de weg zich verder door tal van dorpjes en gehuchten, die overal verspreid liggen in een krans van boomen tusschen de groene weiden. In Beusichem slaan we een groote voorraad fruit in, vooral heerlijke, sappige pruimen, die we al rijdende oppeuzelen. Dan gaan we de Lekdijk op. In de verte wenken ons al de torens van Culemborg toe, maar het duurt nog een poosje voordat we er zijn. Boven op de hooge dijk blaast een stevige wind ons weer pal in het gezicht. We passeeren Culemborgs aardige stadhuisje aan het ruime, langwerpige marktplein. De mooie renaissance gevel gaat echter schuil achter een stellage van balken en plankieren die noodig zijn voor de reparatiewerkzaamheden. Dan gaan we een oude poort door en staan weldra aan de Lek te wachten op de gierpont die ons over zal zetten. Aan de andere oever staan we weer op Utrechtsche bodem. Nu zijn we gauw thuis.
Schalkwijk en Houten rijden we door, welvarende dorpen met een reeks van flinke boerderijen langs een vaart, temidden van vruchtboomen en groene weiden en dan doemt de toren van Utrechts Dom op aan de horizon. Eerst nog heel ver weg, maar steeds dichterbij komt de hooge toren en naarmate hij grooter wordt, nadert onze tocht haar einde. Tegen 5 uur zijn we weer thuis. We verwisselen onze shirt en shorts weer voor een behoorlijk costuum en gaan dan de tandem wegbrengen. Hij heeft ons trouw gediend de brave makker, zonder nukken te toonen. Toch hebben we veel van hem gevergd, maar gehoorzaam heeft hij ons gebracht langs de mooie breede wegen, maar ook op de modderige, glibberige paadjes, dwars door de velden en de bosschen, heuvel op en af heeft hij ons veilig voortgedragen door ons mooie land. En zoo is ook deze tocht er weer een geworden waar ik steeds een prettige herinnering aan zal bewaren.